Mooi is het telkens weer om voor een wedstrijd te kijken naar de opwarming van Ajax. Haast stuk voor stuk showen de voetballers hun technische kwaliteiten. Het lijken haast kunstenaars. De balbehandeling, het snel doorspelen, de bal doodmaken, hier en daar een persoonlijk nummertje, het plezier spat ervan af. Telkens weer kijk je naar voetballers die opgeleid zijn in de hogeschool van de techniek. Ze verpersoonlijken de cultuur van Ajax.

Voetbal als kunstvorm. Ajax showde het vorige week in een hemelse wedstrijd op het veld van Real Madrid. Met 1-4 werd de winnaar van de Champions League uit het toernooi gekegeld. De eindstand was niet eens overdreven. Een bevestiging van de Ajaxfilosofie, werd die wedstrijd achteraf genoemd.

Bluf, flair en branie, het hoort bij Ajax. Zo was het al toen de club tussen 1971 en 1973 drie keer op rij de Europabeker voor Landskampioenen won, de voorloper van de Champions League. Rinus Michels was toen de trainer, Johan Cruijff de bezieler van het spel. Een magiër en denker in één persoon. Onder zijn regie speelde Ajax memorabele matchen. Zoals de partij tegen Bayern München bijvoorbeeld, op 7 maart 1973 in het Olympisch Stadion van Amsterdam, voor de kwartfinales van die Europacup I. Het werd 4-0. Volgens velen een van de beste wedstrijden die Ajax ooit speelde. Maar die van vorige week in het magische Bernabéustadion komt dicht in de buurt. Ajax bracht daarmee een eerbetoon aan Johan Cruijff. Hij was altijd al een pleitbezorger van artistiek voetbal. Ajax brengt nu een moderne versie van de Cruijffideeën. Het frivole karakter van Amsterdam weerspiegelt zich in het spel van de club.

Ajax bracht in Madrid een eerbetoon aan Johan Cruijff.

EIGENWIJS

Niemand bepaalde het gezicht van Ajax zo als Johan Cruijff. Het stadion draagt zijn naam en zijn geest dwaalt nog altijd door de club. Wanneer Cruijff op 15 november 1964 op zeventienjarige leeftijd in het Oosterpark van Groningen, in een wedstrijd tegen GVAV, debuteert, weten de toeschouwers niet dat ze getuige zullen zijn van een legendarische match. Want vooraf is er helemaal niets bekend van het spichtige ventje dat door een aantal blessures zijn opwachting zal maken in het eerste elftal. In de ploegopstelling in het programmaboekje wordt hij trouwens De Kruijff genoemd, zijn naam herbergt dus twee spelfouten. Drie kranten slagen er vervolgens in zijn naam op drie verschillende manieren te schrijven.

Bescheiden was Johan Cruijff, opgegroeid in de roerige jaren 60, toen al niet. Hij keek niet op tegen zijn ploegmaats, was soms rebels en voerde altijd het hoge woord. En hij dacht dat hij overal verstand van had. Dan ging hij zijn ploegmaat Bennie Muller uitleggen hoe die moest biljarten, terwijl die daar meer van wist dan hij.

Dat eigenwijze kenmerkte Johan Cruijff heel zijn carrière. Je vroeg hem bijvoorbeeld hoe de economische crisis moest opgelost worden en hij had het recept klaar. Cruijff wist al heel vroeg wat hij kon. Toen hij op zijn achttiende een vierjarig profcontract aangeboden kreeg, verscheurde hij die overeenkomst. Bij een volgende bespreking met het bestuur vroeg hij vier keer dat salaris. De memorabele voorzitter Jaap van Praag ging er meteen op in. Hij heeft het zich niet beklaagd.

