Februari 2015. Na zeven jaar scheiden de wegen van Bert Derkoningen (nu 35) en volleybalclub Noliko Maaseik in duistere en conflictueuze omstandigheden. Enkele interne aanvaringen met de libero doen bij sommige clubmensen de emmer overlopen. Ze bestempelen Derkoningen als een ruziestoker en wijzen hem de deur. Anderen beschuldigen Maaseik dan weer van een politieke afrekening. Ideale ingrediënten om op deze pagina's een sappig moddergevecht te voeren. Maar dat is niet de ambitie van dit verhaal. Ook is het niet de bedoeling uit te vlooien hoe het nu precies zat. Los van de omstandigheden is de naakte realiteit dat Derkoningen plots, buiten zijn wil om, een ex-topsporter werd die op zoek moest naar een nieuwe job, iets wat elke topsporter kan overkomen. Dát is het uitgangspunt van deze getuigenis.
...

Februari 2015. Na zeven jaar scheiden de wegen van Bert Derkoningen (nu 35) en volleybalclub Noliko Maaseik in duistere en conflictueuze omstandigheden. Enkele interne aanvaringen met de libero doen bij sommige clubmensen de emmer overlopen. Ze bestempelen Derkoningen als een ruziestoker en wijzen hem de deur. Anderen beschuldigen Maaseik dan weer van een politieke afrekening. Ideale ingrediënten om op deze pagina's een sappig moddergevecht te voeren. Maar dat is niet de ambitie van dit verhaal. Ook is het niet de bedoeling uit te vlooien hoe het nu precies zat. Los van de omstandigheden is de naakte realiteit dat Derkoningen plots, buiten zijn wil om, een ex-topsporter werd die op zoek moest naar een nieuwe job, iets wat elke topsporter kan overkomen. Dát is het uitgangspunt van deze getuigenis. Bert Derkoningen: 'Ik werd dat jaar 33. Sowieso was het tijd om aan een carrièreswitch te denken. Maar ik lag nog anderhalf jaar onder contract. Je bent ook zo fel met je sport bezig, 24 op 24, 7 op 7. En alles is altijd voor jou geregeld. Anderen binnen de club beslissen voor jou en jij gaat ervan uit dat die beslissingen doordacht zijn. Je zit in een gouden kooi. Je mag die kooi niet uit, maar erg is dat niet, want het is er goed. 'In anderhalf jaar zou ik nog wel een en ander kunnen regelen, dacht ik. Ze zeggen trouwens altijd dat de bedrijfswereld topsporters zoekt, omdat die over geweldige kwaliteiten beschikken. Onbewust bouw je als topsporter een overdreven zelfverzekerdheid op. Je bent goed in je sport en denkt: het komt wel goed. 'In februari 2015 kreeg ik dan plots mijn ontslag. Nadien hoopte ik dat ik in april toch nog opnieuw geselecteerd zou worden voor de nationale ploeg. Dat gebeurde niet. Toen besefte ik: mijn carrière is voorbij. Honderd procent in mijn recht was ik misschien niet, maar ik wist dat er ook andere redenen waren waarom de zaken zo gelopen waren. Ik kreeg het gevoel dat mij onrecht was aangedaan. 'Die zomer kwam ik amper buiten. Jongens bij de nationale ploeg stuurden sms'jes. 'We missen je.' 'Waarom ben je er niet bij?' Ik antwoordde niet. Als ik in Maaseik inkopen deed, klampten mensen me aan. Ik deed alsof er niks aan de hand was, maar elke keer weer hielp het mijn dag om zeep. Ik dwong mezelf te verhuizen, weg van Maaseik.' 'In augustus liep mijn ontslagvergoeding af. Ik stapte naar de VDAB (Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding, nvdr). Ik vertelde daar dat ik weer wou studeren. Indertijd had ik enkel mijn tweede licentie politieke wetenschappen niet afgemaakt. Ik dacht dat ik recht zou hebben op een uitkering terwijl ik mijn studie zou afmaken. Maar bij de VDAB zeiden ze dat ik beschikbaar moest zijn voor de arbeidsmarkt als ik een uitkering wilde. Twaalf jaar was ik bijna non-stop met volleybal bezig geweest, ook in de weekends en vakanties. Al die tijd had ik een beroep beoefend dat niet zo makkelijk te vertalen is naar de gewone arbeidsmarkt. Dus zou mij wel wat ademruimte gegund worden, dacht ik. Als ik mijn studie kon afmaken, zou ik ook een veel aantrekkelijker werknemer zijn. Maar de VDAB zag het dus anders. En een speciaal beleid rond topsporters bestond niet, kreeg ik er te horen. Ineens word je uit die gouden kooi gegooid en krijg je te maken met maatschappelijke mechanismen die je niet snapt. Je gelooft ook blind wat iemand je vertelt, omdat voordien altijd alles voor je uitgezocht was. Je denkt er niet aan een tweede opinie te vragen. 