Dit artikel verscheen, zoals het hieronder staat, eerder in Sport/Voetbalmagazine in april 2013.
...

We ontmoeten Roberto Kettlun Pesce op een namiddag in februari op het einde van ons blitzbezoek aan Ramallah in een moderne shopping mall. Met zijn Argentijnse vrouw en drie kinderen betrekt hij hier in de buurt een appartement. In de cafetaria op de tweede verdieping van het winkelcentrum herinneren alleen drie waterpijp rokende vrouwen ons nog aan de bruisende Arabische binnenstad. Voor een fotosessie in het politieke en economische centrum van Palestina zal er geen tijd meer zijn. Maar Roberto is een amateurfotograaf en zal op het einde van het gesprek voorstellen om ons enkele beelden van zichzelf in de stad te e-mailen. Zelf groeide hij op in Chili. "Daar wonen 400.000 Palestijnen", zegt hij. "Mijn overgrootvader is van Bethlehem, maar voor en na de Israëlische Onafhankelijkheidsoorlog in 1948 was er hier een enorme emigratie. Mijn familie vluchtte voor de armoede en kwam in Chili terecht. Daar werd ik in 1981 geboren. Ik voetbalde er in de hoofdstad Santiago bij Club Deportivo Palestino en bij de U21 van Chili toen ik in 2002 gevraagd werd om voor de nationale ploeg van Palestina uit te komen. Na een gesprek met mijn vader besliste ik om het te doen. Mijn moeder is een Italiaanse, maar voor iedereen aan vaderszijde was het een eer dat ik kon terugkeren naar de roots in het homeland." Een dertigtal keren verdedigde hij intussen de kleuren van Palestina en sinds vorige zomer speelt hij ook in de West Bank Premier League. Hij tekende toen een tweejarig contract voor Hilal Al-Quds, club uit Oost-Jeruzalem die zijn thuiswedstrijden in Al-Ram afwerkt. "Met mijn toeristenvisum kon ik de eerste drie maanden Jeruzalem nog binnen, maar sinds mijn werkvisum in orde is niet meer. Door mijn werksituatie zit ik opgesloten op de Westelijke Jordaanoever." Het leven is er nog harder dan verwacht en dan het op het eerste gezicht lijkt, ervaart hij. "Het Israëlisch-Palestijns conflict en de economische crisis maken het héél hard. De situatie en de sfeer zijn een beetje bedroevend. Een gevoel van droefenis overviel mij voor het eerst toen ik in het begin, toen ik Jeruzalem nog binnen mocht, met mijn zwangere vrouw en twee dochtertjes te voet het controlepunt in Kalandia door moest. Mij en mijn kinderen lieten ze er samen door terwijl mijn zwangere vrouw alleen achter moest blijven. Ze zei dat ze bij ons hoorde, maar dat deed er blijkbaar niet toe, want ze moest wachten tot bij de volgende luide beep de metalen draaipoort weer openging en het haar beurt was. Dan voel je wat het is om niet vrij te zijn, om gecontroleerd te zijn door een militaire natie, om geen rechten en geen waardigheid te hebben." Het moet gezegd: zelf kwamen we met een lijnbus mee van Jeruzalem naar Ramallah en terug en telkens konden we aan het Kalandiacheckpointlangs de kolossale Israëlische Westoeverbarrière zonder de minste controle doorrijden. "Het probleem", gaat Roberto verder, "is ook dat de mensen hier aan die moeilijkheden wennen en hun gevoeligheid verliezen. Wat onaanvaardbaar is, wordt zo aanvaardbaar. Zelfs in de Palestijnse samenleving staat het onderlinge respect op een laag pitje. Wanneer je onderdrukt leeft, verlies je zelfrespect en zelfwaarde. Dan kan je klagen of het verloochenen, meer niet; dan kom je in een vicieuze cirkel terecht en zijn er heel weinig kansen om eruit te raken. Zolang deze situatie niet verandert, zal het moeilijk worden om deze maatschappij op te bouwen, want veel mensen verloren de hoop en zijn lui geworden. Burned- out. Dan verdwijnt de discipline. Dat is zo wanneer je in een depressie zit: dan geef je jezelf een beetje op, dan stop je zelfs met je te douchen. Nu ik hier zelf leef, kan ik begrijpen waarom. Je probeert hen te helpen, maar omdat de realiteit waarin ze elke dag leven geen enkel uitzicht op beterschap biedt, is het heel moeilijk om hun mindset te veranderen. Er is niet alleen financiële hulp nodig, er is vooral meer humanitaire hulp nodig. Onder meer om mensen hier te leren zelf het potentieel van Palestina te ontwikkelen en zo een zelfvoorzienende economie te creëren om niet blijvend afhankelijk te zijn van de Arabische Liga of de Europese Unie. Want als je denkt dat een normaal leven door de bezetting onmogelijk is, waarom zou je dan nog hard werken als je weet dat op het einde van de maand enkele hulporganisaties geld zullen storten waarvan er misschien een beetje bij jou terecht zal komen? Zo zijn er veel, want de elite hier is heel beperkt." Het is, merkt hij, een realiteit die zich ook in het voetbal afspiegelt. "Er zijn spelers die zich niet extra hard proberen in te spannen, omdat ze het zoals de meeste mensen hier niet meer gewoon zijn. Anderen proberen dat wel nog te doen, weten wat het is om professioneel te zijn, hoe te trainen en hoe zich te gedragen. Slechts vier à vijf teams zijn belangrijk. Die hebben fans en komen qua organisatie misschien in de buurt van wat een profteam zou moeten zijn. Maar de rest zijn nog amateurteams die niet eens elke dag trainen. "Het volk houdt van voetbal, maar is meer geïnteresseerd in Real Madrid en Barcelona dan in de eigen