Wie in het begin van de jaren zeventig naar wedstrijden van Ajax ging kijken, waande zich in een voetbaltheater waar kunstenaars optraden. De vertoning ging door in het stadion De Meer, in de wijk Betondorp, waar Johan Cruijff werd geboren. De thuishaven van Ajax telde 29.500 plaatsen. Vreemd genoeg liep die alleen voor topwedstrijden vol. Voor een gewone match kwamen er tussen de 15.000 en 18.000 toeschouwers. Alleen voor de Europese confrontaties werd uitgeweken naar het Olympisch Stadion.
...

Wie in het begin van de jaren zeventig naar wedstrijden van Ajax ging kijken, waande zich in een voetbaltheater waar kunstenaars optraden. De vertoning ging door in het stadion De Meer, in de wijk Betondorp, waar Johan Cruijff werd geboren. De thuishaven van Ajax telde 29.500 plaatsen. Vreemd genoeg liep die alleen voor topwedstrijden vol. Voor een gewone match kwamen er tussen de 15.000 en 18.000 toeschouwers. Alleen voor de Europese confrontaties werd uitgeweken naar het Olympisch Stadion. Voetbal sprak in die periode niet echt tot de verbeelding van de verwende Amsterdammer die in zijn stad onder meer een rijkelijk cultureel aanbod aantrof. Nochtans weerspiegelde het artistieke en frivole karakter van Amsterdam zich ook in het spel van Ajax. Alleen waren er slechts weinigen die het natuurlijke proces van het team in de gaten hadden. Laat staan dat ze zagen dat er zich een mondiaal fenomeen ontwikkelde. Veel had ook te maken met de andere clubs in Amsterdam. Die waren er in verschillende delen van de stad en ze waren erg wijkgericht. Zo had je DWS Amsterdam, Blauw-Wit en De Volewijckers. Geen enkele aanhanger van die verenigingen ging naar Ajax. Het veranderde amper toen de drie clubs fusioneerden in FC Amsterdam. De opbloei van Ajax is onherroepelijk verbonden met de komst van Rinus Michels die in 1965 de Brit Vic Buckingham opvolgde. Michels bracht een nieuwe kijk op het voetbal en dit in al zijn aspecten. Hij voerde het professionalisme in op een moment dat Ajax maar vier profs telde en pakte uit met een oefenstof die heel diep bij het wedstrijdgebeuren aanleunde. Tijdens de voorbereidingsperiode wilde het wel eens gebeuren dat er vijf keer per dag werd getraind. En altijd op het scherp van de snede. Als je op training iets verkeerd deed vlogen de scheldkanonnades je om de oren. Menselijke aspecten maakte Michels ondergeschikt aan discipline. Zonder hem zouden de latere successen nooit mogelijk zijn geweest. Michels verdiepte zich constant in het voetbal en was bijvoorbeeld de enige Nederlandse trainer die aanwezig was op het WK van 1970 in Mexico. Hij betaalde de reis uit eigen zak en vond het zijn taak om wereldwijd te zien hoe er gevoetbald werd. Ten onrechte is er vaak gedacht dat Michels bij Ajax alleen profiteerde van het geniale spel van Johan Cruijff. Beiden wisselden wel vaak van gedachten. Zo ontstond er een stijl die zich tot in de jeugdteams doortrok. Ajax groeide uit tot een ploeg die de tegenstander op de eigen helft opsloot. De verdedigers waren de eerste aanvallers, de spitsen dienden hun defensieve opdrachten secuur uit te voeren. Discipline ging gepaard met lef en durf. De tegenstanders werden over het hele veld opgejaagd en verloren zo sneller de bal. Het werd een vanzelfsprekendheid: de tegenstander meteen bij de keel pakken. En het was een soort voetbal dat aanleunde bij de visie van Cruijff. Hij was magiër en denker in één persoon. Maar tegenover Michels kon hij zich niet alles veroorloven. Toen Cruijff eens twee minuten te laat op training verscheen en het veld op slofte met losse veters, liet Michels hem de dag nadien om zes uur 's ochtends komen voor