Over één zaak is iedereen die erbij was het eens: in Brussel had het - zonder overdrijven - vijf of zes-nul moeten zijn. En dan had niet Arsenal maar Anderlecht de beker der Jaarbeurssteden (de voorloper van de UEFA Cup) gewonnen in 1970. "Je kunt het vergelijken met wat Anderlecht onlangs tegen Hamburg heeft laten zien," vertelt Paul Van Himst, zelf in een begenadigde dag die 22e april, "daar hadden er ook meer dan vier in gemoeten."
...

Over één zaak is iedereen die erbij was het eens: in Brussel had het - zonder overdrijven - vijf of zes-nul moeten zijn. En dan had niet Arsenal maar Anderlecht de beker der Jaarbeurssteden (de voorloper van de UEFA Cup) gewonnen in 1970. "Je kunt het vergelijken met wat Anderlecht onlangs tegen Hamburg heeft laten zien," vertelt Paul Van Himst, zelf in een begenadigde dag die 22e april, "daar hadden er ook meer dan vier in gemoeten." Zelfs tijdens de return in Londen had het er nog in gezeten. Thomas Nordahl trof de paal en Johan De Vrindt stuitte op de Engelse doelman. "Thuis had ik gescoord en twee assists gegeven", herinnert de Limburger zich. "In Londen kreeg ik precies dezelfde kans, maar de keeper pakte de bal. Je moet geluk hebben ook." Dat van Anderlecht was opgebruikt. Zoals Arsenal pas in de slotminuten het fatale doelpunt maakte in Brussel, deden de Brusselaars dat zelf in de kwartfinale tegen Newcastle ook pas helemaal op het einde. "Een fantastisch doelpunt vanop dertig meter", herinnert de Zweedse maker Nordahl zich. "Het doelpunt dat ons in de halve finales hielp." Daarin zette Anderlecht tot ieders verrassing, zeker na het thuisverlies, het grote Inter Milaan opzij. "Een echte stunt, ongezien voor het Belgisch voetbal", meent Georges Heylens. "Vergelijk ons parcours van toen maar met de prestaties van Standard dit seizoen in de Europa League. Wat we in de competitie niet konden, deden we daar wel: spelen met een groot hart. Gemotiveerd, met agressiviteit en veel inzet. En vooral ook opportunisme." De finale kwam aan het eind van een moeizaam verlopen jaar. "Het was het tweede seizoen van Norberto Höfling", duikt Heylens in zijn herinnering. "Höfling was met Michel Verschueren overgekomen van den Daring. Hij was keihard, eiste professionalisme en zelfdiscipline. Wilfried Puis bijvoorbeeld amuseerde zich graag met kunstjes op het veld. Maar bij Höfling was het zó en niet anders. Dat stond ons niet aan. Bepaalde spelers organiseerden een boycot. Wie? Ach, de hele groep eigenlijk. Höfling vloog buiten en we maakten het seizoen vol met hulptrainer Arnold Deraeymaeker. Een gemakkelijkheidsoplossing van het bestuur, want Noullehad helemaal geen vat op de groep. Hij was een oud-speler, maar bewoog bijna niet meer bij de oefeningen op training. Veel respect kreeg hij niet. Wij hadden iemand met naam en faam nodig." Jonge twintigers als Maurice Martens, Gérard Desanghere en Johnny Velkeneers staken pas hun neus aan het venster en stonden ineens in een Europese finale. Anderlecht bevond zich in een overgangsfase. Heylens: "Van 1964 tot 1968 waren we landskampioen geworden. Schitterende jaren. Maar de volgende titel kwam er pas met George Kessler in 1972. Ondanks de aanwezigheid van een heel aantal internationals zochten we lang naar de juiste chemie. Er moest worden gebouwd aan een nieuw elftal, maar de vier of vijf nieuwkomers brachten niet de kwaliteit om direct aan de top mee te draaien. Bovendien moesten zij kleppers als Jef Jurion, Pierre Hanon en Laurent Verbiest vervangen." Anderlecht eindigde dat kampioenschap op de vierde plaats. Even hoog als het jaar ervoor. Een jaar later werd het slechts derde. Allemaal ver beneden zijn status. In de Belgische beker was het ook al uitgeschakeld in de kwartfinales. In eigen huis nog wel, met 0-1 door Daring. "Vooral Jan Mulder had het daar allemaal moeilijk mee", weet Heylens. "Samen met Van Himst, de aanvoerder, en mezelf was hij de gangmaker van het team. De Europese finale moest het hoogtepunt worden van het seizoen. De rest was één grote teleurstelling geweest." Het draaide anders uit. "In die jaren wist je nog niet veel van je