Wie in het begin van de jaren 70 naar wedstrijden van Ajax ging kijken, waande zich in een voetbaltheater waarin kunstenaars optraden. Ajax speelde toen in stadion De Meer, dat 30.000 plaatsen telde. Vreemd genoeg liep dat niet voor iedere match vol. Voor de Europese confrontaties werd uitgeweken naar het Olympisch Stadion. Opmerkelijk ook dat Ajax in zijn gloriejaren met slechts één buitenlander aantrad. Eerst was dat de Joegoslavische centrale verdediger VeliborVasovic, die na zijn vertrek werd vervangen door de Duitser Horst Blankenburg. Steeds weer werd de kaart van de jeugd getrokken.

Hakim Ziyech is bij Ajax misschien wel de meest technisch begaafde speler., BELGAIMAGE
Hakim Ziyech is bij Ajax misschien wel de meest technisch begaafde speler. © BELGAIMAGE

ONVOLTOOIDE SYMFONIE

De kweekvijver was altijd groot dankzij het befaamde opleidingscentrum. In het midden van de jaren 80 kwamen onder Cruijff als technisch directeur grote talenten aan de oppervlakte, zoals Marco van Basten en Frank Rijkaard. Dat duo werd, samen met Ruud Gullit, in de zomer van 1987 naar de Serie A gelokt door Silvio Berlusconi, de eigenaar van AC Milan. Ook Ronald Koeman, die via PSV later ook nog furore maakte bij Barcelona, stroomde door. Net zoals de sierlijke Gerald Vanenburg, nog een voetballer naar het beeld van Ajax: toen hij op zijn achttiende debuteerde, waren de kenners lyrisch. Zo creatief, zo speels, zo technisch volmaakt. Maar zijn ontwikkeling zou stagneren, zijn carrière werd een onvoltooide symfonie. Nochtans had Cruijff zijn bedenkingen bij de jeugdopleiding van Ajax. Hij zag te veel éénbenige voetballers die nauwelijks wisten hoe ze hun andere been moesten gebruiken.

In mei 1987 veroverde Ajax, met Cruijff als gids voor voetballend Nederland, de toenmalige Europacup II, de Beker voor Bekerwinnaars, door in Athene via een goal van Marco van Basten met 1-0 te winnen van het Oost-Duitse Lokomotive Leipzig. De basisploeg bestond met StanleyMenzo, SonnySilooy, FrankVerlaat, Frank Rijkaard, Peter Boeve, AronWinter, JanWouters, ArnoldMühren, Rob Witschge, Johnvan 't Schip en Marco van Basten uit veelal zelf geboetseerde toptalenten.

Maar creativiteit en verzorgd technisch voetbal in een 4-3-3-veldbezetting, met het maximaal benutten van de acties via de snelle en explosieve buitenspelers, stond altijd voorop in de Ajaxvisie. De club bleef het labo van Cruijffs gedachten: de jeugd op een geheel andere manier trainen. Zoals: kleine partijtjes met meer balcontacten en meer doelpunten, spelen in de zaal en op beton, voor een betere balbehandeling en stimulering van het individu. Straatvoetballers, die sterk waren op de korte ruimte en sneller dachten dan de tegenstanders: dat jongensachtige spel stond voorop.

BOVENGRENS

Johan Cruijff was het ook die in 2012 voor een andere ommekeer zorgde. Volgens hem moest de club zich spiegelen aan Bayern München. Nadat de Duitsers jarenlang in de Ajaxkeuken hadden gekeken, was het nu tijd om de rollen om te draaien. Het viel Cruijff op hoe voetballers bij Bayern naar buiten altijd één front vormden. Dennis Bergkamp en Wim Jonk moesten de Hoeness en Rummenigge van Ajax worden, maar ze vertrokken al snel met ruzie. Bepalend werden uiteindelijk Edwin van der Sar en Marc Overmars die naarmate prijzen uitbleven steeds verder afstand namen van de filosofie van Cruijff. Lang was 5 miljoen euro de bovengrens als het ging om een nieuwe speler aan te trekken. Nu gaat de club allang een hele stap verder.

Als opleidingsfabriek is Ajax voor veel clubs een model.