'Aan de unief was het bachelor-mastersysteem ingevoerd. Mijn kandidatuurdiploma bleek niks meer waard. Ik moest eerst nog enkele elementen van de bacheloropleiding afmaken; pas dan zou ik mijn master kunnen halen. Voor de VDAB viel ik terug op mijn humanioradiploma. Men zei me daar: 'U kan postbode worden.' Ik viel echt door de grond. Ik kreeg een ijzersmaak in mijn mond, zoals wanneer je je erg pijn doet. Ik had zo lang gevolleybald, EK's en WK's gespeeld, medailles behaald en nu moest ik met een fiets rondrijden? Ik begon te panikeren en me meer en meer af te sluiten. Erover babbelen met mijn omgeving deed ik niet.' 'Uiteindelijk besloot ik met mijn spaargeld voort te gaan en keerde ik terug naar de universiteit. Dat ging goed. Tot ik na de januari-examens een lesvrije periode van twee weken had. Plots begon ik weer fel te denken aan wat gebeurd was. Ik at niet meer, ik kreeg nachtmerries en mijn vriendin zei dat ik slaapwandelde, iets wat ik nooit eerder gedaan had. Een zwart beest overmande mij. 'Later legden psychologen het me uit met een beeld. Stel je voor dat je aan het zwemmen bent met een volleybal, zeiden ze. Die volleybal staat symbool voor je problemen. Je wil die problemen niet zien, dus duw je de bal onder water. Maar door het water zie je hem nog altijd, dus duw je hem almaar dieper. Op den duur ga je met je voeten op die bal staan. Aan de oppervlakte lijkt er niets aan de hand. Tot je ineens je evenwicht verliest en de bal naar boven schiet. 'Een psycholoog raadde me aan om me spontaan te laten opnemen in een psychiatrisch ziekenhuis. Het enige wat ik wou, was: slapen. Ik wou rust. Rust in mijn hoofd en rust in mijn lichaam. Dus ging ik akkoord. 'Toen ik naar het intakegesprek in het ziekenhuis moest, had ik een afspraak om twee uur. Ik wilde niet naar binnen. Ik stapte naar een bankje bij het ziekenhuis en zette me neer. Drie uur later zat ik er nog. Enerzijds wilde ik geholpen worden, anderzijds voelde het aan als toegeven dat ik faalde. Maar toegeven dat je iets niet aankunt, is moedig, vind ik achteraf. Het kostte me veel moeite, maar het was mijn beste beslissing ooit om me toen even te laten opnemen.' 'In het ziekenhuis dacht ik dat ik na drie dagen wel beter zou zijn. Zo ging het niet. De eerste twee weken vond ik dat niemand zich met mij bezighield. Ik had veel spijt. Ik dacht: ik wil nú geholpen worden. Wat ik niet snapte, was dat ik eerst moest kalmeren. Anders kun je niet ontvankelijk zijn wanneer iemand met je praat. 'Intussen kon mijn toenmalige vriendin heel slecht om met mijn opname. Toen ik zei dat ik het echt wilde doen, antwoordde zij dat ik dan maar alleen verder moest. Dat was het dieptepunt. Maar het werd ook een kantelpunt. Toen besefte ik dat ik er alleen voorstond, dat ík het moest doen. 'Stilaan werd ik rustiger en kon ik beginnen te werken. De psychologen en psychiaters reikten dingen aan. 'Misschien moet je niet zo boos zijn over wat gebeurd is.' Ook toen weer begon ik te voelen dat ík diegene was die mezelf kon helpen. Stap voor stap word je daar beter in. Het slechte wat je is overkomen, moet je aanvaarden en niet telkens wegduwen. Je moet het je eigen maken, daar komt het op neer. Dat kost tijd. Die tijd kreeg ik daar. 'Na een maand kon ik weer thuis slapen, maar keerde ik wel nog elke dag terug naar het ziekenhuis. Het werd zoals werkdagen, alleen werkte ik aan mezelf. In mijn diagnose zaten termen als 'verwrongen zelfbeeld' en 'gekrenkte trots'. Elke voormiddag nam ik deel aan groepsgesprekken met mensen met dezelfde problemen. Iedere namiddag waren er persoonlijke gesprekken en seminaries: hoe omgaan met heftige emoties, hoe omgaan met een trauma. Zo kreeg ik veel inzicht in mijn psyche. 