Dit stuk komt uit Raimundo, het nieuwe e-magazine van Sport/Voetbalmagazine.
...

Hoe belangrijk Dries Mertens op zijn 33e nog altijd is voor Napoli, bleek afgelopen weekend. Hoewel hij tegen Sampdoria maar een goed kwartier op het veld stond, was hij andermaal goed voor een assist, zijn 86e al voor de club. Dit keer was Victor Osimhen afwerker van dienst. Met de terugkeer van de Nigeriaan en Mertens staat Napoli voorin weer sterk. Zij werden de afgelopen maanden erg gemist. Door de winst van zondag behoudt Napoli nog altijd uitzicht op een plaats bij de eerste vier, en in Italië geeft dat recht op deelname aan de Champions League. Het is de minimumvereiste voor alle Italiaanse topclubs, die de miljoenen uit de vetpotten van Europa hard nodig hebben om hun doorgaans rood kleurende begrotingen enigszins onder controle te houden. Dat is niet anders voor Napoli, dat door kenners tot begin november als een outsider voor de titel werd beschouwd, en na vijf speeldagen samen met Sassuolo aan de leiding stond, maar die verwachtingen nadien niet kon inlossen en nu flink moet aanklampen want de concurrentie voor een CL-plaats is groot en de gegadigden laten nog amper steken vallen. Ook vorig seizoen beschouwde men in Italië Napoli als dé outsider voor de titel, samen met Inter de enige ploeg die het Juventus moeilijk zou kunnen maken. Inter klampte toen wel degelijk tot het einde aan, maar voor Napoli liep het totaal onverwacht al halfweg helemaal verkeerd. Carlo Ancelotti, tot dan bij de meeste clubs als een garantie voor succes beschouwd, kreeg de motor niet op gang en kon ondanks zijn menselijke kwaliteiten niet het beste uit zijn spelers halen. Toen Aurelio De Laurentiis de spelers een extra ritiro (afzondering) oplegde tussen twee wedstrijden in, maar die spelers dat niet zagen zitten en tot verbijstering van de voorzitter gewoon naar huis reden, niet tegengehouden door de trainer die tussen twee vuren zat, greep hij in. De sfeer tussen de spelers en de eigenaar bleef lang ijzig en Ancelotti moest de rekening betalen. In december werd hij vervangen door Gennaro Gattuso, in wie de voorzitter zich naar eigen zeggen helemaal herkende. Met bekerwinst tegen de latere kampioen Juventus leek een nieuw gelukkig huwelijk begonnen, maar nog geen jaar later is ook die liefde uitgedoofd. Wie de nieuwe trainer wordt, staat nog niet vast. De kans dat Massimiliano Allegri, die na twee sabbatjaren weer aan de slag wil, naar Napoli komt, is klein. Een terugkeer van Maurizio Sarri, na zijn ontslag bij Juventus werkloos, ligt evenmin voor de hand. Met Sarri bracht Napoli droomvoetbal, maar toen de Toscaanse coach door Juventus opgevrijd werd, noemde De Laurentiis hem een verrader, en dat is blijven hangen. Na de bekerfinale die hij met Juventus van Napoli verloor, weigerde Sarri de voorzitter de hand te drukken. Rafael Benítez, de trainer die samen met Dries Mertens in 2013 in Napels arriveerde, heeft nog goede herinneringen aan zijn oude club. De Laurentiis zou echter eerder denken aan een nieuwe, nog onbekende, naam die zoals Sarri een aantal jaar geleden nog honger heeft om de stap naar de top te zetten. Roberto De Zerbi, die met Sassuolo aantrekkelijk voetbal speelt, is zo iemand, net als Vincenzo Italiano, die het met nieuwkomer La Spezia uitstekend doet en bekend staat als een trainer die full pressing hanteert. Nog vaker wordt Ivan Juric genoemd, de trainer van Hellas Verona. De laatste naam die al eens valt, is die van de Portugees Paulo Fonseca, met AS Roma momenteel concurrent van Napoli voor de vierde plaats, samen met Atalanta Bergamo en Lazio Roma. Vanzelfsprekend vindt men het in Napels niet dat er volgend jaar een nieuwe trainer komt. Gattuso heeft het immers niet slecht gedaan en verdient krediet, vinden kenners die Napoli sinds jaren volgen. Hij leek ook goed op weg naar een nieuw contract. De verbintenis tot 2023 lag klaar en moest enkel nog getekend worden. Dat is nog steeds niet gebeurd, en het zal ook niet meer gebeuren. Sinds de jaarwisseling is er niet meer gepraat tussen voorzitter en trainer. Jammer, want Gattuso is nog maar aan zijn vierde jaar als hoofdtrainer in eerste klasse bezig. Een toptrainer is hij nog niet, maar hij zet stappen en heeft een erg goeie relatie met zijn spelers, die voor hem allemaal best die extra meters willen lopen. Gattuso gaf ze ook allemaal een kans. Dat moest ook, want nog meer dan andere ploegen is Napoli in dit drukke voetbaljaar zwaar geteisterd door positieve coronagevallen maar ook door vervelende blessures. Vanaf oktober vielen de spelers als vliegen, liefst elf geblesseerden moest Gattuso vervangen. Vooral in het aanvallende compartiment was het bij momenten improviseren. Osimhen, ex-Charleroi en vorige zomer voor liefst 70 miljoen gekocht bij Lille OSC, begon sterk aan het seizoen maar viel al snel uit. Eerst keerde hij van een interland terug met COVID-19, later raakte hij geblesseerd. Ook Mertens was van 11 december tot eind februari onbeschikbaar met een enkelblessure. Laat dat