Verhalen dat de overwinning van Ajax op Real Madrid een zege is van de filosofie op het grootkapitaal, moeten dan ook enigszins worden genuanceerd. In Amsterdam schrikken ze er niet voor terug om behoorlijk wat geld op tafel te leggen voor een prof met groei en doorverkooppotentieel. Zo betaalde Ajax 9 miljoen euro voor verdediger Lisandro Magallán die werd losgeweekt bij Boca Juniors. De Braziliaanse rechtsbuiten David Neres kwam in januari 2017 voor 12 miljoen euro over van FC São Paulo. De duurste investering in de clubgeschiedenis na Miralem Sulejmani (Heerenveen, 16,25 miljoen euro, juli 2008) en Daley Blind (Manchester United, 16 miljoen euro, juli 2018). Tegenwoordig wordt de marktwaarde van de explosieve en onvoorspelbare dribbelaar al geschat op minimaal 25 miljoen euro. Spelers met winst doorverkopen, ook dat hoort bij Ajax. In juli 2016 kwam de Colombiaanse rots Davinson Sánchez voor 5 miljoen euro over van Atlético Nacional. Hij versierde één jaar later al een mooie lucratieve transfer naar de Premier League. Tottenham betaalde voor de fysiek sterke Zuid-Amerikaan 40 miljoen euro.

Dusan Tadic was in de Champions League de absolute uitblinker tegen Real Madrid., GETTY IMAGES
Dusan Tadic was in de Champions League de absolute uitblinker tegen Real Madrid. © GETTY IMAGES

SIERADEN

Door de jaren heen moet Ajax frapperen door zijn manier van voetballen, door een eigen spelstijl en door een beleidsplan waarin het doorstromen van jeugd een prioriteit is. Wat dat betreft is Ajax als opleidingsfabriek voor veel clubs een model. Ook voor Anderlecht, dat de jeugd wil laten doorstromen. In Amsterdam zien ze graag artiesten met flair, zoals Hakim Ziyech, de Marokkaanse vedette en het creatieve brein van de huidige ploeg. Op papier is Ziyech vaak rechtsbuiten, maar in werkelijkheid snijdt hij voortdurend naar binnen en fungeert hij als een soort spelmaker. Voetballers met een artistieke toets, cultfiguren die geen jongens zijn die de mouwen moeten opstropen maar kunnen terugvallen op hun flair en bravoure, zo wil het publiek het zien. Frenkie de Jong is tegenwoordig zo'n jonge groeibriljant. Hij staat symbool voor de nieuwe tijden: het moet vooruit, met fris en onbevangen spel. Zijn spel heeft iets Cruijffiaans. Het 21-jarige talent, dat intussen tekende voor Barcelona, kreeg dit seizoen van trainer Erik ten Hag een vrije rol op het middenveld en is uitgegroeid tot een wereldvoetballer. Met de begeerde verdediger Matthijs de Ligt, die op zijn negentiende al de aanvoerdersband draagt, heeft Ajax nog meer weelde. En vooraan is er de in Madrid weergaloze Dusan Tadic. Het is voor Ajax haast onmogelijk om al die sieraden verder aan zich te binden.

