In de Karel Du Boislaan in Hoboken doorbreekt een azuurblauwe deur een lange rij grijze betonplaten. De deur blijkt de toegang tot de grasmat van K.S.C. Maccabi Antwerpen. In een hoek van het secretariaat prijkt de foto van een rabbijn. Daarnaast staat een menora, een zevenarmige kandelaar.
...

In de Karel Du Boislaan in Hoboken doorbreekt een azuurblauwe deur een lange rij grijze betonplaten. De deur blijkt de toegang tot de grasmat van K.S.C. Maccabi Antwerpen. In een hoek van het secretariaat prijkt de foto van een rabbijn. Daarnaast staat een menora, een zevenarmige kandelaar. Marcel Van Hees, een tachtiger in trainingsoutfit, loopt er straal voorbij. Strak rond zijn nek gebonden: een blauw-witte sjaal - de kleuren van de Israëlische vlag. Nog een uur heeft Van Hees vooraleer de wedstrijd tegen Pulderbos begint. Hij is druk doende met identiteitskaarten van spelers. Achter zijn rug hangen foto's aan de muur van Haifa, de Dode Zee en andere Israëlische plaatsen. Daaronder blinkt de cover van een Israëlisch mannenblad. Een zwartharige deerne poseert met een decolleté tot aan haar navel. 'Geen idee waarom die hier hangt', smaalt Van Hees. Net op dat moment waait voorzitter Seror Haim (57) binnen. 'Dat is een oud-lief van mij', zweert die in het Frans. Van Hees schatert: 'Daar geloof ik niks van.' Maccabi Antwerpen werd gesticht in 1920 en is 'de enige voetbalvereniging in België die de joodse cultuur nog echt omarmt', aldus Van Hees. 'Er bestaat ook Maccabi Brussels, maar die club is fel verbelgischt.' Van Hees, ooit doelman in de vierde klasse, loopt hier al sinds de jaren tachtig, maar is zelf geen jood. 'Vroeger werkte ik op Tachkemoni, een joodse school in Antwerpen. Ik gaf les aan de kinderen van de ex-secretaris van deze club. Zo verzeilde ik op een dag hier.' Intussen is Van Hees zelf secretaris van Maccabi én coördinator én doelmannentrainer. Na al die jaren denkt Van Hees er nog nauwelijks bij na als hij elke week de volgende tegenstander van alle jeugdploegen opbelt met de vraag om de wedstrijden van het komende weekend te verplaatsen. Standaard worden die matchen ingepland op zaterdag, maar voor de joden is dat de sabbat. Van vrijdag zonsondergang tot zaterdag zonsondergang rusten zij. Ze gaan dan naar de synagoge en beleven familiemomenten. Elektrische toestellen blijven onaangeroerd; de auto komt de garage niet uit. 'Dus kan bij onze duiveltjes geen enkele match doorgaan zoals gepland', zegt Van Hees. 'Maar onze tegenstanders zorgen er wel altijd voor dat we op een ander moment kunnen spelen.' Pulderbos trapt af. Hoeveel joodse spelers op het veld staan, is op het eerste gezicht niet uit te maken; niemand draagt pijpenkrullen of een keppeltje. Ooit was hier wel eens een joodse speler die tijdens de match zijn keppeltje wilde aanhouden, vertelt Haim, maar dat mocht niet van de scheidsrechter, ook niet toen die speler er een zakdoek over wikkelde. In de tribune kijkt Robert Immens (66) toe, duiveltjestrainer bij Maccabi. Hij zegt dat er vandaag vier joodse spelers meespelen. Een van hen is ook de trainer van de ploeg: rechtsachter Samuel Lavan (36). In minuut 10 verstuurt die een voorzet richting Jelle Bryssinck (32), die er prompt 1-0 van maakt. Bryssinck is een van de vijf Vlaamse niet-joden in de ploeg. Naast hen zijn er ook nog twee Afrikanen. 'Iederéén is hier welkom', herhaalt Haim enkele keren. 