een bosloop. Op het moment dat Cruijff arriveerde, zei Michels, die een pyjama onder zijn regenjas droeg, dat hij mocht beginnen te lopen, maar dat hij zelf weer naar huis ging om verder te slapen. Rinus Michels werd De Generaal genoemd. Hij deed geen enkele concessie aan zijn visie en bouwde in functie daarvan een elftal op. Vanuit de basis probeerde hij naar een eindproduct te komen. Waarbij de transferperiode steeds van heel groot belang was. Dan kwam het er niet op aan om bepaalde spelers te kopen, maar wel om bepaalde types aan te trekken, om de schakels te vinden die de ketting aan het draaien moesten krijgen. Zo is Ajax groot geworden. Gedragen door een unieke verzameling van talent natuurlijk, door spelers die heel goed konden voetballen en daarnaast over iets extra's beschikten. Er was een prestatiegericht klimaat waarin spelers constant met zichzelf werden geconfronteerd. Faalde je, dan stond er een andere klaar. Michels speelde ontzettend op dat concurrentiële in. Hij had het voortdurend over de premies die er te verdienen vielen. Dat maakte niet alleen iedereen scherp, het gaf ook een verantwoordelijkheidsgevoel. In die zin dat spelers van Ajax niet durfden te falen. Want dan zat je aan het geld van een ander.Opvallend bij het Ajax uit die periode was dat spelers constant over het functioneren van de ploeg piekerden, dat ze in hun drang naar perfectie naar mogelijkheden zochten om het rendement te verhogen. En dat beperkte zich niet alleen tot de ingevingen van Johan Cruijff of de lijnen die Rinus Michels trok. Het jagen bij balverlies bijvoorbeeld, het vastzetten van de tegenstander, dat sijpelde in de ploeg door toedoen van Velibor Vasovic, de Joegoslavische libero. Die had eerder bij Partizan Belgrado op die manier gespeeld. Weinig ploegen die het individuele talent zo ten dienste stelden van het collectief als Ajax in die periode. Dat had te maken met een unieke band die er in de ploeg was. Een aantal spelers werd in de buurt van het stadion geboren, de ploeg telde zeven Amsterdammers en maar één buitenlander. Stap voor stap werd het groeiproces verdergezet. Het laatste keerpunt kwam er in 1969 toen Ajax de finale van de Europacup voor Landskampioenen speelde tegen AC Milan en met 4-1 verloor. Voor Rinus Michels was dit een verruimingsmoment. Hij wist wat er nog verkeerd liep, liet enkele spelers vertrekken en trok een paar anderen aan. Eén jaar later, op 2 juni 1971, won Ajax de Europacup I. In de finale werd Panathinaikos, getraind door de Hongaarse legende Ferenc Puskás, in Londen met 2-0 verslagen. Natuurlijk was Cruijff de vormgever van dit elftal. Samen met zijn boezemvriend Piet Keizer op wiens huwelijksfeest Cruijff zijn latere vrouw zou leren kennen. Over de impact van beiden doen de meest onwaarschijnlijke verhalen de ronde. Het zouden Cruijff en Keizer geweest zijn die de tactiek bespraken en tot in de kleinste details alles doornamen. Terwijl Michels liet uitschijnen dat hij de bezieler was van de successen en alleen uitvoerde wat Cruijff hem zei. Maar anderen spreken dat weer tegen. Duidelijk is dat het tussen Michels en een aantal van zijn vedetten na verloop van tijd absoluut niet boterde. De kadaverdiscipline zorgde voor steeds meer irritaties. Vooral dan bij Keizer, die Michels tijdens een training eens zo'n doodschop gaf, dat die strompelend naar binnen moest en vier weken niet kon lopen. Toen Michels medio 1971 zijn vertrek bekendmaakte, danste Keizer een uur lang op een tafel in de kleedkamer. Heel anders dan Cruijff die zelfs na de grootste botsingen zijn respect voor Michels uitsprak. Hij noemde hem een man die geen probleem