Voor het eerst sinds 2005 maakte Ajax weer deel uit van de laatste zestien in de Champions League. Intussen staat het in de kwartfinales. En weer was het Johan Cruijff die zijn stempel drukte. Na een hevige en in de media breed uitgesmeerde interne machtsstrijd werd zijn filosofie over opleiden en besturen uiteindelijk toch weer omarmd. Jeugd stroomde opnieuw door, Frank de Boer won als coach van 2011 tot 2014 vier titels, maar miste een uitschieter in de Champions League. Hij zag elk jaar zijn beste voetballers vertrekken, maar handhaafde zich met nieuwe talenten op het nationale niveau en overwinterde standaard in de Europa League. Vlak voor zijn dood eind 2015 trok Cruijff zijn handen af van Ajax. Ook de trainer, de stabiele factor in het financiële en sportieve herstel, vertrok na dat seizoen. Twee 'buitenstaanders' boekten sindsdien de grootste recente successen. Peter Bosz, toch vooral een symbool van Feyenoord, maar iemand die toegaf dat hij vaak als speler op vrije zondagen naar trainingen van Cruijff in De Meer ging kijken, bereikte in 2017 de finale van de Europa League. Die werd in Solna met 0-2 verloren van Manchester United. En nu wordt er onder Erik ten Hag, afkomstig uit Enschede, opnieuw uitgepakt met bluf en branie. Hij had een halfjaar nodig om het team naar zijn hand te zetten, omdat de clubleiding na vier gemiste titels pas afgelopen zomer begreep dat talent wat ervaring (Blind en Tadic) nodig heeft om verder te ontluiken. In die zin is het beleid toch enigszins bijgestuurd: met alleen jonge spelers kun je internationaal niet succesrijk zijn.

ALLES GEVEN

Die switch in denken moest worden gemaakt, zonder de identiteit te verloochenen. Zo speelt Ajax nu weer een rol in Europa. Ook onder de tactisch sterke Erik ten Hag wordt er ver van de goal gevoetbald, maar kan de ploeg ook tactisch variëren. Het is een groeiproces dat nog lang niet ten einde is. En dat ook al een terugval kende, Ajax stapte heel moeizaam 2019 binnen. Er was sprake van eens schrikbarend verval. De scherpte en de frisheid ontbrak. Ajax werd op alle vlakken afgetroefd. De smadelijke 6-2-nederlaag op Feyenoord was wat dat betreft een absoluut dieptepunt.

Maar het kan dus ook anders. Zoals in Madrid. Waar Ajax zich presenteerde als een formatie waarin voetballers elkaar sterker en beter maken, voetballers die voor elkaar willen werken en die niet alleen met maar ook zonder de bal alles geven. Niet los van elkaar, strijdend voor de eigen eer, maar met elkaar. Als team aanvallen. Als team omschakelen. Als team verdedigen.

Op een heel volwassen manier gaat Erik ten Hag, op wie vorig seizoen veelvuldig geschoten werd, met deze groep om: hij vraagt om feedback, kijkt samen naar verbeterpunten en neemt de spelers mee in zijn visie. En hij wil vooral de grillen uit het spel bannen. Dat is in de eigen competitie geen gemakkelijke opgave in een club waarin de leegloop dreigt. Heel anders is het daarentegen als de ploeg zich kan wentelen in de internationale spots.

Straffer dan de ploeg van 1995?

Voor, maar zeker ook na de sensationele 1-4-zege van Ajax op het veld van Real Madrid, werden vergelijkingen gemaakt met de ploeg van 1995. Een bende jonkies onder leiding van Louis van Gaal die in dat fameuze jaar eerst de Champions League won, met 1-0 tegen AC Milan, en enkele maanden later in de CL-groepsfase van het nieuwe seizoen met 0-2 ging winnen in Bernabéu. Een van de beste matchen ooit in de clubgeschiedenis, zo werd sindsdien getoeterd. Niet in het minst omdat Ajax toen, op 22 november 1995, een staande ovatie kreeg van het Realpubliek. Toenmalig aanvoerder Danny Blind vond dat eerbetoon niet meer dan terecht. 'Het had 0-5 kunnen zijn, maar 0-2 was ook al mooi', vertelde hij later op Ajax TV. Dat klopt: twee geldige goals werden afgekeurd of niet toegekend, een vrije trap van Jari Litmanen en een lob van Patrick Kluivert. Die laatste miste ook nog enkele opgelegde kansen. Beide protagonisten haalden wel hun gram door in de tweede helft alsnog te scoren: 0-2.