'Intussen wist bijna niemand waarmee ik bezig was. Je schaamt je. Je denkt: ik ben hier een beetje de zot. Maar in het ziekenhuis zeiden ze: 'Er zijn een hoop mensen in jouw geval. We kunnen hen helpen, maar we missen er te veel.' We kunnen dit soort situaties voorkomen en verhelpen en toch leeft er zo'n taboe rond. Ik snap dat ergens wel, maar tegenwoordig zie je om vijf uur in de namiddag blote borsten op tv. Hoe kan onze psyche dan nog zo'n taboe zijn? Zo veel mensen willen een gezonde geest in een gezond lichaam. Hoe kun je daar dan niet over babbelen? En als je praat over een traject na de topsport, heeft dat enerzijds een mechanische kant: hoe school je een handballer om tot tandartsassistent? Maar het belangrijkste luik is wel het psychologische: hoe zorg je ervoor dat topsporters in hun nieuwe leven gemotiveerd blijven? Want plots heb je een andere soort motivatie nodig. Je moet niet meer match na match presteren; die adrenaline valt weg. Je doel ligt veel verder in de toekomst.' 'De begeleiding in het ziekenhuis duurde van februari tot juni. Nadien voelde ik veel meer rust. Ik volgde een jaar lessen aan de unief en behaalde mijn bachelordiploma. Daarmee kon ik solliciteren. Na mijn eerste gesprek kon ik direct beginnen, bij een Brussels CLB (Centrum voor Leerlingenbegeleiding, nvdr). Dat CLB belde op het moment dat ik onderweg was naar een ander sollicitatiegesprek. Toen ik me ging excuseren bij die tweede afspraak, zei de persoon daar dat ik zo'n interessant profiel had, dat veel mensen staan te springen om iemand als mij aan te nemen. Het was de eerste keer dat ik dat van iemand anders hoorde. 'Nu maak ik mijn masterproef en combineer ik dat met mijn job. Ik vind het echt fijn. Ik heb mijn vrijheid terug, ik maak me nuttig en toch voelt het niet echt aan als werken. Het is niet acht uur per dag aan een waanzinnig tempo bezig zijn. Vroeger, in Maaseik, zwoegde ik drie uur in de fitness en vier uur in de zaal. Thuis at ik wat, ging ik stikkapot in de zetel liggen en dan naar bed. Als topsporter moet je ook veel opofferen voor je gouden kooi. 'Ik heb nu ook een nieuwe vriendin: Krisje. Zij werd een grote steun. We kunnen over veel praten. Ik leerde dat: problemen bespreken vóór ze te groot worden. Niks is erger dan een probleem in je leven negeren.' 'Dit jaar werd ik ook trainer bij een volleybalclub, bij Puurs. Met mijn spelers probeer ik ook open te communiceren. Maar zij wachten nog te lang om iets aan te kaarten, vind ik. Als een probleem dan boven water komt, gaat dat vaak gepaard met een heel emotionele reactie. 'Ik snap dat je zo reageert, ' zeg ik dan, 'maar dat komt omdat je je dit drie weken geleden voor het eerst realiseerde en toch zo lang wachtte om het mij te zeggen.' 'Ik kan het volleybal nu terug aanraken. Ik verbrand me er niet meer aan. Het is niet langer iets waarmee ik nooit nog iets te maken wil hebben. Maar aan de andere kant dicteert het mijn leven niet meer. 'Ik ben blij dat ik op een bepaald moment niet te trots was om toe te geven dat het slecht met mij ging. Wat ik meemaakte, is precies het zwarte gat dat je moet proberen te voorkomen. Dat mislukte compleet bij mij. Ik zal er zelf ook wel een groot aandeel in gehad hebben en waarschijnlijk zijn sommigen er gevoeliger voor dan anderen, maar toch denk ik nog altijd dat het te voorkomen was. Ik hoop dat de bonden en Sport Vlaanderen inzien dat ook zij daar een belangrijke rol in hebben. Ik vind dat zij meer initiatief moeten nemen. Alles wordt voor een topsporter geregeld, waarom dit dan niet? En dan ga ik er niet van uit dat topsporters niet voor zichzelf kunnen denken, maar zij moeten zich honderd procent focussen op hun sport; dat staat zelfs in hun contract. De bonden en Sport Vlaanderen zouden infoavonden kunnen organiseren, hoe makkelijk is dat niet? Dan is het natuurlijk wel aan de topsporter om daar naartoe te gaan.'