Toen Albert Stuivenberg (46) bij Manchester United de assistent was van Louis van Gaal, liep hij er Leo Beenhakker nog eens tegen het lijf. De ex-bondscoach van onder andere Nederland is ook een voormalige jeugdtrainer van Feyenoord. Bij die club kreeg hij midden de jaren zeventig de toen nog piepjonge Stuivenberg onder zijn hoede. 'Hij kende mij nog uit die tijd', lacht Stuivenberg.
...

Toen Albert Stuivenberg (46) bij Manchester United de assistent was van Louis van Gaal, liep hij er Leo Beenhakker nog eens tegen het lijf. De ex-bondscoach van onder andere Nederland is ook een voormalige jeugdtrainer van Feyenoord. Bij die club kreeg hij midden de jaren zeventig de toen nog piepjonge Stuivenberg onder zijn hoede. 'Hij kende mij nog uit die tijd', lacht Stuivenberg. ALBERT STUIVENBERG: 'Thuis groeide ik op met twee broers die negen jaar ouder waren. Ik moest dus wel voor mezelf opkomen. In alle jeugdteams werd ik snel de aanvoerder. Ik was een persoonlijkheidje, een leidertje. Redelijk eigenwijs. Ik herinner me nog mijn debuut met een nationale jeugdploeg, de U14: twee matchen tegen België. Bij de eerste wedstrijd zette onze coach, Bert van Lingen, me niet in de basiself. Dat was nieuw voor mij, bij Feyenoord speelde ik altijd. Op een gegeven moment moest ik warmlopen. Dat duurde best lang, vond ik. Dan was ik wel iemand die ging zeggen: 'Trainer, ik ben er klaar voor, hoor.'' (lacht) STUIVENBERG: 'Op mijn twaalfde gingen we op schoolreis naar Ulvenhout. Maar ik moest eerst nog met de miniemen van Feyenoord tegen Sparta spelen. Toen ik 's avonds bij mijn klasgenoten kwam, was er enkel nog plaats in het bovenste bed van een stapelbed. Tijdens de eerste nacht viel ik uit dat bed. Ik werd wakker tijdens de val, maar omdat ik in een slaapzak zat, kon ik niks meer doen. Ik smakte met een lichtgebogen knie tegen de grond. De volgende ochtend stond die knie dik. Bij Feyenoord keek iemand ernaar, maar die zei dat het meeviel. Ik ging weer voetballen. Toen ik opnieuw last kreeg aan die knie, ging ik eens bij Gerard Meijer, oud-masseur van Feyenoord. Hij raadde me aan om de arts op te zoeken met wie de club samenwerkte. Die constateerde vocht en een speling in mijn knie, maar ook hij zei dat het meeviel. Omdat mijn bovenbenen zich goed ontwikkelden, kon ik nadien vier jaar zonder pijn voetballen. Maar toen ik met de U16 weer eens tegen Sparta speelde, maakte ik een Vanenburgbeweging, waarbij je eerst naar de binnenkant gaat en dan met de buitenkant van je schoen een pass geeft. Na die beweging viel ik door mijn been, een heel rare gewaarwording. De teamafgevaardigde ging even met de spons over dat been, daarna speelde ik voort. Maar toen ik een verre pass gaf, gebeurde het weer. Uiteindelijk bleek dat mijn achterste kruisband al lang was afgescheurd. Als die niet op tijd wordt gerecupereerd, lost die op in je bloed. Bij mij zat er niks meer. Ik moest geopereerd worden. Ze gebruikten een stukje patellapees als achterste kruisband, een pees aan de zijkant van mijn knie werd verlegd en een stukje buitenmeniscus ging eruit. Na veertien maanden revalidatie ging ik opnieuw spelen, maar ik had vlug weer klachtjes. Ik vroeg me toen al af: komt dit ooit nog helemaal goed? Ik ging naar Ovenveen, naar het Centraal Instituut voor de Opleiding van Sportleiders, om daar te studeren. Voetballen deed ik nog bij HFC Haarlem, en nadien bij Telstar. Maar toen ik fysieke tests moest afleggen om een contract te krijgen, bleek mijn knie niet geschikt voor betaald voetbal.' STUIVENBERG: 'Als dat verdict definitief wordt, is dat toch nog een slag in je gezicht. Ik was zeker niet minder goed dan de jongens met wie ik speelde en verscheidene van hen haalden later de absolute top. Een droom spatte dus uiteen. Maar ik stelde meteen een nieuw doel: als het me als voetballer niet zou lukken om de top te bereiken, dan wilde ik dat wat daar het dichtst bij aanleunt: als trainer-coach die top bereiken.' STUIVENBERG: 'De eerste jaren was ik nog veel te veel die ambitieuze voetballer die het spel en de oplossingen op het veld zag. Mijn spelers zagen die niet altijd, daar had ik veel moeite mee. Tot je leert dat iedereen verschillend is. Dan ga je je afvragen: hoe kan ik die speler helpen om beter te leren waarnemen? Ik deed veel ervaring op; ik kreeg in de loop der jaren alle jeugdteams