Qua gemiddelde leeftijd liggen beide generaties dicht bij elkaar: de basiself van 1995 was 23,6 jaar, die van 2019 gemiddeld 24,2. Ondanks de gelijkaardige filosofie, uitgaande van balbezit en aanvalsdrift, zit het grote verschil tussen beide ploegen vooral in de tactiek. Real werd in 1995 ingeblikt met snelheid over de flanken: Finidi George en Marc Overmars gingen keer op keer over hun tegenstander. Met Kluivert stond er een echte centrumspits op de doorsteekpassjes of voorzetten te wachten. Achterin werd geopteerd voor een driemansdefensie ( Reiziger, Blind, Bogarde) met Edgar Davids die vanuit het middenveld steun verleende. Door een blessure voor Frank de Boer mocht de 18-jarige Kiki Musampa zijn debuut maken. Niet zo lastig, zou hij later terugblikken: 'Het was een geoliede machine, als debutant draaide je daar gewoon in mee.'

Het Ajax van Erik ten Hag bekampte Real met een viermansdefensie en meer vanuit de combinatie door het centrum, met Dusan Tadic in een uitblinkersrol als valse 9. Dat is dan wel weer zoals Ajax in 1995 de CL-finale won van Milan: toen met Ronald de Boer als valse 9 en Litmanen in de rol die HakimZiyech nu vertolkte als rechtsbuiten met de vrijheid om te zwerven. David Neres zorgde op de linkerflank voor dribbels en snelheid, net zoals Overmars destijds. Die ploeg van de CL-finale was trouwens wél ouder (gemiddeld 24,8 jaar) dan deze van nu: vooral te verklaren door de aanwezigheid van Frank Rijkaard (32), die een paar weken later op pensioen ging. Nog een verschil is het aantal buitenlanders. Zowel in de CL-finale tegen Milan als enkele maanden later tegen Real trad Ajax met liefst negen Nederlanders aan. Nu waren dat er 'slechts' vijf.

Als het gaat om de manier waarop ze Real versloegen, zijn beide generaties aan elkaar gewaagd, maar als we kijken naar het palmares bestaat er geen vergelijk. Voorlopig althans. In 1995 won Ajax de landstitel en de Champions League, zonder één nederlaag te lijden. Dat laatste kan niet meer, de dubbel of zelfs de triple kan wel nog, als het ook de KNVB Beker wint. Dromen mag.

