Jan Van Aken (41): 'Op mijn zevende begon ik te voetballen bij de lokale vierdeprovincialer in Opdorp, een deelgemeente van Buggenhout. Hij was de trainer van ons team, Jozef A., een alleenstaande dertiger die samenwoonde met zijn moeder. Achteraf bekeken beschouw ik het eerste jaar als zijn inwerkperiode. Mijn ouders waren niet echt voetbalminded, maar hij kreeg hen toch zo ver dat ze zich almaar meer gingen engageren voor de club. Vrij snel werkte hij zich binnen in het sociale weefsel van mijn ouders. In geen tijd was hij aanwezig op de wekelijkse tennisbijeenkomsten waar mijn vader ook naartoe ging. Mijn ouders spraken altijd vol lof over hem. Hij werd een vriend aan huis. A. was kinderpsycholoog, verbonden aan een medisch-pedagogisch instituut in de buurt. Daar werkte hij met kinderen die de jeugdrechter er plaatste, voornamelijk jongens met ernstige gedrags- en karakterstoornissen.
...

Jan Van Aken (41): 'Op mijn zevende begon ik te voetballen bij de lokale vierdeprovincialer in Opdorp, een deelgemeente van Buggenhout. Hij was de trainer van ons team, Jozef A., een alleenstaande dertiger die samenwoonde met zijn moeder. Achteraf bekeken beschouw ik het eerste jaar als zijn inwerkperiode. Mijn ouders waren niet echt voetbalminded, maar hij kreeg hen toch zo ver dat ze zich almaar meer gingen engageren voor de club. Vrij snel werkte hij zich binnen in het sociale weefsel van mijn ouders. In geen tijd was hij aanwezig op de wekelijkse tennisbijeenkomsten waar mijn vader ook naartoe ging. Mijn ouders spraken altijd vol lof over hem. Hij werd een vriend aan huis. A. was kinderpsycholoog, verbonden aan een medisch-pedagogisch instituut in de buurt. Daar werkte hij met kinderen die de jeugdrechter er plaatste, voornamelijk jongens met ernstige gedrags- en karakterstoornissen. 'Ook in de rest van het dorp genoot A. veel aanzien. Hij slaagde erin ons team te laten deelnemen aan gerenommeerde buitenlandse toernooien. Op die manier zagen wij als kleine pagadders een groot deel van Europa en kwamen we zelfs in Amerika. In Finland stonden we tijdens de Kokkola Cup tussen teams van Manchester United en Chelsea. Telkens we terugkeerden van zo'n toernooi, barstte er een waar dorpsfeest los met zang en dans. A. kreeg bij zo'n thuiskomst steevast een bloemenkrans rond zijn nek en werd letterlijk op een piëdestal gezet. 'De moeder van één van mijn teamgenoten was in die tijd aan de slag in de wijkschool in Opdorp. Zo slaagde A. erin om ook jaarlijks mee op bosklassen te gaan. Hij deed dat vrijwillig, volledig onbezoldigd. Heel het dorp dacht: kijk eens wat die man allemaal doet voor onze kinderen. Maar er zat een duistere kant aan zijn engagement.' 'Het misbruik sloop binnen. Het begon met aanrakingen die ongemakkelijk aanvoelden. Nadien kwamen er momenten waarop ik apart gehouden werd van de groep, bijvoorbeeld om te trainen op hoek- en strafschoppen. Bij het douchegebeuren was hij meestal aanwezig. Stap voor stap ging het verder. Uiteindelijk maakte ik het ganse scala mee, van onaangename aanrakingen tot en met verkrachting. 'A. liet mij vaak verstaan dat ik tegen niemand iets mocht zeggen, omdat er anders van alles zou gebeuren met mijn ouders. Dat hakt erin bij een kind. Soms gaf hij me het valse gevoel dat ik speciaal was. De aanvoerdersband droeg ik dankzij hem, gaf hij te kennen. Maar regelmatig kreeg ik ook de wind van voren. Mijn één jaar oudere broer, die in hetzelfde team speelde, werd vaak door hem verheven. Dat heeft de relatie met mijn broer lange tijd getroebleerd. 'In die eerste periode kwam het nooit in mij op om iets over het misbruik te zeggen tegen wie dan ook. Ik kreeg nochtans een goede opvoeding, met ouders die me veel vertrouwen gaven en mij omringden met de beste zorg. Ik had ook superlieve grootouders; mijn grootvader was een prachtmens. Toch heb ik er zelfs bij hem nooit aan gedacht het te vertellen. In die tijd, midden de jaren tachtig, kwamen zulke zaken nergens aan bod. Misschien zou het anders geweest zijn mocht er rondom mij over het thema gepraat zijn, maar dat weet ik niet zeker. 