omzeilde, urenlang noeste arbeid verrichtte en alle kritiek pareerde om het allerhoogste te bereiken. Zij aan zij maakten zij Ajax groot, zoals ze dat daarna ook bij Barcelona deden. En, op het WK 1974, bij het Nederlandse elftal. Ajax beschikte in de jaren zeventig over een unieke verzameling van talent. Zo was er in het middenveld bijvoorbeeld Gerrie Mühren, de misschien wel meest begaafde technicus die Nederland ooit heeft gekend. De linkermiddenvelder baarde opzien door in 1973, in de halve finale van de Europacup 1 uit tegen Real Madrid, de bal secondelang op de voet te laten stuiten. Willem van Hanegem, het boegbeeld van Feyenoord, verklaarde ooit dat Mühren over zo'n goede traptechniek beschikte dat hij met de bal de veters uit je schoenen kon halen. In dit bont gezelschap werd iedereen naar een hoger niveau gezogen. Toen Vasovic in 1971 vertrok, stond met de Duitser Horst Blankenburg een vervanger klaar. Die had wel niet dezelfde leiderscapaciteiten als Vasovic, maar intussen stond met de tweede centrale verdediger, Barry Hulshoff, al een nieuwe stuurman klaar. Hulshoff was een relatief beperkte voetballer maar door zijn kopspel, sprongkracht en timing verloor hij in de lucht amper duels. Over de grond al evenmin. Hulshoff noemde zichzelf een lopende verdediger en verstond de kunst steeds weer een aanvaller een bepaalde kant op te dwingen, waardoor hij nooit een sliding hoefde te maken. Het waren dingen die op training werden aangeleerd. Opmerkelijk trouwens dat Hulshoff in zijn periode bij Ajax maar drie keer geel kreeg. In de loop van de jaren ging Ajax steeds verfijnder voetballen. Door de gratie van Johan Cruijff, de onnavolgbare schaarbewegingen van Piet Keizer die, eenmaal hij op snelheid lag, niet te achterhalen was, de allure van linksachter Ruud Krol die elegantie koppelde aan kracht, de onverzettelijkheid van middenvelder Johan Neeskens die even goed kon tackelen als scoren: Ajax vloeide echt als een ketting in elkaar. En in doel stond de betrouwbare Heinz Stuy, de enige niet-international van het gezelschap, al zat hij bij Oranje wel een keer of 35 op de bank. Door de internationale successen voegde Ajax veel toe aan de stad Amsterdam. Het bekoorde heel Nederland. Tijdens de Europese wedstrijden, die door de televisie rechtstreeks werden uitgezonden, waren de straten niet alleen in Amsterdam zo goed als leeg. Ook na het vertrek van Michels, medio 1971, bleven de successen van Ajax duren. Het won in 1972 en 1973 weer de Europacup voor Landskampioenen, in de finale werden respectievelijk Inter en Juventus verslagen. De vaderlijke Roemeen Stefan Kovács was de opvolger van Michels. Hij gaf de ploeg meer vrijheid en speelde in op sentimenten. Het voetbal van Ajax werd nog beter, er werd met nog meer flair, bluf en branie gevoetbald. Het vertrek van Michels had voor velen een bevrijdend effect, al was het fundament onder hem gelegd. Medio 1973 was het over. Toen Ajax zich op het seizoen 1973/74 voorbereidde werd er in het hotel in Bloemendaal gestemd wie de nieuwe aanvoerder moest worden. Tot verbazing van Johan Cruijff was dat niet hij. Hij stapte naar de receptie, pakte de enige telefoon die in het hotel was ter hand en belde zijn schoonvader, de illustere Cor Coster die zijn zaken behartigde, met de woorden: 'Je kan ze bellen.' Een paar weken later speelde Cruijff voor Barcelona. Die stemming typeerde de tweespalt die er toen in de groep zat. Stefan Kovács had de bui voelen hangen en was vertrokken. De Nederlander George Knobel, succesrijk geweest bij het regionale MVV, werd zijn opvolger. Hij werd negen maanden later ontslagen. Er was een ander tijdperk begonnen.