Mooi is het telkens weer om voor een wedstrijd te kijken naar de opwarming van Ajax. Haast stuk voor stuk showen de voetballers hun technische kwaliteiten. Het lijken haast kunstenaars. De balbehandeling, het snel doorspelen, de bal doodmaken, hier en daar een persoonlijk nummertje, het plezier spat ervan af. Telkens weer kijk je naar voetballers die opgeleid zijn in de hogeschool van de techniek. Ze verpersoonlijken de cultuur van Ajax. Voetbal als kunstvorm. Ajax showde het vorige week in een hemelse wedstrijd op het veld van Real Madrid. Met 1-4 werd de winnaar van de Champions League uit het toernooi gekegeld. De eindstand was niet eens overdreven. Een bevestiging van de Ajaxfilosofie, werd die wedstrijd achteraf genoemd. Bluf, flair en branie, het hoort bij Ajax. Zo was het al toen de club tussen 1971 en 1973 drie keer op rij de Europabeker voor Landskampioenen won, de voorloper van de Champions League. Rinus Michels was toen de trainer, Johan Cruijff de bezieler van het spel. Een magiër en denker in één persoon. Onder zijn regie speelde Ajax memorabele matchen. Zoals de partij tegen Bayern München bijvoorbeeld, op 7 maart 1973 in het Olympisch Stadion van Amsterdam, voor de kwartfinales van die Europacup I. Het werd 4-0. Volgens velen een van de beste wedstrijden die Ajax ooit speelde. Maar die van vorige week in het magische Bernabéustadion komt dicht in de buurt. Ajax bracht daarmee een eerbetoon aan Johan Cruijff. Hij was altijd al een pleitbezorger van artistiek voetbal. Ajax brengt nu een moderne versie van de Cruijffideeën. Het frivole karakter van Amsterdam weerspiegelt zich in het spel van de club. Niemand bepaalde het gezicht van Ajax zo als Johan Cruijff. Het stadion draagt zijn naam en zijn geest dwaalt nog altijd door de club. Wanneer Cruijff op 15 november 1964 op zeventienjarige leeftijd in het Oosterpark van Groningen, in een wedstrijd tegen GVAV, debuteert, weten de toeschouwers niet dat ze getuige zullen zijn van een legendarische match. Want vooraf is er helemaal niets bekend van het spichtige ventje dat door een aantal blessures zijn opwachting zal maken in het eerste elftal. In de ploegopstelling in het programmaboekje wordt hij trouwens De Kruijff genoemd, zijn naam herbergt dus twee spelfouten. Drie kranten slagen er vervolgens in zijn naam op drie verschillende manieren te schrijven. Bescheiden was Johan Cruijff, opgegroeid in de roerige jaren 60, toen al niet. Hij keek niet op tegen zijn ploegmaats, was soms rebels en voerde altijd het hoge woord. En hij dacht dat hij overal verstand van had. Dan ging hij zijn ploegmaat Bennie Muller uitleggen hoe die moest biljarten, terwijl die daar meer van wist dan hij. Dat eigenwijze kenmerkte Johan Cruijff heel zijn carrière. Je vroeg hem bijvoorbeeld hoe de economische crisis moest opgelost worden en hij had het recept klaar. Cruijff wist al heel vroeg wat hij kon. Toen hij op zijn achttiende een vierjarig profcontract aangeboden kreeg, verscheurde hij die overeenkomst. Bij een volgende bespreking met het bestuur vroeg hij vier keer dat salaris. De memorabele voorzitter Jaap van Praag ging er meteen op in. Hij heeft het zich niet beklaagd. Wie in het begin van de jaren 70 naar wedstrijden van Ajax ging kijken, waande zich in een voetbaltheater waarin kunstenaars optraden. Ajax speelde toen in stadion De Meer, dat 30.000 plaatsen telde. Vreemd genoeg liep dat niet voor iedere match vol. Voor de Europese confrontaties werd uitgeweken naar het Olympisch Stadion. Opmerkelijk ook dat Ajax in zijn gloriejaren met slechts één buitenlander aantrad. Eerst was dat de Joegoslavische centrale verdediger VeliborVasovic, die na zijn vertrek werd vervangen door de Duitser Horst Blankenburg. Steeds weer werd de kaart van de jeugd getrokken. De kweekvijver was altijd groot dankzij het befaamde opleidingscentrum. In het midden van de jaren 80 kwamen onder Cruijff als technisch directeur grote talenten aan de oppervlakte, zoals Marco van Basten