'Net zoals al mijn vrienden voetbalde ik graag. Ik wilde mijn hobby en vrienden niet zomaar opgeven. Ik was ook goed en had de drang om altijd de beste te zijn, zowel naast als op het veld. Zo herinner ik mij een spel tijdens een zomerkamp. De winnaar zou een zak snoep krijgen. Ik won. Maar die zogenaamde prijs moest ik bij hem op de ontspanningskamer in ontvangst gaan nemen. Uiteraard randde hij me daar toen ook aan. Had ik vooraf geweten dat ik die prijs apart zou moeten ophalen, dan was ik zonder twijfel als laatste geëindigd. 'Op den duur kon ik goed inschatten wanneer de kans bestond dat hij me zou aanvallen. Bij trainingen zat hij op zijn vertrouwde terrein. En de gevaarlijkste momenten waren natuurlijk de zomerkampen en buitenlandse toernooien, wanneer alle controle en ouderlijk gezag weg waren. Door het vertrouwen dat hij bij mijn vader en moeder had gewonnen, slaagde A. er ook in mij te laten overnachten bij hem thuis. Dat gebeurde als mijn ouders eens weg moesten en voor hun vier zonen een onderkomen zochten. A. bood hen dan een slaapplaats voor mij aan. Op zulke momenten werd ik echt ziek. Ik kreeg last van psychosomatische klachten, buikpijn en hoofdpijn. Mijn ouders gingen in die tijd met mij naar verschillende kinderartsen, maar nooit werd in de juiste richting gezocht naar de oorzaak van mijn klachten. Men ging ervan uit dat ik een zwakke gezondheid had. 'Het misbruik duurde van mijn achtste tot mijn twaalfde. Daarna krijgen jongens lichaamskenmerken die niet langer tot de verbeelding spreken van pedoseksuelen. Dus hield het op, althans voor mij. Over de vraag of er ook andere slachtoffers waren, dacht ik toen niet na, zelfs niet toen mijn vijf jaar jongere broer bij de club kwam. Je zit zo ver weg dat je daar op dat moment geen oog voor hebt. Gelukkig bleven mijn broers gespaard van misbruik.' 'Sommige mensen in onze club, in onze school en in de werkomgeving van A. wisten dat hij pedoseksuele neigingen had. Begin de jaren tachtig was er een voorval geweest met de hoofdschool, op bosklassen. Enkele leerlingen hadden er gepraat over ongepast gedrag van A. tegenover twee jongens. Na een gesprek met die twee jongens had de hoofdschool besloten om A. niet meer mee te nemen op bosklassen. Maar mijn school, de wijkafdeling van die hoofdschool, besliste wat later om hem toch weer te laten meegaan. Zo kwam het dat A. erbij was toen ik met het vijfde leerjaar op bosklassen ging. Daar deed zich iets voor waar ik nog altijd zeer kwaad om ben. We moesten er in kleine groepjes een wandeling maken zonder begeleiding. Na een tijdje kwamen de groepjes terug op het terrein, ook het mijne. Maar één groepje bleef achter. A. stond bij ons te wachten, samen met een leerkracht die op de hoogte was van het incident met de hoofdschool. A. zei dat hij dat ene groepje wel zou gaan zoeken. 'Ik zal Jan meenemen', hing hij erachter. Tot mijn grote verbazing ging die leerkracht akkoord. Beeld je dat in: een juffrouw die een jongen van tien laat meegaan met een man van wie ze weet dat hij zulke dingen gedaan heeft. Die keer ben ik heel zwaar aangerand en heb ik echt doodsangsten uitgestaan. Die momenten staan in mijn geheugen gebrand. Ook de dagen nadien misbruikte hij mij. Hij deed de nachtronde en geneerde zich niet om de slaapzaal binnen te stappen en zijn ding te doen. Op die leerkracht, diegene die dit had kunnen vermijden, ben ik lange tijd bijna kwader geweest dan op de dader zelf. Dankzij de therapie die ik vandaag volg, leer ik die ervaringen intussen te verwerken en een plaats te geven. Maar dat volwassenen het weten, garandeert dus niet dat er iets ondernomen wordt. Misschien wilden mensen gewoon niet geloven dat A. zulke dingen deed. 