'Vorig seizoen speelden hier zelfs twee Marokkanen.' Op de truitjes van de Maccabispelers staat: Diamond Line. Maar het gaat de joden niet meer voor de wind in de Antwerpse diamantwereld, legt Jean-Jacques Schreiber (52) uit, de joodse ondervoorzitter van Maccabi. Hij is in Antwerpen geboren en spreekt keurig Nederlands. 'De kleine diamantairs hebben het tegenwoordig moeilijk in Antwerpen, ' aldus Schreiber, 'alles wordt geconcentreerd in grote multinationals. Daarnaast nemen Indiërs een belangrijk deel van de markt over. Almaar meer joden trekken weg uit Antwerpen, ook omdat ze zich hier niet altijd meer veilig voelen. Dus daalt ons ledenaantal. Twintig jaar geleden hadden wij nog dubbel zoveel spelers.' Nu telt Maccabi nog 150 voetballers, zegt Van Hees, onder wie 110 joden. Minuut 44. Pulderbos scoort. Langs de lijn maakt Haim zich druk in het Hebreeuws. Even later breekt de rust aan. Haim, Schreiber en Van Hees duiken de vipruimte onder de tribune in, een bescheiden zaaltje met houten tafels onder een schuin plafond waartegen TL-lampen hangen. Maar de sfeer is warm. Haim serveert gebak. 'Koosjere taart', knipoogt hij. Aan de muur blinkt een foto van de gouden lichting van Maccabi. In 1968 promoveerde die naar de derde klasse. In zijn eerste jaar in die derde klasse miste Maccabi op een haar na de promotie naar de tweede klasse. Het waren de hoogdagen van deze club. Doelman toen was Lucien Huth (80). 'Wat een sterk, goed voetballend team hadden wij in die tijd', zegt hij nog altijd vol vuur. 'Maccabi was echt een naam in het Antwerpse voetbal. Het is nog altijd de ploeg van mijn hart, echt een warme club.' Eind de jaren zestig lagen de kaarten in de Antwerpse diamantwereld nog anders. 'In die tijd zaten er veel diamantairs achter deze club', vertelt Van Hees. 'Die verdienden geld als slijk en gaven centen waarmee we spelers konden kopen.' Immens herinnert zich dat Maccabi zelfs een Hongaarse jood ging halen. 'Die kwam met het vliegtuig.' Toen kon Maccabi ook ex-eersteklassespelers aantrekken. Als het dat ene seizoen gelukt was om naar de tweede klasse te promoveren, zou Maccabi een grote ploeg geworden zijn, gelooft Van Hees nog altijd. Huth knikt. Maar na het missen van de promotie verdween de eendracht binnen het bestuur. De goede spelers vertrokken, de club zakte weg, intussen zelfs tot in vierde provinciale. Van Hees: 'En nu redeneren de diamantairs dat het toch maar verloren geld is als ze nog centen in Maccabi zouden pompen.' Schreiber wandelt terug naar de tribune. Hij passeert de toegangsdeur van de kantine. Voor het raam van die deur zit een ijzerwerk waarin een davidster is gevormd. Op de deurpost hangt een bleek voorwerp, smal en zo'n tien centimeter lang. Het bevat een stukje perkament. Een mezuzah, noemen joden het. Er staan verzen op uit de Thora, het heilige boek van de joden. Sommige joden hebben de gewoonte om met hun hand dat stukje perkament aan te raken en vervolgens hun hand te kussen. 'Zo'n mezuzah hangt aan elke deur van ieder joods gebouw', zegt Schreiber. 'Bij mij thuis hangen er wel vijftien. Het herinnert ons eraan dat God nooit ver weg is.' Schreiber neemt terug plaats op de tribune. Hij zit hier elke week. Oud-doelman Huth komt nog één keer per seizoen. 