en Frank Rijkaard. Dat duo werd, samen met Ruud Gullit, in de zomer van 1987 naar de Serie A gelokt door Silvio Berlusconi, de eigenaar van AC Milan. Ook Ronald Koeman, die via PSV later ook nog furore maakte bij Barcelona, stroomde door. Net zoals de sierlijke Gerald Vanenburg, nog een voetballer naar het beeld van Ajax: toen hij op zijn achttiende debuteerde, waren de kenners lyrisch. Zo creatief, zo speels, zo technisch volmaakt. Maar zijn ontwikkeling zou stagneren, zijn carrière werd een onvoltooide symfonie. Nochtans had Cruijff zijn bedenkingen bij de jeugdopleiding van Ajax. Hij zag te veel éénbenige voetballers die nauwelijks wisten hoe ze hun andere been moesten gebruiken. In mei 1987 veroverde Ajax, met Cruijff als gids voor voetballend Nederland, de toenmalige Europacup II, de Beker voor Bekerwinnaars, door in Athene via een goal van Marco van Basten met 1-0 te winnen van het Oost-Duitse Lokomotive Leipzig. De basisploeg bestond met StanleyMenzo, SonnySilooy, FrankVerlaat, Frank Rijkaard, Peter Boeve, AronWinter, JanWouters, ArnoldMühren, Rob Witschge, Johnvan 't Schip en Marco van Basten uit veelal zelf geboetseerde toptalenten. Maar creativiteit en verzorgd technisch voetbal in een 4-3-3-veldbezetting, met het maximaal benutten van de acties via de snelle en explosieve buitenspelers, stond altijd voorop in de Ajaxvisie. De club bleef het labo van Cruijffs gedachten: de jeugd op een geheel andere manier trainen. Zoals: kleine partijtjes met meer balcontacten en meer doelpunten, spelen in de zaal en op beton, voor een betere balbehandeling en stimulering van het individu. Straatvoetballers, die sterk waren op de korte ruimte en sneller dachten dan de tegenstanders: dat jongensachtige spel stond voorop. Johan Cruijff was het ook die in 2012 voor een andere ommekeer zorgde. Volgens hem moest de club zich spiegelen aan Bayern München. Nadat de Duitsers jarenlang in de Ajaxkeuken hadden gekeken, was het nu tijd om de rollen om te draaien. Het viel Cruijff op hoe voetballers bij Bayern naar buiten altijd één front vormden. Dennis Bergkamp en Wim Jonk moesten de Hoeness en Rummenigge van Ajax worden, maar ze vertrokken al snel met ruzie. Bepalend werden uiteindelijk Edwin van der Sar en Marc Overmars die naarmate prijzen uitbleven steeds verder afstand namen van de filosofie van Cruijff. Lang was 5 miljoen euro de bovengrens als het ging om een nieuwe speler aan te trekken. Nu gaat de club allang een hele stap verder. Verhalen dat de overwinning van Ajax op Real Madrid een zege is van de filosofie op het grootkapitaal, moeten dan ook enigszins worden genuanceerd. In Amsterdam schrikken ze er niet voor terug om behoorlijk wat geld op tafel te leggen voor een prof met groei en doorverkooppotentieel. Zo betaalde Ajax 9 miljoen euro voor verdediger Lisandro Magallán die werd losgeweekt bij Boca Juniors. De Braziliaanse rechtsbuiten David Neres kwam in januari 2017 voor 12 miljoen euro over van FC São Paulo. De duurste investering in de clubgeschiedenis na Miralem Sulejmani (Heerenveen, 16,25 miljoen euro, juli 2008) en Daley Blind (Manchester United, 16 miljoen euro, juli 2018). Tegenwoordig wordt de marktwaarde van de explosieve en onvoorspelbare dribbelaar al geschat op minimaal 25 miljoen euro. Spelers met winst doorverkopen, ook dat hoort bij Ajax. In juli 2016 kwam de Colombiaanse rots Davinson Sánchez voor 5 miljoen euro over van Atlético Nacional. Hij versierde één jaar later al een mooie lucratieve transfer naar de Premier League. Tottenham betaalde voor de fysiek sterke Zuid-Amerikaan 40 miljoen euro. Door de jaren heen moet Ajax frapperen door zijn manier van voetballen, door een eigen spelstijl en door een beleidsplan waarin het doorstromen van jeugd een prioriteit is. Wat dat betreft is Ajax als opleidingsfabriek voor veel clubs een model. Ook voor Anderlecht, dat de jeugd wil laten doorstromen. In Amsterdam zien ze graag artiesten met flair, zoals Hakim Ziyech, de Marokkaanse