Het hoort kennelijk bij deze tijd dat problemen en/of oude rekeningen in de pers worden vereffend. In een televisiereportage zette Johan Vermeersch een paar maanden geleden de bij FC Brussels ontslagen Emilio Ferrera op een bijzonder gênante manier te kijk. Vermeersch stak een hele tirade af over zijn gedumpte trainer, die als een geslagen hond zat te luisteren. Een reactie van Ferrera kwam er niet in het desbetreffende programma, hoewel het een en ander in de juiste context zou hebben geplaatst. En het zou vooral de indruk hebben gegeven dat je objectiviteit na...

Het hoort kennelijk bij deze tijd dat problemen en/of oude rekeningen in de pers worden vereffend. In een televisiereportage zette Johan Vermeersch een paar maanden geleden de bij FC Brussels ontslagen Emilio Ferrera op een bijzonder gênante manier te kijk. Vermeersch stak een hele tirade af over zijn gedumpte trainer, die als een geslagen hond zat te luisteren. Een reactie van Ferrera kwam er niet in het desbetreffende programma, hoewel het een en ander in de juiste context zou hebben geplaatst. En het zou vooral de indruk hebben gegeven dat je objectiviteit nastreeft. Steeds meer gaat het in de media kennelijk om kretologie, om al dan niet opgeklopte uitspraken, om over en weer vliegende verwijten. Johan Vermeersch leent zich daar vanuit zijn karakter uitstekend voor. De Brusselse voorzitter mist iedere vorm van zelfcontrole. Dus werd hij afgelopen weekend, in de aanloop naar de match tegen Club Brugge, nog maar eens in de kranten opgevoerd. En weer trok Vermeersch alle registers open. Het heette dat Emilio Ferrera in zijn club veel kapot heeft gemaakt. Hoe krasser een uitspraak, hoe breder hij wordt uitgesmeerd. Zo kreeg Pietro Allatta vorige week in een weekblad de gelegenheid om een jaar na het losbarsten van het gokschandaal te reageren. Allatta, eerder door datzelfde weekblad zwaar beschuldigd, probeerde niet alleen zijn eigen inbreng te minimaliseren, maar besmeurde intussen ook nog eens het imago van Anderlechtmanager Herman Van Holsbeeck. Zonder dat die de kans kreeg op een wederwoord. Zo gaat dat steeds meer : er wordt geregistreerd maar niet genuanceerd. Laat staan gecorrigeerd. Zo gaat dat in een (sport)wereld waarin er geen schaamte meer is en waar de collegialiteit steeds meer zoek is. Zelfs trainers, die eigenlijk een voorbeeldfunctie dienen te vervullen, zijn niet bang om mekaar een sneer te geven. Juist Emilio Ferrera gaf hierin een paar weken geleden een slecht voorbeeld. Na de weinig overtuigende 1-0-overwinning van Club Brugge tegen Germinal Beerschot zei Ferrera in een televisie-interview dat hij verwonderd was dat GBA zijn vertrouwde veldbezetting had opgegeven om met vijf verdedigers te spelen. Dat had het Club Brugge, aldus Ferrera, wel heel erg gemakkelijk gemaakt. Hij herhaalde die woorden op de persconferentie. Wat moet er in het hoofd omgaan van een trainer die wint en denkt toch nog het vakmanschap van een collega in twijfel te moeten trekken ? Dezelfde Ferrera durft al eens in blinde woede ontsteken als hij wordt aangevallen. Hij had afgelopen zondag, na het bloedloze 1-1-gelijkspel van Club Brugge op FC Brussels, moeite met de kritische benadering van de pers. In een ronduit slaapverwekkende vertoning had Club Brugge een festival van slechte voorzetten opgevoerd en was het erin geslaagd twee kansen te scheppen. De Brusselse trainer Albert Cartier zei er niets over. Hij complimenteerde Ferrera zelfs omdat die door zijn aanpak zijn collega's steeds weer verplicht na te denken over oplossingen. Zo kan het inderdaad ook. DOOR JACQUES SYS