'Na mijn twaalfde ging ik almaar beter beseffen wat er gebeurd was. Vaak ging ik letterlijk voor de spiegel staan en vroeg ik: 'Wie zijt gij?' Ik had geen eigen identiteit meer, geen mening, geen enkele houvast. Op school gingen mijn punten zienderogen achteruit. Mijn ouders dachten dat ik een moeilijke jongen was die het zich allemaal niet erg aantrok. Maar als ze kwaad op me werden, kwam dat bij mij heel hard binnen. Ik voelde me altijd onrecht aangedaan. Vaak dacht ik: jullie moesten eens weten waar ik mee zit. Ik overwoog weg te lopen van huis. Ik begon veel alcohol te drinken en te experimenteren met softdrugs. Ik ging ook almaar vaker aan de dood denken. Eén keer heb ik in Malderen op het perron gestaan, maar ik durfde niet te springen. Het haar op mijn armen komt recht als ik aan dat moment terugdenk. Het werd me duidelijk dat ik zou moeten kiezen: eruit stappen of iets ondernemen.' 'In de eerste graad van de middelbare school leerde ik een lerares kennen met wie het contact heel goed verliep. Er ontstond een hechte vriendschapsband tussen ons, in die mate dat ze regelmatig bij ons thuis kwam. Ook nadat ik geen les meer van haar kreeg, hielden we contact, tot in het zesde middelbaar. Toen, op mijn zeventiende, vond ik het tijd om mijn geheim met iemand te delen. Liefst wou ik het eerst aan iemand anders vertellen dan mijn ouders; ik wist dat zij met een gigantisch schuldgevoel zouden zitten. Dus nam ik die lerares in vertrouwen. Het werd het begin van verscheidene gesprekken met haar waarin ze me overtuigde om samen naar het PMS te stappen ( psycho-medisch-sociaal centrum, nu centrum voor leerlingenbegeleiding, nvdr). 'Na een wekenlange voorbereiding brak het moment aan om mijn ouders en de omgeving in te lichten. Het PMS nodigde mijn moeder en vader uit, zogezegd om over mijn mindere schoolresultaten te praten. Zelf wachtte ik thuis af, samen met die lerares. Ik voelde een gigantische stress. Ik wist dat de reactie van mijn ouders wel oké zou zijn, maar ik was bang voor hun enorme verdriet. Toen ze thuiskwamen, bleek die vrees terecht. Niemand wil zijn ouders op die manier zien. Ze zeiden: 'We hebben je bij hem laten logeren en meegegeven op reis, terwijl jij probeerde aan te geven dat je dat niet wou.' Er is die dag vooral veel geweend. Ook mijn broers kwamen erbij. Met hen had ik een relatie zoals de meeste broers op die leeftijd: een eerder oppervlakkige band. Als je broers je in zo'n context dan stevig vastpakken, doet dat iets met een mens. Die onmiddellijke erkenning van mijn directe omgeving was op dat ogenblik heel belangrijk voor mij. Mijn ouders, broers en familie lieten direct voelen hoe waardevol ik was. Voor het eerst bleek dat ik wél iemand was, dat ik wél iets gepresteerd had. 'In de dagen na mijn getuigenis werd A. aangehouden. Dat gebeurde tijdens de bosklassen met de wijkschool van Opdorp. Het nieuws ontplofte in Buggenhout als een bom: dé man van het dorp opgepakt. Plots stonden er journalisten aan onze deur, ook van een rioolblad als Blik. Verscheidene mensen in het dorp werd gevraagd wat ze vonden van de zaak; elke dag stond er wel iets in de krant. Wekenlang kwam ik niet buiten. Naar school ging ik niet meer. 'Als een zeventienjarige zo'n held van zijn voetstuk haalt, ontstaan er snel twee kampen. Dat van de non-believers was tot mijn verbazing behoorlijk groot. Sommige ouders vonden dat de zaak opgeblazen werd. De vader van één van de spelers sprak van een fait divers. Ik had heel wat vrienden in het dorp, maar uiteindelijk hield ik er daar maar enkele van over. Ook mijn ouders verloren veel mensen uit hun entourage. Het hele gebeuren had een enorme impact op mij en mijn familie. Toch was ik opgelucht, want ik kreeg ook veel hartverwarmende reacties. Dat is cruciaal voor mensen die met hun verhaal naar buiten komen. Erkenning is een sleutelbegrip. En die erkenning kan in heel veel zitten. Een club die een aanspreekpunt installeert, zorgt ook voor een stuk erkenning van slachtoffers. 