competitie. Op Champions Leaguedagen dat er een van de twee speelt, zit iedere café, bar en cafetaria vol, dragen velen een shirt van een van beide en zijn er taxi's die met een vlag rondrijden. Sommige wedstrijden trekken hier wel vier- à vijfduizend toeschouwers, zoals bepaalde thuismatchen van Markaz Shabab Al-Am'ari in het Faisal Al-Husseini International Stadium in Al-Ram. Vooral kinderen zijn fan van het lokale voetbal, meer en meer, ook omdat enkele projecten voor de ontwikkeling van het jeugdvoetbal realiteit beginnen te worden. Maar er is nood aan een publiciteitscampagne om mensen aan te moedigen om naar de stadions te komen en om meer interactie met de clubs te creëren. Ook de nationale ploeg moet beter gepromoot worden. Wanneer die speelt, weet niet eens iedereen het. Dat komt ook omdat we vroeger onze thuiswedstrijden in Jordanië en Qatar speelden, omdat de FIFA om veiligheidsredenen in oorlogsgebieden geen internationale wedstrijden toelaat. Maar nu zijn de mogelijkheden toch toegenomen. De competitie op de Westelijke Jordaanoever is op weg om professioneel te worden. Terwijl ze hier voorheen gewoon waren in een soort vriendschappelijke amateurliga te spelen. Spelers trainden wanneer ze goesting hadden. Nu zitten we in een overgangsperiode van amateurisme naar professionalisme. Het is een periode waarin door ervaring geleerd wordt hoe profvoetbal werkt, hoe externe mensen hen kunnen leren hoe met de administratie om te gaan, hoe coaches te trainen en hoe spelers voor te bereiden op wedstrijden in de competitie en voor de nationale ploegen. De FIFA sponsort en steunt de voetbalbond om dit te realiseren. Natuurlijk is de bezetting een belemmering om hier eender wat te organiseren. Maar ik merk toch dat de houding van ploegmaats ten opzichte van de Israëli's iets meer gekalmeerd is. In mijn beginperiode bij de nationale ploeg, in 2002 en 2003, hoorde ik alleen maar slechte dingen over Israël. Ze waren heel boos en bereid tot alles om hen te vernietigen." De hoop komt van de Verenigde Naties. Op 29 november van vorig jaar kreeg Palestina, lid van de Arabische Liga, een waarnemersstatus binnen de VN. Daarmee is het nog geen lid, maar het geeft de staat wel het recht aanwezig te zijn en te spreken op de Algemene Vergadering, toe te treden tot de VN-commissies en zich desgewenst tot het Internationaal Gerechtshof in Den Haag te wenden. "Ik had tegen mijn zwangere vrouw gezegd: als Palestina toegelaten wordt tot de Verenigde naties, noemen we onze zoon Vittorio", zegt Roberto. "Omdat het een belangrijke overwinning is voor de toekomst van het Palestijnse volk. Vittorio!" Hij maakt met midden- en wijsvinger het V-teken. "Victory. Peace. Zo is het intussen ook gebeurd: onze zoon heet Vittorio. (lacht) Beetje bij beetje zal Palestina het VN-lidmaatschap nu wel krijgen." Maar de reactie van de Israëlische premier Benjamin Netanyahu op de erkenning van Palestina als waarnemend niet-lid van de VN daarentegen biedt weinig hoop: hij kondigde de bouw aan van 3000 extra woningen in de Joodse nederzettingen in Oost-Jeruzalem, het deel van de Israëlische hoofdstad dat door de Palestijnse autoriteit als hoofdstad van de staat Palestina geclaimd wordt, én op de Westelijke Jordaanoever. Voor de Palestijnen is dat het bewijs dat Israël na Oost-Jeruzalem ook nog de Westelijke Jordaanoever wil inlijven. En dat het ook daar voldoende Joden wil laten wonen om zeker te zijn dat er altijd een Joodse regering zal worden verkozen en dat Israël een Joodse staat zal blijven. "Ik hou er niet van om veel over politiek te praten, omdat ik mijn beroep niet als platform voor politiek wil gebruiken", zegt Roberto. "Maar hier is het onmogelijk om niet te praten over de politieke en militaire situatie. Ik denk dat er al veel mensenrechten geschonden werden en dat het nog steeds gebeurt. Je hoort toch ook nog geregeld dat er mensen gedood worden, dan is dat op training het eerste waarover er gepraat wordt. Onlangs was een vriend van mij er getuige van hoe er in Bethlehem een vijftienjarige jongen vanuit een toren neergeschoten werd terwijl hij met enkele kinderen stenen aan het gooien was tegen de Israëlische Muur. Mijn vriend stond er twintig meter vandaan, hij legde hem in zijn wagen en reed ermee naar het ziekenhuis. Gelukkig overleefde die jongen het. "Het is triest, telkens als je zo'n verhaal hoort, maar je went eraan. Dat is wat ik bedoel met gevoeligheid en perspectief verliezen. Wanneer limieten en menselijke rechten niet gerespecteerd worden, is dat een groot probleem. (zucht) Misschien zullen Israël en Palestina niet de beste vrienden worden, maar ik hoop dat ze elkaar op een dag op z'n minst zullen respecteren en zullen stoppen met het militaire geweld en met het doden. Ik kan je zeggen dat we in november tijdens de oorlog in de Gazastrook klaar waren om te vluchten. Wij waren hier nog maar vier maanden en voor ons was dat zó beangstigend. Maar mijn vrouw was acht maanden zwanger en we konden niet naar Chili terugkeren omdat ze geen langeafstandsvluchten meer mocht doen. Daarom zouden we bij vrienden in Italië zijn gaan wonen. Had het in Gaza nog drie dagen langer geduurd, dan waren we hier weg."