wel een keer onder mijn hoede. Op mijn 30e werd ik hoofd opleidingen bij Feyenoord en tussendoor mocht ik even bij RWDM aan de slag, waar ik ook hoofd opleidingen werd, en de assistent van Ariël Jacobs. In België belandde ik in een andere cultuur. Als ik mijn directheid niet wat bijvijlde, kon ik niet bereiken wat ik wilde bereiken. Bij RWDM leerde ik op mijn tong te bijten.' STUIVENBERG: 'Die ervaring veranderde mij het sterkst als trainer-coach. Ik was gewend om heel georganiseerd te werken, met rond mij ambitieuze mensen die streefden naar succes. Daar bleek dat helemaal niet de bedoeling, je moest de mensen er gewoon wat bezighouden. Jongens die zeven kilo te veel wogen, mochten toch eens meetrainen omdat ze een goede band hadden met persoon x of y. In het begin werd ik daar ziek van. Ik kreeg gierende hartkleppen. Het gebeurde dat een basisspeler me daags voor een match zei dat hij er de volgende dag niet zou zijn. Er zou bij hem een wasmachine geleverd worden, zijn vader zou niet thuis zijn en er móést op zo'n moment een man in huis zijn. Ik maakte me daar eindeloos druk over. Het gebeurde ook dat een training tien minuten bezig was, er geluiden uit de moskee kwamen en al mijn spelers begonnen te bidden op het veld; daarom hadden ze dus die handdoeken meegenomen. Dan stond ik daarnaar te kijken en dacht ik: wat moet ik hiermee? Tot ik me in het tweede seizoen afvroeg: ga ik hier nu blijven tegen vechten of ga ik mij richten op de zaken die ik wel kan beïnvloeden? Als zo'n jongen me kwam zeggen dat hij er daags nadien niet zou zijn, antwoordde ik voortaan: 'Oké.' Plots was hij er de volgende dag wel. Het bleken ook spelletjes. Van zulke momenten leer je.' STUIVENBERG: 'Typisch voor mij is dat er mij niet zo veel ontgaat, ik zie en hoor bijna alles. Dat is een kwaliteit, maar ook een valkuil. De neiging ontstaat om over alles een mening te hebben, terwijl je dingen soms gewoon moet laten voor wat ze zijn. Toen ik na mijn tijd in de Emiraten de Nederlandse U17 ging coachen, merkte ik dat ik veel rustiger langs de lijn stond. Zo kon ik beter observeren en analyseren. Ik was beter in staat om de juiste keuzes te maken. Ik ging minder coachen vanuit mijn eigen voorkeuren en meer op basis van de situatie. Vaak bepaalt de situatie wat je het beste kan doen. De ene keer is dat: je assistent iets laten oplossen, de andere keer is het: er zelf bovenop vliegen, nog een andere keer is het: iets laten passeren.' STUIVENBERG: 'Ten eerste had ik 95 procent van die spelers al onder mijn hoede gehad bij de U17. Er was dus al een band, dat helpt. Ten tweede vind ik dat een bondscoach een goede band moet opbouwen met de clubs van zijn spelers. Een bondscoach leent die jongens uit en wil hen in een korte periode zo goed mogelijk laten samenwerken. Hoe beter de informatie is die zo'n bondscoach vooraf heeft, hoe beter hij die spelers kan beïnvloeden en hoe beter hij achteraf feedback kan geven aan de clubs. Maar ook hier merk ik dat dat niet gewoon is. Spelers van mijn team worden uitgenodigd om naar hun nationale ploeg te gaan zonder dat het vooraf met mij besproken is. Ik nam nu zelf het initiatief om daarover met de Belgische bondscoaches van de U19 en de U21 eens in gesprek te gaan. Ik belde ook de bondscoach van Sander Berge. Sander zit in een extreem druk programma en moest deze maand naar Noorwegen. Is dat goed voor hem? Enerzijds wel, het is een eer om naar je nationale ploeg te mogen - ik zal dat altijd stimuleren. Maar het is ook van belang om met elkaar in gesprek te zijn over de belasting van zo'n speler. Die Noorse coach stond daarvoor open, en de Belgische bondscoaches ook. Maar het is nog geen gewoonte dat zij het initiatief nemen voor zulke gesprekken. Als bondscoach van Jong Oranje ging ik de clubs uit eigen beweging bezoeken. Hoe beter het contact tussen de bondscoach en de clubs, hoe meer die clubs hun spelers stimuleren voor zo'n nationale ploeg. 'Bij Jong Oranje probeerde ik ook om de spelersgroep zelf te laten bepalen wat belangrijk was, iets wat ik hier nu ook doe. Ik vroeg mijn spelers wat zij selectiecriteria vonden om bij Jong Oranje te spelen. Er kwam onder andere naar boven dat spelers in vorm moesten zijn en graag moesten willen. Als zulke dingen vanuit de groep komen, is het effect heel anders dan wanneer een bondscoach zelf roept dat hij enkel spelers zal selecteren die willen. 