W esley Sonck: "Het gevoel om te scoren: dat is ... heel even genieten, van de wereld zijn. Je super voelen. Dat kan gepaard gaan met intense vreugde, gebaren, dingen die in je opkomen. Met het belang van het doelpunt heeft dat niet altijd wat te maken. Een makkelijke goal is soms ook plezant en de vreugde is daarom niet minder. De intensiteit van de wedstrijd kan een rol spelen, al denk je daar niet aan. Het tijdstip? Soms zie je mensen op het einde van een match scoren en daarna zo hard wegspurten dat je denkt: die zijn niet moe. Dat klopt niet. Je bent wél moe, maar het scoren geeft je zo'n boost. Er is wel een verschil tussen s...

W esley Sonck: "Het gevoel om te scoren: dat is ... heel even genieten, van de wereld zijn. Je super voelen. Dat kan gepaard gaan met intense vreugde, gebaren, dingen die in je opkomen. Met het belang van het doelpunt heeft dat niet altijd wat te maken. Een makkelijke goal is soms ook plezant en de vreugde is daarom niet minder. De intensiteit van de wedstrijd kan een rol spelen, al denk je daar niet aan. Het tijdstip? Soms zie je mensen op het einde van een match scoren en daarna zo hard wegspurten dat je denkt: die zijn niet moe. Dat klopt niet. Je bent wél moe, maar het scoren geeft je zo'n boost. Er is wel een verschil tussen scoren in de laatste minuut en in de eerste. Van een goal op het einde weet je: de buit is bijna binnen. Als je in het begin scoort, zoals tegen Anderlecht, weet je dat de weg nog lang is. "Vieren? Vroeger deed ik veel mijn salto. Geleerd in de sportschool, destijds vaak op geoefend en als jonge gast krijg je op het veld ineens een ingeving en ga je het vervolgens herhalen. Nu haast nooit meer. Omdat het niet echt goed is voor rug en gewrichten én omdat ik niet meer zo veel scoor als vroeger. Misschien komt het ook omdat ik niet meer zo geneigd ben die goal echt te zoeken. Iemand alleen voor de goal brengen, daar kan ik nu ook van genieten. "Niet scoren. Bij veel spitsen weegt dat. Vroeger ook bij mij. Als ik niet scoorde, voelde ik me héél slecht. Tot ik met Sef ( Vergoossen, nvdr) begon te werken. Die leerde me er nooit naar te jagen, want in dat geval vergeet je al je andere taken, gefocust als je bent op die goals. Een spits moet ook met andere dingen bezig zijn. En als je de kansen krijgt, ga je op een gegeven moment wel weer scoren. "Links, rechts, met het hoofd, eigenlijk maakt het niet uit. Een spits moet alles kunnen. Gunther Hofmans werkte soms ballen binnen met zijn knie. Hij zei altijd: 'Mij interesseert het niet hoe dat balletje over de lijn gaat.' Van hem moest de bal zelfs het net niet raken. Eigenlijk heeft hij gelijk. "Het leren? Ik denk dat je erop kan trainen, net zoals je op fysiek kan trainen, maar ergens moet je het ook van nature hebben. Mijn broer Kevin heeft het bijvoorbeeld niet. Raar hé. Zelfde nest, een heel ander niveau, oké, maar hij zal nooit een killer zijn. Maar hij zal wel zonder enig probleem 30 keer zijn flank doen. "Spitsentrainer, ik geloof daarin. Toen Luc Nilis het werd bij PSV, had ik zoiets van: de ideale man voor die job. Ervaring, traptechniek. Geen kopper, maar hij kan je zo veel wijsmaken dat zoiets maar een klein minpuntje is. Ik geloof ook in training van aanvallende automatismen. Hebben we drie jaar in Genk gedaan, elke dag tien minuten tot een kwartier. Vaste signalen en vaste patronen. Als KoenDaerden op het veld komt, weet ik nog van vroeger wat hij gaat doen. Vervelend hoor, die trainingen, maar als het er op matchen uitkomt, heb je daar als trainer heel veel plezier van. "Mijn tips voor kids? Er al heel jong mee bezig zijn. Op alles trainen, links en rechts. Ik pleit hier met klem voor tweevoetigheid. Je kan het als prof niet meer maken één voet te vermijden door te kappen. Een linksvoetige zal minder goed met rechts kunnen sjotten, dat is blijkbaar een vaststaand gegeven. Maar een rechtsvoetige kan wél tweevoetig worden." S door peter t'kint