tegenstanders", vertelt Gérard Desanghere. "In de kwartfinales hadden we al tegen een Engelse ploeg gemoeten, Newcastle. Ik moet zeggen: ik heb ginder niet veel ballen gezien. Ze vlogen van de ene helft naar de andere. Fantastisch kick-and-rush was het. Zuiver krachtvoetbal. Ik herinner me dat onze doelman, Jean Trappeniers, zeker drie, vier keer knock-out is gegaan omdat hij van alle kanten werd gechargeerd. Arsenal was precies hetzelfde." Anderlecht kreeg er met zijn fijnere spel geen vat op in Londen. "Dat kwam omdat ons superioriteitsgevoel te groot was", is Heylens al veertig jaar overtuigd. "We hebben die terugwedstrijd eigenlijk nooit au sérieux genomen. Thuis hadden we vrij gemakkelijk gewonnen, er leek geen vuiltje aan de lucht. Minder dan een week later stonden we op Highbury. Bij de inspectie van het terrein had Wilfried Puis er niet beter op gevonden dan tegen de publiciteitsborden te gaan plassen. Voor de Engelsen was dat niets minder dan heiligschennis. Een fotograaf was zo pienter geweest die deugnieterij - gaminerie, zoals we hier in Brussel zeggen - vast te leggen. De volgende dag stond het op de voorpagina van alle kranten. Ons positieve imago kreeg een deuk en bij Arsenal moesten ze niet meer worden gemotiveerd." Beschaamd waren ze achteraf, zegt Heylens. "Onze benen leken wel verlamd, we kwamen er totaal niet aan te pas. Niks van gezonde agressiviteit, we lieten ons vrijwillig naar de slachtbank leiden. Ook onze trainer berustte in de nederlaag, hij was niet de man om op tafel te kloppen. Hij zweeg vooral. Alleen Mulder probeerde ons tijdens de rust wakker te schudden. Hij vroeg zich luidop af waar we mee bezig waren. Maar ook in de tweede helft verbeterde het niet. Na de wedstrijd zat iedereen met het hoofd tussen de benen in de kleedkamer. Het was er ongelofelijk stil, zo diep zat de ontgoocheling. We stonden weer met beide voeten op de grond." "Kijk", zegt Heylens als hij in het bureau van zijn sportwinkel in Anderlecht op een verzameling boeken wijst. "Allemaal verwijzingen naar een glorierijk verleden. Maar ik krijg het bijna niet over mijn hart om ze open te slaan. Want er ontbreekt een gouden pagina. Ik werd zeven keer kampioen, won drie Belgische bekers en verzamelde 67 caps voor de Rode Duivels. Maar een internationale prijs ontbreekt. In 1965 mocht ik samen met Van Himst in Parijs meedoen met een Europees elftal, aan de zijde van Eusebio, Lev Yashin en Giacinto Facchetti. Een Europese beker én een sterke prestatie met de nationale ploeg op het WK in Mexico hadden de bekroning moeten vormen. Het draaide helemaal anders uit. We faalden en kregen een lesje in nederigheid." De verloren finale werd een kantelmoment in de geschiedenis van de paars-witte trots. Gérard Desanghere herinnert zich een veelzeggende anekdote: "Op de receptie na de nederlaag in Londen zaten we allemaal een beetje treurig bij elkaar. Ik weet nog dat Constant Vanden Stock toen zei: 'Niets van aantrekken, jongens, wij gaan nog genoeg finales winnen.' Die voorspelling is uitgekomen. Na de verloren finale is hij aan zijn ploeg beginnen te bouwen. Jean Dockx is gekomen, Rensenbrink ook en Kessler als trainer. Daar is het grote Anderlecht van de jaren zeventig uit gegroeid. Dat van de jaren zestig was ook groot, maar niet in Europa." "Anderlecht was een fantastische club", is Thomas Nordahl nog steeds lyrisch over zijn Brusselse jaren. "We hadden echt een goede ploeg die bij de Europese top hoorde. Maar er waren geruchten dat de club zou worden overgenomen. Een jaar later is Vanden Stock voorzitter geworden. Was dat twee, drie jaar eerder gebeurd, hadden we een goede kans gehad de beker uit Londen mee naar huis te brengen." "Nu is het toch een beetje een vergeten finale gebleven", bedenkt Desanghere. "Hadden we hem gewonnen, was dat misschien anders geweest. Zelf moet ik ook al goed nadenken om mij er iets van te herinneren. U hebt me echt uit mijn winterslaap gehaald." (lacht)door frédéric vanheule & jan hauspie - beelden: belgaWilfried Puis had er niet beter op gevonden dan tegen de publiciteitsborden van Highbury te gaan plassen.