vedette en het creatieve brein van de huidige ploeg. Op papier is Ziyech vaak rechtsbuiten, maar in werkelijkheid snijdt hij voortdurend naar binnen en fungeert hij als een soort spelmaker. Voetballers met een artistieke toets, cultfiguren die geen jongens zijn die de mouwen moeten opstropen maar kunnen terugvallen op hun flair en bravoure, zo wil het publiek het zien. Frenkie de Jong is tegenwoordig zo'n jonge groeibriljant. Hij staat symbool voor de nieuwe tijden: het moet vooruit, met fris en onbevangen spel. Zijn spel heeft iets Cruijffiaans. Het 21-jarige talent, dat intussen tekende voor Barcelona, kreeg dit seizoen van trainer Erik ten Hag een vrije rol op het middenveld en is uitgegroeid tot een wereldvoetballer. Met de begeerde verdediger Matthijs de Ligt, die op zijn negentiende al de aanvoerdersband draagt, heeft Ajax nog meer weelde. En vooraan is er de in Madrid weergaloze Dusan Tadic. Het is voor Ajax haast onmogelijk om al die sieraden verder aan zich te binden. Voor het eerst sinds 2005 maakte Ajax weer deel uit van de laatste zestien in de Champions League. Intussen staat het in de kwartfinales. En weer was het Johan Cruijff die zijn stempel drukte. Na een hevige en in de media breed uitgesmeerde interne machtsstrijd werd zijn filosofie over opleiden en besturen uiteindelijk toch weer omarmd. Jeugd stroomde opnieuw door, Frank de Boer won als coach van 2011 tot 2014 vier titels, maar miste een uitschieter in de Champions League. Hij zag elk jaar zijn beste voetballers vertrekken, maar handhaafde zich met nieuwe talenten op het nationale niveau en overwinterde standaard in de Europa League. Vlak voor zijn dood eind 2015 trok Cruijff zijn handen af van Ajax. Ook de trainer, de stabiele factor in het financiële en sportieve herstel, vertrok na dat seizoen. Twee 'buitenstaanders' boekten sindsdien de grootste recente successen. Peter Bosz, toch vooral een symbool van Feyenoord, maar iemand die toegaf dat hij vaak als speler op vrije zondagen naar trainingen van Cruijff in De Meer ging kijken, bereikte in 2017 de finale van de Europa League. Die werd in Solna met 0-2 verloren van Manchester United. En nu wordt er onder Erik ten Hag, afkomstig uit Enschede, opnieuw uitgepakt met bluf en branie. Hij had een halfjaar nodig om het team naar zijn hand te zetten, omdat de clubleiding na vier gemiste titels pas afgelopen zomer begreep dat talent wat ervaring (Blind en Tadic) nodig heeft om verder te ontluiken. In die zin is het beleid toch enigszins bijgestuurd: met alleen jonge spelers kun je internationaal niet succesrijk zijn. Die switch in denken moest worden gemaakt, zonder de identiteit te verloochenen. Zo speelt Ajax nu weer een rol in Europa. Ook onder de tactisch sterke Erik ten Hag wordt er ver van de goal gevoetbald, maar kan de ploeg ook tactisch variëren. Het is een groeiproces dat nog lang niet ten einde is. En dat ook al een terugval kende, Ajax stapte heel moeizaam 2019 binnen. Er was sprake van eens schrikbarend verval. De scherpte en de frisheid ontbrak. Ajax werd op alle vlakken afgetroefd. De smadelijke 6-2-nederlaag op Feyenoord was wat dat betreft een absoluut dieptepunt. Maar het kan dus ook anders. Zoals in Madrid. Waar Ajax zich presenteerde als een formatie waarin voetballers elkaar sterker en beter maken, voetballers die voor elkaar willen werken en die niet alleen met maar ook zonder de bal alles geven. Niet los van elkaar, strijdend voor de eigen eer, maar met elkaar. Als team aanvallen. Als team omschakelen. Als team verdedigen. Op een heel volwassen manier gaat Erik ten Hag, op wie vorig seizoen veelvuldig geschoten werd, met deze groep om: hij vraagt om feedback, kijkt samen naar verbeterpunten en neemt de spelers mee in zijn visie. En hij wil vooral de grillen uit het spel bannen. Dat is in de eigen competitie geen gemakkelijke opgave in een club waarin de leegloop dreigt. Heel anders is het daarentegen als de ploeg zich kan wentelen in de internationale spots.