Josip Weber ligt begraven onder een mooie marmeren steen in het oudste, hoger gelegen deel van het kerkhof van Slavonski Brod, de stad tegen de Bosnische grens waar hij opgroeide en waarheen hij twintig jaar geleden na zijn carrière met vrouw Irena (50)en kinderen Marco (27) en Josipa (30) terugkeerde. Vier weken na zijn dood neemt mevrouw Weber ons mee naar de laatste rustplaats van haar man. Het is koud, maar zonnig. In haar ogen weerspiegelt zich het verdriet. Ze snikt wanneer ze haar gevoelens met zachte stem woorden geeft.
...

Josip Weber ligt begraven onder een mooie marmeren steen in het oudste, hoger gelegen deel van het kerkhof van Slavonski Brod, de stad tegen de Bosnische grens waar hij opgroeide en waarheen hij twintig jaar geleden na zijn carrière met vrouw Irena (50)en kinderen Marco (27) en Josipa (30) terugkeerde. Vier weken na zijn dood neemt mevrouw Weber ons mee naar de laatste rustplaats van haar man. Het is koud, maar zonnig. In haar ogen weerspiegelt zich het verdriet. Ze snikt wanneer ze haar gevoelens met zachte stem woorden geeft. 'Ik kom hier niet graag', zegt ze. 'Thuis kun je nog wegdromen, maar hier is de waarheid. In het begin ben je in shock en moet je alles organiseren, maar nu begint meer en meer het besef te komen dat Josip echt vertrokken is. Wanneer ik langs de straat grootouders met kinderen zie wandelen, pakt mij dat in mijn hart. Alles wat oma's en opa's met hun kleinkinderen doen, zullen wij niet kunnen doen. De leegte die Josip laat, is immens. Wij waren dan ook altijd samen. We ontbeten samen, we lunchten samen en Josip was niet iemand die 's avonds uitging zonder mij. We zaten in dezelfde tennisclub en we keken tezamen voetbal op tv. Ik wil dat ik hem 's middags weer de trap hoor opkomen terwijl ik aan het koken ben, dat hij mij in mijn lenden vastneemt, mij een kus op het hoofd geeft en zegt: 'Schatje, wat is het vandaag om te eten?' De Josip die hier onder de grond ligt, zit nog niet in mijn hoofd. Ik zie Josip nog altijd als sportman, in korte broek met gespierde benen en een smile, gelukkig, terwijl hij tennist of aan het voetballen is, zoals die keer in de regen tegen Zambia in Brussel. De zieke, magere Josip stopte ik ergens weg, de Josip zonder haar en met benen de dikte van mijn hand...' De avond voordien vertelde ze ons bij haar thuis uitgebreid het afscheidsverhaal van Josip en nadien trok ze met ons ook nog het stadscentrum in naar plaatsen waar ze zo vaak met hem was gekomen. 'Soms denk je: slechte dingen gebeuren alleen maar in het leven van anderen. Tot twaalf jaar geleden ging voor ons alles goed. Toen kregen we opeens telefoon dat ons petekind van achttien verongelukt was met zijn motorfiets. Sindsdien kwam de ene klap na de andere. Mijn vader werd ziek, de vader van Josip stierf, mijn nichtje werd ziek en drie jaar geleden werd er bij Josip kanker vastgesteld. 'Het was eigenlijk al vijf jaar dat Josip met pijn in zijn botten rondliep, in zijn handen, in zijn geopereerde knie en in zijn heupen. Ik dacht aan reuma, ik vroeg hem vaak om alstublieft eens zijn bloed te laten onderzoeken, maar hij negeerde de signalen en zei altijd dat hij versleten was van te voetballen. Maar na enkele jaren gaf hij toe dat hij ook bang was. 'Ik durf niet naar de dokter te gaan, ' bekende hij opeens, 'omdat ik vrees dat ik erg ziek ben.' Maar toen duurde het toch nog enkele jaren alvorens hij is gegaan. Nadat hij 's zondags in de hitte was gaan tennissen, kloeg hij over pijn in de onderrug. Hij dacht dat het zijn nieren waren. Al snel bleek dat het ernstig was. Hij moest 's anderendaags meteen worden opgenomen in het ziekenhuis voor verder onderzoek. Terwijl ik hier vrijdag zat te wachten op een telefoon dat ik hem mocht gaan halen, omdat hij in het weekend thuis wou zijn, hoorde ik beneden in de inkomhal lawaai. Het was Josip. Hij was met de taxi gekomen en zat daar in het stoeltje. Ik zag aan zijn gezicht dat er iets grondig fout was. Hij had kanker, zei hij, prostaatkanker, met uitzaaiingen in zijn hele lichaam, van nek tot teen. 