De wilde stroom van trainerswissels, die het afgelopen voetbalseizoen beheerste, komt maar niet tot stilstand. Tien van de achttien clubs veranderden van coach, Beerschot deed dat zelfs twee keer. Niet overal brachten die veranderingen succes op, zoals nu op een pijnlijke manier blijkt: slechts drie van de tien verenigingen gaan met de trainer door die ze in de loop van het seizoen hebben aangetrokken.
...

De wilde stroom van trainerswissels, die het afgelopen voetbalseizoen beheerste, komt maar niet tot stilstand. Tien van de achttien clubs veranderden van coach, Beerschot deed dat zelfs twee keer. Niet overal brachten die veranderingen succes op, zoals nu op een pijnlijke manier blijkt: slechts drie van de tien verenigingen gaan met de trainer door die ze in de loop van het seizoen hebben aangetrokken. In feite beschadigt iedere wissel het imago van die mensen die deze trainers hebben aangetrokken. Maar zij blijven doorgaans uit de wind. Terwijl het onvermogen om een koers van sportieve stabiliteit uit te tekenen even graverend lijkt als de wissels op zich. Er is duidelijk een kwaliteitsprobleem bij managers en sportief directeurs. Bij iedere club die een trainer zoekt wordt er gepraat met kandidaten met een vaak uiteenlopende voetbalvisie. Met de clubcultuur wordt amper rekening gehouden. In welke mate worden trainers eigenlijk gescout? Wat zijn uiteindelijk de criteria om iemand wel of niet aan te trekken? En in hoeverre wordt een verkeerde casting intern geëvalueerd? Steeds meer zijn het makelaars die trainers aanprijzen. Hoe kan het bijvoorbeeld dat de naam van Mark van Bommel zowel bij Antwerp als bij KRC Genk werd genoemd, alvorens hij effectief op de Bosuil tekende? De Nederlander mislukte eerst bij PSV en vervolgens bij VfL Wolfsburg dat hem na drie maanden op straat zette. Zouden ze bij Antwerp weten wat en waarom het daar verkeerd is gelopen? Anderzijds kan sportief directeur Marc Overmars zich in de keuze van de trainer geen misstap veroorloven. Toch is het vreemd dat Van Bommel op de een of andere manier een bepaald krediet heeft opgebouwd zonder dat hij dat met overtuigende resultaten kan staven. Oneindig veel krediet kreeg ook Vincent Kompany bij Anderlecht, maar na een interne evaluatie scheiden de wegen. Drie jaar geleden daalde Kompany als een Messias die uit de hemel neer, vol romantische ideeën die Anderlecht naar een nieuw tijdperk moesten leiden. Nu kan ook hij niet anders dan concluderen dat dit onvoldoende is gelukt. Bij een eventuele nieuwe werkgever zal blijken of Kompany echt voldoende inhoud heeft als trainer. Het wordt een cruciale stap in zijn carrière. Continuïteit en stabiliteit zijn de sleutels voor succes. Zoals bijvoorbeeld bij Manchester City en Liverpool blijkt waar Pep Guardiola en Jürgen Klopp respectievelijk zes en zeven jaar aan het werk zijn. Maar dat is alleen mogelijk met echte vakmensen. Hier blijven clubs zoeken naar het juiste trainersprofiel. Van de achttien verenigingen in 1A die vorig seizoen aan de competitie begonnen, zijn er hooguit vijf die dat met dezelfde trainer gaan doen. En bijna altijd wordt in de zoektocht naar een nieuwe trainer de buitenlandse markt opgegaan. Tweedeklasser SK Deinze spande daarbij de kroon door de Japanner Takahisa Shiraishi aan te stellen. Gekker kan je het niet bedenken, ook al is de club in handen van een Japanse investeringsmaatschappij. Buitenlandse overnemers mogen de identiteit van een vereniging niet verkrachten. Moedig is wel de stap die Club Brugge heeft gezet door Carl Hoefkens als opvolger van Alfred Schreuder te benoemen. Een weloverwogen keuze want blauw-zwart, dat op vele niveaus de kloof met de concurrentie verhoogt, heeft zich de afgelopen jaren in de keuze van een trainer nog nooit vergist. Club is op weg om het Bayern München van België te worden. Het pakt, net zoals de Duitse kampioen, ook de titel na een minder seizoen. Met wel één uitglijder: de uitspraak Bart Verhaeghe dat Union een club uit de Premier League is. Daar hoor je als voorzitter niet mee bezig te zijn.