'Dan doet mijn hart zo zeer. Vroeger speelden wij hier voor 3000 à 4000 man.' Deze zondag is er maar zo'n vijftig man. Ook bij hen is geen keppel of krul te bespeuren. Schreiber kijkt rond en zegt dat tien toeschouwers joods zijn. 'We dachten weer extra volk te lokken door meer joodse jeugdspelers te laten doorstromen naar de eerste ploeg, maar dat lukt niet echt.' Van de vier joodse spelers in het eerste elftal kreeg maar één zijn opleiding bij Maccabi: rechtsback Lavan. De jeugd van Maccabi kleurt nochtans grotendeels joods, maar blauw-wit moet ook lijdzaam toezien hoe veel joodse spelertjes met prima voetbalvaardigheden zich niét aansluiten bij de club, omdat ze naar strikte joodse scholen gaan. 'Yavne en Jesode-Hatora heten die', zegt Van Hees. 'De kinderen daar hebben op weekdagen vaak tot zes uur 's avonds les en moeten zeven dagen op zeven naar school. Voor hen blijft er geen tijd over om te voetballen. Ze lijken met niks anders bezig dan met hun cultuur.' Schreiber: 'De ultraorthodoxen keuren voetbal niet af, maar zij geven er de voorkeur aan om in hun eigen, kleine wereld te blijven.' De 110 spelertjes die Maccabi wel uit de joodse gemeenschap in Antwerpen vist, gaan naar mindere strikte scholen, zoals Tachkemoni. 'Ook zij volgen een uitgebreider lesschema dan Belgische schoolkinderen, ' aldus Van Hees, 'bovenop het Belgische programma krijgen ze elke dag twee uur Hebreeuws. Maar de jongens van Tachkemoni zijn wel goed geïntegreerd in het Antwerpse leven.' De Maccabispelertjes beleven hun geloof dus op een vrijere manier dan de ultraorthodoxen, en dat geldt ook voor de clubleiding. 'Ik ga op zaterdag tien minuutjes naar de synagoge', zegt ondervoorzitter Schreiber. 'Ik sta open voor alles. En onze voorzitter ook. Die rijdt op zaterdag met de auto, wat ik dan weer niet doe. Iedere jood beleeft zijn geloof op zijn manier.' Van Hees knikt en lacht: 'Op verplaatsing zie je weleens joodse spelertjes of ouders een hamburger kopen, terwijl dat strikt genomen niet mag van hun geloof. Denk niet dat het allemaal heiligen zijn.' Op het veld is het nog altijd 1-1. Knap, want Pulderbos is de leider. Maar een sportieve opmars voor Maccabi zit er de eerstkomende jaren sowieso niet in, denkt Van Hees. Ondanks de vrijere manier waarop de joodse Maccabispelers hun godsdienst beleven, geven zij hun geloof nog altijd voorrang op een eventuele voetbalcarrière. Van Hees: 'Voetbal komt voor joden pas op de vijfde plaats. Er zijn veel zaken die zij belangrijker vinden dan de voetbalclub, in de eerste plaats hun godsdienst. Zo vieren joodse kinderen op hun dertiende hun bar mitswa, vergelijkbaar met onze plechtige communie. Daar hoort een voorbereiding bij die erg intensief is. Dat zorgt ervoor dat ze vaak niet komen trainen. En dan zijn er ook nog eens de vele joodse feestdagen, zoals Rosj Hasjana, Jom Kipoer en Chanoeka. Ook dan zie je hen hier niet. Daarnaast geven de joodse jongetjes hun jeugdvereniging voorrang op de voetbalclub. Het is dus niet evident om hier met hen iets te bereiken. Als ze op het veld staan, voetballen ze met hart en ziel, maar je zult bij hen niet de spirit zien die je wel bij niet-joodse jongetjes ziet: dat alles moet wijken voor de training.' Immens: 'De joodse jongens komen om wat recreatief te voetballen, niet om van hier naar een grotere club te trekken. Joodse jongetjes die daarin slagen, zijn uitzonderingen.' Huth denkt terug aan zijn tijd. 'Wij namen onze joodse ploegmaats op sleeptouw', vertelt hij. 