In één seconde is de droom van Jurgen Van den Broeck uit elkaar gespat. Een afdaling, een nat wegdek, een valpartij: de ambitie van de Kempenaar om in Parijs het podium te halen ligt aan diggelen.

Zinloos zijn de Spartaanse trainingsritten geweest, de lange afzonderingen, de stages in de bergen, het leven als een monnik, het strenge dieet, de immense opofferingen. Alles had Van den Broeck ervoor gedaan om er in de Tour te staan.

En de eerste week leek voor hem rimpelloos verlopen te zijn. Er was wel wat ongenoegen over een te trage start in de ploegentijdrit, onbegrip omdat Philippe Gilbert hem in de etappe naar Mur de Bretagne counterde ofschoon de kampioen van België moet gevoeld hebben dat hij mindere benen had, maar Van den Broeck wilde dat nu ook weer niet uitvergroten.

Van den Broeck ging goed mee. De Pyreneeën en de Alpen lagen te wachten. Hij was er klaar voor, hij leek rustig, het zelfvertrouwen groeide met de dag. Nu zit Jurgen Van den Broeck in zak en as.

Hoe zal hij die val en opgave verwerken, hoe kan hij dat een plaats geven nadat er maanden alleen maar over de Ronde van Frankrijk werd gesproken? Waar haalt hij de mentale veerkracht om zich weer op te laden voor, bijvoorbeeld, de Ronde van Spanje die op zijn programma stond?

Maandag, op de eerste rustdag, trekt de Tour zich terug in bezinning. Tijd voor de eerste conclusies. En om na te denken over de lawine van valpartijen die deze Ronde van Frankrijk teisterde. Er was vooraf al veel kritiek. Over het feit dat er maar één tussensprint per dag is, hetgeen de stress en de zenuwachtigheid verhoogt en het gevaar op valpartijen doet toenemen. Maar hoe zit het eigenlijk met de stuurvaardigheid van de renners? En worden er in die afdalingen vaak ook niet te veel risico's genomen? Groeien renners in hun oeverloze drang om te presteren niet te veel uit tot kamikaze-piloten?

Terecht krijgen organisatoren kritiek omdat ze in het uitstippelen van het parcours niet altijd met de veiligheid rekening houden. Maar evenzeer dringt er zich ook in het peloton een gewetensonderzoek op.

Bij die renners die, vaak opgejaagd als een stuk wild, geen grenzen meer kennen. Ze sleuren anderen in hun val mee.

Immens groot is de prestatiedruk waaronder renners staan. Zeker in de Tour. Ze kunnen zichzelf niet meer controleren. Zoals de Nederlander Robert Gesink, ook al het slachtoffer van een valpartij. Bij een mechanisch defect gooide hij zijn fiets, een juweeltje van 10.000 euro, woedend op straat. Zou hij daarover door de ploegleiding zijn aangesproken? Zouden al die renners die collega's in gevaar brengen al op hun plichten zijn gewezen?

Jacques Sys

In één seconde is de droom van Jurgen Van den Broeck uit elkaar gespat. Een afdaling, een nat wegdek, een valpartij: de ambitie van de Kempenaar om in Parijs het podium te halen ligt aan diggelen. Zinloos zijn de Spartaanse trainingsritten geweest, de lange afzonderingen, de stages in de bergen, het leven als een monnik, het strenge dieet, de immense opofferingen. Alles had Van den Broeck ervoor gedaan om er in de Tour te staan. En de eerste week leek voor hem rimpelloos verlopen te zijn. Er was wel wat ongenoegen over een te trage start in de ploegentijdrit, onbegrip omdat Philippe Gilbert hem in de etappe naar Mur de Bretagne counterde ofschoon de kampioen van België moet gevoeld hebben dat hij mindere benen had, maar Van den Broeck wilde dat nu ook weer niet uitvergroten. Van den Broeck ging goed mee. De Pyreneeën en de Alpen lagen te wachten. Hij was er klaar voor, hij leek rustig, het zelfvertrouwen groeide met de dag. Nu zit Jurgen Van den Broeck in zak en as. Hoe zal hij die val en opgave verwerken, hoe kan hij dat een plaats geven nadat er maanden alleen maar over de Ronde van Frankrijk werd gesproken? Waar haalt hij de mentale veerkracht om zich weer op te laden voor, bijvoorbeeld, de Ronde van Spanje die op zijn programma stond? Maandag, op de eerste rustdag, trekt de Tour zich terug in bezinning. Tijd voor de eerste conclusies. En om na te denken over de lawine van valpartijen die deze Ronde van Frankrijk teisterde. Er was vooraf al veel kritiek. Over het feit dat er maar één tussensprint per dag is, hetgeen de stress en de zenuwachtigheid verhoogt en het gevaar op valpartijen doet toenemen. Maar hoe zit het eigenlijk met de stuurvaardigheid van de renners? En worden er in die afdalingen vaak ook niet te veel risico's genomen? Groeien renners in hun oeverloze drang om te presteren niet te veel uit tot kamikaze-piloten? Terecht krijgen organisatoren kritiek omdat ze in het uitstippelen van het parcours niet altijd met de veiligheid rekening houden. Maar evenzeer dringt er zich ook in het peloton een gewetensonderzoek op. Bij die renners die, vaak opgejaagd als een stuk wild, geen grenzen meer kennen. Ze sleuren anderen in hun val mee. Immens groot is de prestatiedruk waaronder renners staan. Zeker in de Tour. Ze kunnen zichzelf niet meer controleren. Zoals de Nederlander Robert Gesink, ook al het slachtoffer van een valpartij. Bij een mechanisch defect gooide hij zijn fiets, een juweeltje van 10.000 euro, woedend op straat. Zou hij daarover door de ploegleiding zijn aangesproken? Zouden al die renners die collega's in gevaar brengen al op hun plichten zijn gewezen? Jacques Sys