'Het eerste wat je dan doet, is samen wenen. Daarna zoek je naar iets positiefs, zoals: beter dat één van ons ziek is dan een van onze kinderen. Ik zei: 'Je bent sterk, we zullen samen vechten.' 's Avonds maakten we al een eerste plan. Stiekem belde ik wel een vriendin van mij die dokter is en vroeg ik haar om mij eerlijk te zeggen hoe de situatie van Josip was. Ze antwoordde mij dat we ons mochten voorbereiden op het slechtste. Normaal was er niets meer aan te doen. Maar dan ga je toch op zoek om de ziekte alsnog onder controle te kunnen krijgen. Er zijn tenslotte mensen die twintig jaar met een ongeneeslijke, chronische kanker leven.' 'Josip is altijd een optimist geweest. Het is door zijn optimisme dat we naar hier zijn teruggekeerd. Hij geloofde dat Kroatië een tweede Zwitserland zou worden. Ook zijn carrière dankt hij meer aan zijn karakter en zijn geloof in zichzelf dan aan zijn voetbaltalent. Toen hij achttien was, dacht hij helemaal niet aan een professionele voetballoopbaan. Hij was aan de universiteit geslaagd voor het toelatingsexamen voor ingenieur en voetbal was een spel dat hij voor het plezier speelde. 'Tijdens zijn ziekte bleef hij zoeken naar manieren om zichzelf te helpen. Zonder de protontherapie die hij in München kreeg, was hij wellicht al het eerste jaar vertrokken. Tussen de chemo door probeerde hij ook een therapie met kruidenthee en was hij in een kliniek in Augsburg in behandeling bij een gastro-enteroloog die met homeopathie werkte. Dat gaf hem telkens hoop, maar wanneer dan bleek dat er geen verbetering optrad, was hij ook elke keer ontgoocheld. 'Ik steunde Josip daar altijd in. Zelf lijd ik al dertig jaar aan lupus, een ontstekingsreuma die een even zware ziekte is als kanker. Dankzij de Belgische dokter Stefaan Poriau, veel discipline en de wilskracht om te overleven voor mijn kinderen kan ik die onder controle houden. Sinds ik elke dag mediteer, zijn mijn bloedwaarden enorm verbeterd en kan ik veel beter met stress omgaan. Daarom probeerde ik Josip te leren mediteren. Maar dat lukte niet. Josip had te veel energie. Hij moest altijd actief zijn, werken, sporten, jagen, onder mensen zijn, hier of elders, op café of op restaurant, eender waar. Hij kon ook nooit neen zeggen en was altijd klaar om iets te doen voor iemand anders. Josip leefde te snel. Daarom was zijn lichaam vroeg versleten. 'Nadat we in april van Augsburg waren teruggekeerd met de boodschap dat er geen verbetering was, zei Josip: 'Weet je wat? Ik denk dat we een begraafplaats moeten zoeken, want ik wil niet dat je op een dag niet weet waar je met mijn lichaam heen moet.' Ik zei: 'Oké, laten we nog wat vastgoed kopen, een huis voor altijd, zodat onze kinderen zich geen zorgen moeten maken mocht er iets met ons gebeuren. We zijn tenslotte vaak onderweg met de wagen.' Zo praatten we daar doorgaans over, op een wat komische manier, zeker niet op een triestige. Ik gaf Josip altijd positieve energie, ik liet hem nooit down zijn. Wat dat betreft, is ook een bevriende pater belangrijk geweest, pater Josip. Soms ging hij met hem mee wandelen. 'Wandelen deed Josip vanaf de eerste dag van zijn ziekte, in de bossen, hier wat verderop, voor de rust, de stilte en de zuurstof. Het was goed voor zijn psyche, zoals ook zijn geloof in God en in een mirakel dat waren. Vergeet niet: er zijn mensen die binnen de maand sterven nadat ze te horen kregen dat ze aan kanker lijden, uit angst en paniek. Josip deed alles wat mogelijk was om zolang mogelijk goed te blijven.' 'In juli kon Josip voor de laatste keer chemo krijgen. Maar van de eerste drie sessies was hij zo slecht dat ik vreesde dat hij de volgende keer niet zou overleven. Hij is toen almaar meer pijnstillers moeten beginnen nemen. Ik denk dat hij zich op dat moment is gaan realiseren: ik zal niet lang meer leven. In zijn bureau begon hij dingen te sorteren en hij sprak meer over de dood. Na een tijd zei hij ook: 'Ik ben niet bang meer om te sterven.' 