'Ten slotte zijn er altijd jongens die echt op het randje balanceren tussen Oranje en Jong Oranje. Maar als de bondscoach van Oranje, toen Louis Van Gaal, zo'n jongen zegt dat het nog iets te vroeg is voor Oranje en tegelijk aangeeft dat het van groot belang is dat die speler presteert bij Jong Oranje, dan doet zo'n gast dat. Zo moet het ook in een club. De hoofdcoach van het eerste elftal moet heel stimulerend zijn naar de jeugdopleiding toe. Daarom ben ik hier al zes zaterdagen naar de jeugdacademie geweest. De jongens daar zien mij. Ik vind dat normaal vanuit mijn functie hier, zeker gezien de filosofie van deze club.' STUIVENBERG: 'Ook hier wou ik een en ander bij de spelers neerleggen. Ten eerste ging dat over de identiteit van het team: wat willen wij uitstralen als de mensen naar ons komen kijken? Daarnaast bespraken we ook de prestatiedoelen. Zo geef je richting aan het proces waaraan je begint. Als je dat niet doet, waar heb je het dan over? Dan loei je maar een beetje in de ruimte.' STUIVENBERG: 'Als je zo veel kansen creëert en toch maar één keer scoort, weet je waaraan het ligt. Bij die laatste handeling, dat afwerken, spelen kwaliteit en vertrouwen een grote rol, iets waar ik toen misschien nog net niet genoeg invloed op had. En we misten natuurlijk onze hele voorhoede.' STUIVENBERG: 'Vóór de winterstop haalden we te weinig punten in uitwedstrijden. In de periode waarin mijn staf en ik verantwoordelijk waren, hebben we de kansen laten liggen tegen KV Mechelen en Charleroi.' STUIVENBERG: 'Dat deed KV vóór Nieuwjaar ook al eens, we hadden dat besproken. Dat de oplossing niet of te weinig werd gevonden, lag aan de uitvoering, aan het samenspel tussen een aantal spelers. Pozuelo is altijd rondom de bal te vinden. Maar als iemand hem zo volgt - een tactiek waarvoor ik nooit zou kiezen - dan moet Pozuelo net niet aan de balkant spelen. Als hij op zo'n moment ver weg is van de bal, liefst aan de zijkant van het veld, ontstaat er veel ruimte in het midden van het veld. Daar wilden we onder anderen Leandro Trossard graag tussen de linies krijgen. Leandro probeerde dat, maar het lukte veel te weinig. Tegelijk vonden we van achteren uit te weinig een oplossing en gaven we in de slotfase onnodig een vrije trap weg waaruit KV nog scoorde.' STUIVENBERG: 'In heel Europa zie je dat zelfs clubs met een zeer brede kern daar last mee hebben. Met deze jonge groep bleek dat ook moeilijk. Desondanks deden we het ongelooflijk goed. Er waren heel weinig blessures, ondanks het drukke programma, en we zijn nog niet één keer weggespeeld.' STUIVENBERG: 'Mocht KRC Genk dit seizoen in zijn eerste Europese confrontatie uitgeschakeld zijn, dan had de ploeg heel wat matchen minder gespeeld. Hadden we dan play-off 1 en de bekerfinale wel gehaald? Dat weet ik niet. Maar dan hadden we wel meer trainingstijd gehad. Die was nu minimaal, dat vond ik een groot nadeel. Maar als je in januari nog op drie fronten meestrijdt, kun je niet plots zeggen: we gaan niet voor play-off 1 of we gaan niet voor de beker of we gaan niet voor de volgende ronde in Europa. Als voetballer moet je altijd de hoogste sportieve doelen willen nastreven.' STUIVENBERG: 'Niet veel. Als club moet je ervoor zorgen dat je selectie zo sterk mogelijk is in de breedte, binnen je budget en filosofie. Daar slaagden we redelijk goed in.' STUIVENBERG: 'We kijken naar kwaliteit. En wat is jong? Bij Manchester United staat op een muur: 'Als je goed genoeg bent, ben je oud genoeg.' Natuurlijk gaat iedereen in zijn loopbaan op den duur dingen anders doen dankzij bepaalde ervaringen, zo ontwikkelde ik me ook als trainer-coach. Maar er wordt toch nooit gezegd dat KRC Genk geen speler van 28 jaar wil aantrekken? Als we kunnen kiezen tussen een jongen van 28 en een van 20 met vergelijkbare kwaliteiten, zullen we wel altijd kiezen voor de 20-jarige. Dát is de filosofie.' STUIVENBERG: 'Waarom niet? Als we van onze eigen kracht kunnen uitgaan en alles meezit, kunnen we in de toekomst ook grote clubs uitschakelen.' DOOR KRISTOF DE RYCK - FOTO'S KOEN BAUTERS'Ik ben al zes zaterdagen naar de jeugdacademie geweest. De jongens daar zien mij.' - ALBERT STUIVENBERG 'Er wordt toch nooit gezegd dat KRC Genk geen speler van 28 jaar wil aantrekken?' - ALBERT STUIVENBERG