'Mijn papa is van de wijk Sclessin. Dan volgt logischerwijze ook het voetbal. De eerste keer dat ik naar het stadion trok, was al op het einde van de jaren zeventig. Dat gebeurde telkens op de schouders van mijn vader. Een beurtrol, want ook mijn broer Philippe wilde die momenten niet missen. Op mijn tiende, in het seizoen 1979/80, trokken we zo naar de topper tussen Standard en Anderlecht. Doelman Friedrich Koncilia zag ze vliegen, want Anderlecht verloor met 5-2. Het leidde tot een onvergetelijke vreugde-explosie. Wij stonden achter doel, waar nu de spionkop plaatsneemt.
...

'Mijn papa is van de wijk Sclessin. Dan volgt logischerwijze ook het voetbal. De eerste keer dat ik naar het stadion trok, was al op het einde van de jaren zeventig. Dat gebeurde telkens op de schouders van mijn vader. Een beurtrol, want ook mijn broer Philippe wilde die momenten niet missen. Op mijn tiende, in het seizoen 1979/80, trokken we zo naar de topper tussen Standard en Anderlecht. Doelman Friedrich Koncilia zag ze vliegen, want Anderlecht verloor met 5-2. Het leidde tot een onvergetelijke vreugde-explosie. Wij stonden achter doel, waar nu de spionkop plaatsneemt. 'Die eerste jaren waren fantastisch. Thuis werden we bedolven onder de heroïsche verhalen van mijn vader, die sprak over de superperiodes in de jaren zestig en zeventig, met iconen zoals Léon Semmeling en Christian Piot. In onze familie langs papa's kant was Standard vaak het eerste gespreksonderwerp. Veel draaide rond de Rouches. Een abonnement hadden we niet, we gingen af en toe. Vrij snel begonnen wij met tafeltennis. Mijn eerste toernooi speelde ik op 18 oktober 1978. Daarvoor speelde ik twee jaar als libero bij de miniemen van Ans. Voetbal was mijn eerste sport, maar de voorliefde ging uit naar een kleinere bal. Want na anderhalf jaar was ik Belgisch kampioen tafeltennis en ondertussen ook nog steeds gewoon laatste man bij mijn voetbalteam. De bekers die we met Ans veroverden, waren voor de club. Mijn prijzen met het pingpong verhuisden rechtstreeks naar mijn kamer. ( lacht) Begrijp je nu waarom ik zo snel koos voor tafeltennis? Zeker als kleine jongen wil je graag kampioen zijn en blijven. 'Ik was altijd een vechterstype. Ik speel nog steeds met bijzonder veel temperament. Daarom identificeer ik me ook met winnaarstypes als Michel Preud'homme en Erik Gerets. Echte topprofs. Ze haalden het maximum uit hun loopbaan. Tot op vandaag blijf ik erbij dat je de sfeer van een thuiswedstrijd op Standard nergens kan evenaren. Als de fans ' aux armes' scanderen, gaat dat door merg en been. Maar het is vooral mooi. Het is alsof er 60.000 mensen aanwezig zijn. Alsof er een vulkaan uitbarst. In andere sporten heb je jaren nodig om zoiets los te krijgen. Het haar op mijn armen komt er nog altijd recht van. Die momenten beleef ik nu naast Yannick. Mijn zoon voetbalt ook zelf, bij Wellen, als aanvoerder van de U19. ( grijnst) We geven de microbe door. Ik ben een heel rustige supporter, zal geen kritiek geven op de leiding en probeer vooral mijn emoties te beheersen. Mij ga je dus nooit zien schreeuwen op de spelers, zo fanatiek ben ik niet. 'Mijn mooiste moment beleefde ik in 1993, tijdens de bekerfinale tegen Charleroi. We wonnen tegen de Zebra's met 2-0 in het Constant Vanden Stockstadion. Ik had destijds een goed contact met Marc Wilmots en Patrick Asselman. Ik heb me toen een groot gedeelte van de nacht in het feestgewoel gemengd. Iets speciaals blijft ook de titel uit 2008, na 25 jaar. Ik was oprecht blij dat ik daarbij kon zijn. Het was voor iedereen een opluchting, want er kwam een einde aan 'de mop' Standard. De ouders van Dominique D'Onofrio woonden in dezelfde straat. Zij in huisnummer 51, wij 17. Dat maakte het allemaal nog intenser.'