'In augustus raakten door de metastasen zijn urinekanalen verstopt en kreeg hij een katheter met twee zakjes. Mentaal was dat voor hem zeer zwaar. Vanaf dan is het snel bergaf gegaan. Hij kwam niet meer buiten en lag hier de hele tijd. Op een dag zei hij: 'Wat heb ik nu nog aan mijn leven? Wat kan ik nog anders doen dan naar het plafond liggen staren? Ik wil graag sterven.' Dat was niet gemakkelijk. (weent) 'Op het einde moest ik hier dag na dag in de zetel naar hem zitten kijken. Dan denk je: 'God, als er voor Josip geen mirakel meer in zit, neem hem dan alstublieft mee.' Dat was niet meer om aan te zien, zoveel pijn en zoveel verdriet. De metastasen waren tot in zijn tanden doorgedrongen en hij moest drinken met een rietje. 'Het was de hele zomer veertig graden en wij zaten hier binnen. In het weekend kwamen de kinderen en nam hij extra pijnstillers omdat ze al die miserie niet zouden zien. Behalve drie bevriende dokters die hem verzorgden, lieten we niemand nog binnen. Josip was fysiek zo veranderd dat we wilden dat mensen het vroegere beeld van hem onthielden. 'Toen Josip niet meer samen met ons naar de Champions League keek en om halfnegen ging slapen, wist ik dat hij moegestreden was. Marco zei: 'Ik denk dat papa zich overgeeft.' Hij vocht niet meer, hij liet zich gaan. Hij at ook weer taartjes en biefstukken. Op dat moment wist ik: hij zal niet lang meer leven. Ik bleef hem steunen, al moest ik af en toe buiten zijn zicht mijn tranen de vrije loop laten om mijn hoofd te zuiveren wanneer ik dacht aan wat er ons nog te wachten stond. 'We moesten beiden leren leven met een situatie waarin we niets konden doen behalve van 's morgens tot 's avonds zitten wachten. Dat was heel moeilijk voor ons, omdat we altijd met plannen hadden geleefd. Er was ook altijd wel een feestje met vrienden waarnaar we konden uitkijken. Maar opeens zaten we thuis opgesloten. Alsof je een tijger achter tralies stopt.' 'Maar plots was het in één week gebeurd zonder dat Josip het besefte. De dokter noemde het een godsgeschenk. Volgens het normale proces zouden de metastasen eerst de nieren aanvallen, daarna de lever en dan de longen. Dat kan maanden duren en dat maak je allemaal bewust mee. Maar bij Josip ging het anders. 'Sinds zijn katheter en zijn zakjes sliepen we niet meer samen en op een woensdagochtend werd ik wakker met het gevoel dat ik naar Josip moest gaan kijken. Ik vond hem op de grond. Bewusteloos. Pas 's avonds in het ziekenhuis is hij bijgekomen. Uit een scan bleek dat zijn hoofd vol metastasen zat. We wisten dat dit het einde was, dat hij niet meer naar huis zou komen, maar niet precies hoelang het nog zou duren. Om hem te sparen, vertelde de dokter Josip niet de waarheid. Ze zei dat het door een hematoom in zijn hersenen kwam en dat hij nog even moest blijven. Elke dag vroeg hij wanneer hij naar huis mocht komen en dan antwoordden we dat we dat wel zouden zien. Maar de maandag kwam er andere dokter, iemand die hij kende van de tennisclub, en die liet hem toch naar huis komen. Josip belde mij: 'Ik kom naar huis!' We zijn hem toen gaan halen met de hulp van buren, want hij was erg zwak en je merkte dat hij er niet honderd procent meer bij was. Op een bepaald moment pakte Josip Rory vast, ons hondje, en zei hij: 'Schat toch, het is zo mooi om thuis te komen.' Marco bleef overnachten en om kwart voor twaalf riep hij mij omdat hij vreesde dat Josip aan het stikken was. Er was schuim op zijn lippen, ik legde hem op zijn zij en vroeg: 'Heb je veel hoofdpijn?' Hoe Josip toen naar mij keek, vergeet ik nooit meer: met ogen vol liefde, en pijn. Daarna sloot hij ze en deed ze nooit meer open. (weent) 'Josip zei altijd: 'Ik wil zo graag thuis sterven.' Hij is naar huis gekomen om afscheid te nemen. Eerst was ik kwaad op de dokter die hem in zo'n staat nog naar hier liet komen, maar achteraf was ik blij dat Josip nog eens thuis was geweest en hier zijn ogen had kunnen sluiten. 