'We jutten hen op. En die gasten, zoals Jules Haberkorn en Maurice Fischler, volgden ons.' Nu, in vierde provinciale, is er geen slipstream meer waarin joodse spelers kunnen meegezogen worden. 'Jongens die het absoluut willen maken als voetballer, komen niet meer naar ons of blijven niet', beseft Van Hees. De scheidsrechter fluit af. 1-1 is een mooi resultaat. De Maccabispelers sjokken richting de kleedkamer. 'Onder de douche kun je joden wél makkelijk onderscheiden van de niet-joden; wij zijn besneden', smaalt Schreiber. Wat verderop staat Bryssinck, de niet-joodse kapitein van Maccabi. Hij vertelt dat hij hier twee jaar de U17 trainde: 'Gouden jongens, allemaal. Maar veel joodse jongeren trekken rond hun achttiende naar het buitenland in het kader van hun studies. Dat verklaart mee waarom weinigen doorstromen naar het eerste elftal. Ook jammer vond ik dat bij die joodse jongens de discipline rond het terrein en de stiptheid vaak te wensen overlieten.' Lavan pikt in op het discipline-aspect. Hij zegt bij de joodse Antwerpenaren rondom hem niet de passie voor voetbal te proeven die hij wel heeft en die hem ver bracht. Lavan is een van die uitzonderingen over wie Immens daarnet praatte: hij schopte het als jood vanuit deze club wel tot profvoetballer. Zijn carrière leidde hem langs Beerschot, Beitar Jeruzalem en Antwerp. En het vuur brandt nog altijd. Op sabbat is er een elektrisch toestel dat hij wél aanschakelt: de tv, om naar voetbal te kijken. 'Ik moet bijleren', lacht hij. Dat voetbal voor de meeste Antwerpse joden pas op de vijfde plaats komt, vindt Lavan overdreven. 'Maar toch zeker pas op de derde plaats. Eerst is er het studeren en dan het uitgaan met vrienden en vriendinnen. Althans, bij de joden in België is dat zo. En als het wat druppelt, zegt een joodse vader hier algauw tegen zijn zoon: 'Misschien moet je niet gaan voetballen.' Ik vind het frustrerend om te zien dat veel joodse jongetjes hun talent vergooien.' Van Hees knikt: 'Die joodse jongens zijn enorm beleefd en goed opgevoed, maar heel veel onder hen zijn gâtés.' Immens geeft tegengas. Hij wijst naar Roni Michaeli, de vader van een joods Maccabiduiveltje. 'Wij zijn een moderne joodse familie', vertelt die. 'Godsdienst is ook voor ons erg belangrijk, maar kinderen moeten ook hobby's hebben en sporten. Mijn zoon Adriel is verzot op Barcelona; voetbal is voor hem heel belangrijk. Hij zegt vaak dat hij profvoetballer wil worden. Ik zie erop toe dat hij alle trainingen meedoet. Als hij zijn trainingen en schoolwerk serieus opneemt, gaat hij dat later ook met andere dingen in zijn leven doen. En regen is voor mij geen excuus, want er is bij Maccabi ook een zaal om binnen te trainen.' Immens: 'Mij zul je niet horen zeggen dat joodse jongetjes te veel verwend worden. Wel zijn het slimme gastjes die niet altijd voeling hebben met een sportcultuur. Zij moeten op school ook erg intensief bezig zijn met dat Hebreeuws en genieten niet dezelfde vrijheid als onze kinderen. Als ze dan twee uurtjes per week komen trainen, zijn ze uitgelaten en willen ze hun goesting doen. Als jeugdtrainer moet je dat wat breken en in goede banen leiden. Zeker bij Maccabi heb je daar geduld voor nodig. Maar je kunt maar omgaan met mensen uit een andere cultuur als je ook een deel van hun gewoonten aanvaardt.' Dank aan FOOT 100 vzw voor de competitiegegevens uit 1967-1969.