'Mijn ouders namen een advocaat onder de arm en stelden zich burgerlijke partij. De ouders van twee andere slachtoffers sloten zich daarbij aan. A. kreeg in 1995 zeven jaar gevangenisstraf. Dat gaf weer een stuk erkenning. Ook kwam er een beperkte schadevergoeding. Toen die werd uitgekeerd, zei ik tegen mijn ouders: 'Doe ermee wat je wil.' In mijn ogen was dat bloedgeld.' 'Rekening houdend met wat er gebeurd was, delibereerde mijn middelbare school mij op het eind van het zesde middelbaar. Na het proces ging ik vastbesloten criminologie studeren, grotendeels ingegeven door wat ik had meegemaakt. Maar achteraf bekeken was ik daar mentaal absoluut niet klaar voor. Na twee jaar stopte ik ermee. Ook toen ik nadien voor maatschappelijk assistent ging studeren, lukte het niet. Ik zat nog altijd niet goed in mijn vel. En ik volgde wel wat therapie, maar dat waren losse flodders. Op dat moment stond ik daar ook nog niet voor open. Ik besloot mijn studies stop te zetten en op zoek te gaan naar werk. Dat ik ten gevolge van het misbruik geen diploma hoger onderwijs heb, is nog altijd een enorm gemis voor mij. 'Intussen kwam er wel een positief vervolg aan het verhaal. De lerares met wie ik mijn geheim voor het eerst deelde, werd uiteindelijk mijn partner. Wij zijn intussen twintig jaar samen en hebben twee dochters. Als ik daar nu over nadenk, brengt dat wel een dubbel gevoel naar boven. Uiteraard had ik dat misbruik nooit willen meemaken, maar dan had ik ook mijn echtgenote niet op dezelfde manier leren kennen en zou ik vandaag mijn dochters niet hebben. 'Eind 1999 of begin 2000 kwam A. vrij. Zo'n vier jaar later vroeg ik mij op een dag eens af wat er van die man zou geworden zijn. Nietsvermoedend tikte ik zijn naam in op Google. Ik viel van de ene verbazing in de andere. Hij was naar India vertrokken en werkte daar weer met minderjarige voetballertjes, hoewel hem dat ten strengste verboden was. Ik legde een volledig dossier aan en toen ik al mijn informatie verzameld had, schreef ik verscheidene organisaties en personen aan. Maar ik kreeg het gevoel dat ik nergens ernstig genomen werd en dat niemand iets ondernam met mijn informatie. Na mijn getuigenis en het proces had ik mijn erkenning als slachtoffer gekregen, maar op dit moment miste ik een vorm van erkenning. Slachtoffers kunnen op verschillende momenten nood hebben aan erkenning, niet enkel bij het uitbrengen van hun verhaal. Dat ik die erkenning toen niet voelde, zorgde ervoor dat ik heel ver ging in mijn zoektocht. Ik ben mezelf toen compleet verloren. 'Uiteindelijk begon ik te communiceren met een journalist in India. Die besloot in 2008 om A. te confronteren met de informatie die ik hem had bezorgd. De zaak ontplofte ginder. A. ontvluchtte het land en keerde terug naar België. Maar hier kon hem niks meer gemaakt worden; zijn vrijlating onder voorwaarden was intussen afgelopen en van misbruik in India was er geen bewijs. Tot in 2012. Toen werd in de kluizenzaal van een Leuvens bankfiliaal een blanco enveloppe gevonden met kinderpornografisch materiaal uit India. Onderzoek wees uit dat A. die enveloppe daar had laten vallen. Toen is hij opnieuw veroordeeld. Waar hij nu zit, in de gevangenis of niet, weet ik niet.' 