'En diezelfde nacht... Rory slaapt in haar mandje in onze kamer en komt normaal altijd om zeven uur tussen ons om een beetje te knuffelen. Maar die ochtend sprong ze al om vijf uur bij mij in bed en in plaats van dicht bij mij te kruipen, zette ze zich recht en keek naar mij. Ik zei: 'Rory, is onze Josip dood?' Ze keek triestig en legde haar kop tegen mij. Ik wist het zeker: Josip is dood. Om vijf voor vijf blies hij zijn laatste adem uit. Het ziekenhuis is zes kilometer van ons huis, blijkbaar voelde Rory dat. Dat hondje was psychotherapie voor Josip. 'Zelf zag ik Josip in een droom naar het licht vertrekken. Dat was zo ongelooflijk intens dat het echt geweest moet zijn. Wij zijn katholiek, mochten we niet geloven in het goeie, in wat wij God noemen, dan mag je ons allemaal in de psychiatrie steken.' 'Natuurlijk vraag je je af: waarom is dit gebeurd? Pech? Karma, afbetaling van schuld voor fouten die je in het leven maakte, want niemand is heilig? In elk geval is Josip in zijn familie niet de enige met prostaatkanker. Maakte hem dat genetisch kwetsbaarder? Je denkt aan alles. Bij Cercle speelde hij ooit eens drie à vier maanden lang met inspuitingen omdat hij eigenlijk aan zijn buikspieren geopereerd moest worden. Wat deden al die corticosteroïden zo dicht bij zijn prostaat met hem? Hij speelde zelfs ooit met waterpokken. De dokter zei: 'Je hebt koorts, je mag niet spelen.' Maar Josip zei: 'Ik móét spelen, want het is de derby tegen Club.' Dus kreeg hij een spuit en deed hij toch mee. In de wetenschap dat een lichaam niet vergeet, stel je je de vraag: wat is daarvan de impact geweest? Iedereen wil altijd spelen, maar mijn boodschap aan alle voetballers is: er is nog een leven na het voetbal, dus zorg ook tijdens je carrière goed voor jezelf. Josip kwam destijds soms ook van de club met een schoendoos vol medicijnen naar huis. Uiteindelijk waren dat vooral chemische producten. We gooiden die wel bijna allemaal in de vuilbak. Ik hoor hier nu van de dokter dat intussen zowat alle vrienden van Josip in Slavonski Brod naar de uroloog zijn geweest. Ze redeneren: als Josip ziek kan worden, kan dat met mij ook gebeuren.' 'Sinds Josip gestopt was met voetballen, praatte hij niet veel meer over zijn carrière. Voor hem was dat een periode in zijn leven die afgesloten was. Josip keek niet achterom, voor hem telde alleen de toekomst. Wanneer hij nog eens naar Cercle kwam kijken, deed hij dat vooral om alle vrienden en kennissen terug te zien. Hij kreeg maar van één iets spijt: dat hij naar Kroatië was teruggekeerd. Hij was enorm ontgoocheld over de politieke situatie en het leven hier. Ik was niet verrast. Alles wat ik voorspelde, kwam uit: wij zijn mensen met een Belgische mentaliteit, mentaal passen wij hier niet meer. In deze regio is de tijd stil blijven staan. Onze kinderen werden enorm gepest. 'Jullie vader is een judas, ' kregen ze te horen, 'hij speelde voor België terwijl onze papa in Vukovar voor de onafhankelijkheid van Kroatië vocht.' Ze weten hier blijkbaar niet dat Josip toen al dertig jaar was, dat er hem in Zagreb gezegd was dat er in de Kroatische nationale ploeg geen plaats voor hem was en dat president Tudman verklaarde: 'Als wij niet naar het WK in Amerika gaan, zal er toch één Kroaat gaan.' 'Op de kist van Josip liet ik de bedankingstruitjes van Cercle en van Anderlecht leggen die een Belgische journalist Josip vorige zomer bracht. Het waren de mooiste jaren van ons leven in België. (weent) 'Ik moet nog met mijn zoon naar Brugge komen om de papieren van ons appartement daar in orde te brengen. Maar dat wordt de eerste keer dat ik niet gelukkig zal zijn dat ik er ben, omdat ik er eigenlijk niet zonder Josip wil komen. 'Cercle was speciaal. We waren er zo goed geïntegreerd dat we ons West-Vlamingen voelden. Ik wou er blijven. Toen Josip in Slavonski Brod ernstig ziek werd, zei ik tegen hem: 'Jij bracht mij hier, wat moet ik hier zonder jou doen? Je moet vechten, want je mag mij niet in deze stad achterlaten. Het is niet makkelijk... Soms ween ik voor Josip, soms ook voor mezelf. Maar ik moet diep blijven ademen en leren leven zonder hem. Dag per dag. In mei komt er een derde kleinkindje. Wordt het een jongetje, dan zal het Josip heten.'