Voorzitters van een club moeten sterke persoonlijkheden zijn. Ik heb er zo een aantal gekend tijdens mijn voetballoopbaan. Albert Roosens bijvoorbeeld. Hij was de grondlegger van het semiprofessionalisme bij Anderlecht. Aan hem heb ik veel te danken. Hij was het die mij in 1965 transfereerde van FC Peutie naar paars-wit. Eerlijk gezegd was ik niet zo gelukkig met die overgang want ik wilde absoluut geen profvoetballer worden, ik had andere plannen. Ik vertikte het om naar de trainingen te gaan in het verre Brussel, ik bleef liever bij mijn vrienden. Het was zo erg dat Roosens in hoogsteigen persoon mij twee keer per week moest komen ophalen in Machelen. Als hij arriveerde in zijn Mercedes koos ik steevast het hazenpad door de achterdeur, maar uiteindelijk kreeg mijn moeder...

Voorzitters van een club moeten sterke persoonlijkheden zijn. Ik heb er zo een aantal gekend tijdens mijn voetballoopbaan. Albert Roosens bijvoorbeeld. Hij was de grondlegger van het semiprofessionalisme bij Anderlecht. Aan hem heb ik veel te danken. Hij was het die mij in 1965 transfereerde van FC Peutie naar paars-wit. Eerlijk gezegd was ik niet zo gelukkig met die overgang want ik wilde absoluut geen profvoetballer worden, ik had andere plannen. Ik vertikte het om naar de trainingen te gaan in het verre Brussel, ik bleef liever bij mijn vrienden. Het was zo erg dat Roosens in hoogsteigen persoon mij twee keer per week moest komen ophalen in Machelen. Als hij arriveerde in zijn Mercedes koos ik steevast het hazenpad door de achterdeur, maar uiteindelijk kreeg mijn moeder mij altijd te pakken. Roosens had een nogal speciale rijstijl. Hij waande zich soms Jacky Ickx als hij door Brussel scheurde. In 1971 werd hij opgevolgd door Constant Vanden Stock. Die overdracht werd waarschijnlijk in de hand gewerkt door de niet zo riante financiële situatie van Anderlecht op dat moment. De lonen werden nogal eens te laat uitbetaald. Daar werd onmiddellijk een mouw aan gepast. Na de komst van Vanden Stock heb ik nooit meer op mijn centen moeten wachten. Eén zaak was in elk geval klaar en duidelijk: vanaf dan was er maar één baas meer bij Sporting, Constant Vanden Stock! Mijnheer Constant kon flink uit de hoek komen als er hem iets niet aanstond. Als we er volgens hem met onze klak naar hadden gegooid in een match tegen mindere goden, dan kon men er gif op innemen dat hij de volgende maandag op de club zou verschijnen. Dat werd dan na de training plechtig medegedeeld door onze ploegafgevaardigde, Georges Denil: "Iedereen naar de vergaderzaal, de président komt!" De jongere spelers gingen dan met dichtgeknepen billen naar de zaal, de anciens waren het al een beetje gewend en waren iets relaxter. Na het traditionele halfuurtje wachten kwam hij binnen, duwde zijn overjas in de handen van een nerveuze Denil en begon zijn preek, altijd met de sarcastische woorden: "Jullie zijn toch al uitgerust ...?" Ik had zijn preek gezien mijn staat van dienst al ontelbare keren gehoord en kon op een zeker moment toch wel mijn lach niet inhouden ... Ik vloog onmiddellijk buiten met het uitdrukkelijk verzoek om in de gang te wachten. Na een uurtje kwam hij buiten, knipoogde naar mij en ging verder zonder een woord te zeggen. Oef! Later, bij Club Brugge, kreeg ik Michel Van Maele als voorzitter. Toen ik in Toulouse speelde, belde hij me op met de vraag of ik een transfer naar Club zag zitten. Ik stond niet weigerachtig tegenover het voorstel, maar er waren een paar struikelblokken. Wat Toulouse mij betaalde, was niet haalbaar voor Club en bovendien had ik nog een contract van vier jaar bij de Fransen. Maar de grote baas van blauw-zwart stelde mij gerust: het zou een fluitje van een cent worden. In het begin verliepen de onderhandelingen nogal stroef. Duverger, de voorzitter van Toulouse, bleef dwarsliggen over de transfersom. Van Maele vroeg mij of ik het lokaal even wilde verlaten. Na een onderhoud onder vier ogen van een drietal minuten was de zaak rond tussen 'de burgemeester' en de bouwondernemer uit Toulouse. Wat zich in dat bureau had afgespeeld weet ik niet, misschien maar beter ook ... Om mijn contract te tekenen werd ik uitgenodigd bij Van Maele thuis, in zijn kast van een villa. Toen Frieda, mijn toenmalige vriendin, aan Van Maele vroeg wie er in dat grote huis achter in de tuin woonde, antwoordde 'de Burgemeester' al lachend: "Mijn honden! Die beestjes mogen niets te kort komen." Ik begon het nieuwe seizoen vrij goed bij Club Brugge, Van Maele beloofde mij zelfs een salarisaanpassing. Nadat ik er een tijdje niets meer van had gehoord, vroeg ik hem of hij mij niet vergeten was? "Absoluut niet", antwoordde hij mij met een uitgestreken gezicht. Mijn opslag heb ik een paar dagen later gekregen: een grote aardbeientaart! "Mijn opslag: een grote aardbeientaart."