Ere wie ere toekomt: Bruce McLaren, een Nieuw-Zeelander, richtte in 1966 het team met zijn naam op. Hij was zelfs de eerste autocoureur in de geschiedenis die een race won in een auto met zijn eigen naam, toen hij in Francorchamps 1968 als eerste over de streep bolde. Maar eigenlijk was Ron Dennis de architect van de echte topjaren van het formule 1-team, lang nadat McLaren in 1970 verongelukt was en het team door de weduwe was verkocht.

McLaren kwam er in de formule 1 niet meer aan te pas toen Dennis, nu 65, in 1981 de meerderheid van de aandelen verwierf. Daarna zou hij grossieren in wereldkampioenen, zoals Alain Prost, Niki Lauda, Mika Hakkinen of Ayrton Senna. Ondertussen, terwijl jongens als Jenson Button of Lewis Hamilton races winnen, heeft Dennis een stap teruggezet. Maar op de achtergrond waakt hij nog, klaar om in te grijpen.

Mr. Bean

Dat McLaren ook sportwagens voor de openbare weg ging bouwen, is de schuld van ene Gordon Murray. De Australiër was designer in het F1-team toen hij in 1987 zin kreeg om een extreme 'gewone' auto te bouwen. Hij overtuigde Dennis meteen toen hij hem zijn plannen toonde voor 'de ultieme sportwagen voor bemiddelde mensen'.

De Mister Bean-auto - Rowan Atkinson had er eentje en kwam ermee in het nieuws toen hij hem aan splinters reed - was geboren: een supercar van 1 miljoen dollar. Op 31 maart 1998 vestigde die een absoluut snelheidsrecord voor auto's voor dagelijks gebruik: 391 kilometer per uur. Later, van 2003 tot 2007, zou McLaren in samenwerking met Mercedes nog de indrukwekkende SLR bouwen. En nu is er dus de MP4-12C, opnieuw helemaal in eigen huis gebouwd, zoals de eerste McLaren F1.

Als je de McLaren MP4-12C van dichtbij bekijkt, merk je dat hij gemaakt is door jongens die bezig zijn met formule 1. Een bolide moet zo efficiënt mogelijk zijn. De uitlaat zit dan ook zeer hoog, de onderkant is volledig vlak. Hij is gebouwd met zo weinig mogelijk aluminium en zoveel mogelijk carbon of composietmaterialen - materialen die Dennis destijds in de formule 1 introduceerde. In ieder detail zie je ook de persoonlijkheid van Dennis. Het moet áf zijn, vlekkeloos. Zoals: een tolerantie van slechts een halve millimeter voor het chassis; zo klein is het mogelijke verschil tussen twee exemplaren.

Details Voor sommigen zijn details bijkomstigheden, voor Ron Dennis zijn ze de essentie. Ex-coureur Nick Heidfeld kan het weten. Eind de jaren negentig mocht hij zijn kunnen tonen in de F1-wagen van McLaren, tijdens een test in het Zuid-Spaanse Jerez. De Duitser kwam een paar uur te laat omdat hij zijn vlucht had gemist: hij was vergeten zijn paspoort in zijn aktetas te stoppen. Toen bleek dat in die tas ook nog eens Heidfelds verse onderbroeken zaten, zei Dennis tegen een medewerker: 'Die jongen zal nooit met mijn auto's rijden.'

Net zoals het verhaal de ronde doet dat Dennis twee keer per jaar alle kiezel van zijn eindeloze oprit laat wegnemen om schoon te spuiten en daarna terug te leggen. Het zou ons niet verbazen als ook dat overgeleverde verhaal waar is.

Jo Bossuyt

Ere wie ere toekomt: Bruce McLaren, een Nieuw-Zeelander, richtte in 1966 het team met zijn naam op. Hij was zelfs de eerste autocoureur in de geschiedenis die een race won in een auto met zijn eigen naam, toen hij in Francorchamps 1968 als eerste over de streep bolde. Maar eigenlijk was Ron Dennis de architect van de echte topjaren van het formule 1-team, lang nadat McLaren in 1970 verongelukt was en het team door de weduwe was verkocht. McLaren kwam er in de formule 1 niet meer aan te pas toen Dennis, nu 65, in 1981 de meerderheid van de aandelen verwierf. Daarna zou hij grossieren in wereldkampioenen, zoals Alain Prost, Niki Lauda, Mika Hakkinen of Ayrton Senna. Ondertussen, terwijl jongens als Jenson Button of Lewis Hamilton races winnen, heeft Dennis een stap teruggezet. Maar op de achtergrond waakt hij nog, klaar om in te grijpen. Mr. Bean Dat McLaren ook sportwagens voor de openbare weg ging bouwen, is de schuld van ene Gordon Murray. De Australiër was designer in het F1-team toen hij in 1987 zin kreeg om een extreme 'gewone' auto te bouwen. Hij overtuigde Dennis meteen toen hij hem zijn plannen toonde voor 'de ultieme sportwagen voor bemiddelde mensen'. De Mister Bean-auto - Rowan Atkinson had er eentje en kwam ermee in het nieuws toen hij hem aan splinters reed - was geboren: een supercar van 1 miljoen dollar. Op 31 maart 1998 vestigde die een absoluut snelheidsrecord voor auto's voor dagelijks gebruik: 391 kilometer per uur. Later, van 2003 tot 2007, zou McLaren in samenwerking met Mercedes nog de indrukwekkende SLR bouwen. En nu is er dus de MP4-12C, opnieuw helemaal in eigen huis gebouwd, zoals de eerste McLaren F1. Als je de McLaren MP4-12C van dichtbij bekijkt, merk je dat hij gemaakt is door jongens die bezig zijn met formule 1. Een bolide moet zo efficiënt mogelijk zijn. De uitlaat zit dan ook zeer hoog, de onderkant is volledig vlak. Hij is gebouwd met zo weinig mogelijk aluminium en zoveel mogelijk carbon of composietmaterialen - materialen die Dennis destijds in de formule 1 introduceerde. In ieder detail zie je ook de persoonlijkheid van Dennis. Het moet áf zijn, vlekkeloos. Zoals: een tolerantie van slechts een halve millimeter voor het chassis; zo klein is het mogelijke verschil tussen twee exemplaren. Details Voor sommigen zijn details bijkomstigheden, voor Ron Dennis zijn ze de essentie. Ex-coureur Nick Heidfeld kan het weten. Eind de jaren negentig mocht hij zijn kunnen tonen in de F1-wagen van McLaren, tijdens een test in het Zuid-Spaanse Jerez. De Duitser kwam een paar uur te laat omdat hij zijn vlucht had gemist: hij was vergeten zijn paspoort in zijn aktetas te stoppen. Toen bleek dat in die tas ook nog eens Heidfelds verse onderbroeken zaten, zei Dennis tegen een medewerker: 'Die jongen zal nooit met mijn auto's rijden.' Net zoals het verhaal de ronde doet dat Dennis twee keer per jaar alle kiezel van zijn eindeloze oprit laat wegnemen om schoon te spuiten en daarna terug te leggen. Het zou ons niet verbazen als ook dat overgeleverde verhaal waar is. Jo Bossuyt