'Enkele maanden geleden beleefde ik een ernstige terugval. Zulke terugvallen hangen samen met mijn posttraumatische stressstoornis. Als ik in bepaalde situaties te veel stress ervaar en daardoor de controle dreig te verliezen, word ik letterlijk ziek. Ik krijg dan griep, diarree, koorts en ik moet braken. Er doemen sombere gedachten in mij op en ik krijg vaak black-outs. Die zijn een verschijningsvorm van dissociatie, een verdedigingstechniek van de geest die ik ook al onderging tijdens het misbruik. Als A. me aanrandde, deed ik bijvoorbeeld alsof ik sliep. Het was dan alsof mijn geest me er probeerde van te overtuigen dat iemand anders het misbruik meemaakte, dat ik enkel toeschouwer was. 'Tussen mijn recentste en mijn vorige terugval zat maar vier jaar. Onlangs stond ik stil bij de gedachte dat ik intussen de veertig voorbij ben en dat ik nog altijd met mijn verleden worstel. Ik wil niet op het eind van mijn dagen moeten terugkijken en vaststellen dat het verleden heel mijn leven beheerst heeft. Dus ben ik heel bewust op zoek gegaan naar passende therapieën. Zo kwam ik onder andere terecht bij EMDR ( Eye Movement Desensitization and Reprocessing, nvdr), een vorm van traumatherapie. 'Ik ondervind hoe moeilijk de verwerking voor mij is terwijl ik erover praat. Dus mag je niet onderschatten welke impact misbruik heeft op iemand die niet durft te praten. Ik hoop dat ik met mijn verhaal anderen ertoe kan bewegen om ook met hun verhaal naar buiten te komen, desnoods anoniem, en om hulp te zoeken. Hoe sneller je praat, hoe beter. Het verbaast mij dat er heel weinig mannelijke sporters getuigen. Als ik niet had gesproken, liep ik hier niet meer. 'Als samenleving moeten wij ervoor zorgen dat slachtoffers ergens terechtkunnen. Er moet binnen jeugdverenigingen proactief over gepraat en rond gewerkt worden. Het is een slecht idee om te wachten tot een melding binnenkomt. En meldpunten bij federaties kunnen wel hun nut hebben voor het bredere plaatje, maar de vertrouwenspersonen binnen de vertrouwde omgeving, binnen de club, zijn cruciaal. Daarbij volstaat het niet om te zeggen: je kunt terecht bij trainer x of voorzitter y. Wie weet vraag je slachtoffers op die manier om te gaan biechten bij de duivel. Anderzijds zijn die vertrouwenspersonen best ook geen complete buitenstaanders, maar wel mensen die eventuele slachtoffers kennen, mensen die ze vertrouwen. Persoonlijk vind ik het ook belangrijk dat zo'n vertrouwenspersoon een vrouw is, zeker in een jongensmilieu. Ik zou met mijn verhaal nooit naar een man gestapt zijn. 'Er moeten ook maatregelen komen om te garanderen dat de medewerkers binnen jeugdverenigingen koosjer zijn. Dan spreken we bijvoorbeeld over een bewijs van goed gedrag en zeden, model twee. Volledige zekerheid geeft dat niet, maar zo bouw je ten minste al een middel in dat mensen weert die zo'n bewijs niet kunnen voorleggen. De minister van Sport ( Philippe Muyters, N-VA, nvdr) is blijkbaar niet happig om dat te verplichten. Hij denkt dat veel vrijwilligers daardoor zullen afhaken. Maar ik heb liever dat het een volwassene wat hindert in zijn vrijheid om zomaar ergens aan de slag te gaan dan dat één kind gruwelijkheden moet meemaken. Trouwens: tegenwoordig vraag je zo'n bewijs bij wijze van spreken in een vingerknip aan. En men heeft speciaal zo'n model twee in het leven geroepen voor contexten met minderjarigen. Wel, dit zíjn contexten met minderjarigen. Hiervoor dient dit document, toch? Waarvoor anders? Wij, volwassenen, moeten ons ervan bewust zijn dat we een verpletterende verantwoordelijkheid dragen naar onze kinderen toe.' 'Mijn kindertijd is mij volledig ontnomen; dat vind ik het ergste. Ook vind ik het verschrikkelijk dat dit tot nu toe gans mijn leven beïnvloed heeft. Sinds het misbruik ben ik nooit meer onvoorwaardelijk gelukkig; altijd is er die donkere rand. Maar ik voel nu wel dat ik in mijn herstel verder sta dan ooit. De fase waarin ik zit, is er een van afronden. Ik besef dat ik een stuk altijd zal moeten meedragen, maar het zwaarste gewicht wil ik uit mijn rugzak gooien. Met deze getuigenis wil ik nog één positief ding doen en dan afsluiten.'