nu net de periode zijn waarin de resultaten van Napoli flink tegenvielen. De laatste zes, zeven wedstrijden is iedereen opnieuw fit en doet Napoli het goed. Het probleem is dat ook de andere topploegen nog amper punten laten, waardoor het tot de eindsprint een nek-aan-nekrace blijft tussen Atalanta, AC Milan, Juventus, Napoli, AS Roma en Lazio - Inter lijkt buiten schot als nieuwe landskampioen - om de dure plaatsen twee, drie en vier. Deelname aan de Champions League is voor een Italiaanse club gemiddeld goed voor 40 miljoen euro. De afgelopen tien jaar kon Napoli zich sinds de terugkeer in de meest prestigieuze Europabeker in 2011/12 zes keer plaatsen voor het kampioenenbal. Dat leverde de club alles samen 274,9 miljoen euro op. Veel geld, maar een pak minder dan Juventus, dat sinds het ontstaan van de Champions League in 1992/93 al 893,5 miljoen verdiende. Ook AS Roma, AC Milan en Inter haalden via de Champions League al meer inkomsten binnen dan de Zuid-Italianen. Daar is natuurlijk een reden voor. Toen filmproducent Aurelio De Laurentiis de club in 2004 overnam, was Napoli failliet en moest het helemaal van nul herbeginnen en zich proberen op te werken vanuit de derde klasse. Dat deed het met twee promoties in drie jaar, met dank aan continuïteit op sportief vlak. Edoardo Reja, die voor de terugkeer zorgde naar de hoogste klasse, en Walter Mazzarri, die Napoli terug naar Europees voetbal voerde, bleven elk vier jaar, Benítez twee en Sarri drie. Van continuïteit gesproken. Wat er straks bij Napoli op de mercato zal gebeuren, hangt in hoge mate af van het feit of het beoogde doel - top 4 en dus een CL-ticket - bereikt wordt. Achteraan kan Napoli best wat versterking gebruiken, centraal, maar ook links en rechts, en zeker mocht Kalidou Koulibaly vertrekken. De Laurentiis, die hem in 2014 van Genk kocht voor bijna acht miljoen, roept al jaren dat Koulibaly niet voor minder dan 100 miljoen weg mag, maar dat bedrag zou nu een flink stuk lager kunnen liggen. De voorzitter zou kunnen leven met 50 miljoen, aangezien geen enkele club in deze bizarre tijden geld te veel heeft. Bovendien weegt Koulibaly met een jaarloon van 6,5 miljoen euro zwaar op de begroting, die de laatste jaren rood kleurt, nadat De Laurentiis jarenlang garant stond voor een financieel positieve jaarbalans. De salarislast weer onder controle brengen is een van de voornaamste opgaven voor de komende jaren. Dit jaar bedraagt de loonkost voor Napoli 105 miljoen euro. Dat is minder dan de helft van Juventus (236 miljoen), en ook minder dan Inter (149 miljoen) en AS Roma (112 miljoen) maar bijvoorbeeld meer dan AC Milan (90 miljoen) en Lazio (83 miljoen). Dat bemoeilijkt ook een contractverlenging voor dé absolute topspeler van dit seizoen. Napolitaan en international Lorenzo Insigne is na een tegenvallend vorig seizoen erg sterk bezig, maar zijn contract loopt volgend seizoen af. Van Insigne wordt ook verwacht dat hij straks op het EK een hoofdrol zal spelen met de Squadra Azzurra, waar hij nu al één van de sterkhouders is. Een verbeterd contract kan Napoli hem niet geven. Vandaag is hij met een jaarloon van 4,6 miljoen euro na Koulibaly de grootverdiener bij Napoli, 100.000 euro per jaar meer betaald dan Mertens, Osimhen en Hirving Lozano. Als Insigne een nog beter contract wil, moet hij naar een club waar hij dat wel nog kan krijgen. Mertens verlengde vorig seizoen zijn contract. Dat loopt nog één seizoen. Intussen blijft hij zijn record van topschutter aller tijden stap voor stap scherper stellen. De Rode Duivel, die in 2013 voor 9,5 miljoen gekocht werd van PSV, is nu samen met Insigne al een oudgediende en wordt, in tegenstelling tot veel andere spelers die wat afstand nemen, door zijn ongedwongen gedrag, goeie kennis van het Italiaans en zijn deelname aan het dagelijkse leven in de stad als een echte Napolitaan beschouwd. Het leverde hem ook al de Napolitaanse bijnaam Ciro op. Voor Mertens blijft 19 oktober 2016 een kantelpunt. Tot dan was hij een gewaardeerd aanvaller die in concurrentie lag met Insigne op de linkerflank en vaak vanaf de bank mocht invallen. Die dag had Sarri geen diepe spits. Gonzalo Higuaín was voor 90 miljoen naar Juventus vertrokken. Zijn vervanger, de Pool Arkadiusz Milik, die voor 32 miljoen bij Ajax was gekocht, keerde geblesseerd terug van een interland en de derde spits, Manolo Gabbiadini, voldeed niet aan de strenge tactische eisen die Sarri aan zijn spelers stelde. Dus verbaasde de trainer iedereen, Mertens incluis, door de Rode Duivel in de Europese wedstrijd tegen Besiktas in het driespitsensysteem diep in punt uit te spelen. In de daaropvolgende competitiewedstrijd tegen Empoli stond hij daar opnieuw, en vanaf dat moment was de trein vertrokken. Het was een geniale ingreep die voor alle betrokkenen een win-winsituatie werd, én voor Mertens, die ondertussen al Napoli's topschutter aller tijden is en in alle competities samen voor de Italiaanse topclub 134 goals maakte, de eerste stap op weg naar de onsterfelijkheid in Napels.