De thriller van vorige zomer ging door op de avond van 7 juli. Op het programma stond een ouderwetse derby tussen Italië en Spanje. Een tactisch steekspel met in de hoofdrollen de pragmatische Roberto Mancini en de romantische Luis Enrique. Ondanks een enorm Spaans overwicht scoorde Federico Chiesa de eerste treffer, heel laat gevolgd door eentje van Alvaro Morata waardoor er 120 minuten gespeeld moesten worden.

Op dat moment kiest de regisseur om een kijkje te nemen in het publiek. En daar, te midden van een zee Spaanse kleuren, zien we een Algerijnse vlag. En het beeld met de trotse Algerijnen blijft terugkeren, tot groot jolijt van de andere toeschouwers. Het is een zicht dat ieder weekend in elk werelddeel voorkomt: een Algerijnse vlag in een voetbalstadion. Maar de running gag verhult eigenlijk een veel complexer fenomeen.

Algerije is nog een erg jonge natie dat dit jaar zijn 60ste verjaardag viert. Toch staat het land al stevig verankerd op de wereldwijde kaart van het voetbal. De briljante hak van Rabah Madjer in de CL-finale van 1987 zorgde er bijvoorbeeld voor dat het technisch hoogstandje in veel landen zijn naam ging dragen. Zonder de 'prachtige nederlagen' op de WK's van 1982 en 2014 niet te vergeten. Enkele momenten van trots voor het volk van het Noord-Afrikaanse land.

Algerije, Maghreb, Afrika

Achter de trots en het ego zit liefde verborgen. Voetbal is namelijk niet alleen ontspannend voor de Algerijnen, het is ook een integraal deel van hun politieke geschiedenis. Vaak gekleineerd door de grote voetbalautoriteiten en landen, is elk uitje bijna een kruistocht voor de selectie die het land, de Maghreb en Afrika naar de buitenwereld brengt. Het nationaal team is dan ook een constante factor in de strijd voor een vrij Algerije. Ze bracht kracht en hoop aan een volk en was onlosmakelijk verbonden met de harde strijd om onafhankelijkheid.

Nog lang voor er een nationaal team was, stond voetbal al op de Algerijnse kaart als het symbool van de nationalistische ambities in het land. Eerst had je de oprichting van een islamitische club tijdens de Franse kolonisatie, vooral na 1945. In het begin stoorde het nauwelijks de koloniale bezetter dat in de beweging vooral een afleiding zag voor de religieuze en raciale conflicten in het land. Maar helaas liepen de wedstrijden tussen Algerijnse en Europese teams vaker wel dan niet uit op een bokswedstrijd.

null, GETTY
null © GETTY

Algerijnen keren terug

April 1958 is zonder twijfel een keerpunt voor het belang van voetbal in de strijd om onafhankelijkheid. Uit pure nationalistische bewegingen trokken tien professionele Algerijnse spelers die in Frankrijk aan de bak kwamen, terug naar het vaderland. Ze hadden maar één idee in het hoofd: de eerste nationale ploeg van Algerije in het leven roepen, genoemd FLN (Front de Libération Nationale) en met een basis in het Tunesische Tunis.

Het gaat om een beweging met een ongekende omvang. Men spreekt van meerdere spelers in Frankrijk die komaf maakten met alles wat ze hadden bereikt om die eerste nationale ploeg te stichten terwijl het land nog betutteld wordt door de Fransen. Twee van hen hadden zelfs al voor Frankrijk gespeeld: Mustafa Zitouni, wie de grote Alfredo Di Stefano maar al te graag bij Real Madrid had zien spelen, en Rachid Mekhloufi, een uitstekende speler van AS Saint-Etienne.

Hoewel de vergelijking een beetje van de put is gerukt door de politieke context, moet u zich het volgende eens voorstellen. Topspelers Thomas Lemar, Alexander Lacazette en Kingsley Coman verlaten de Franse nationale ploeg en gaan spelen voor Guadeloupe. Ondenkbaar nu.

Rachid Mekhloufi, iStock
Rachid Mekhloufi © iStock

Later omgedoopt tot Equipe d'Algérie Indépendante, begint de groep van Mokhtar Aribi, voormalig coach van Avignon, aan een Tunesische tour waarbij ze alle lokale formaties verslaan. Maar al snel nemen de politieke doelen weer de overhand. Uiteindelijk is sport een pijl in dienst van de nationalistische boog.

Het verklaart waarom de Algerijnse ploeg, ook nu nog, een van de meest gesteunde teams van de wereld is. Het voetbal symboliseert de moeilijke periode waar het land door is gegaan. De Algerijnen zien in de ploeg nog steeds het bloed, zweet en tranen die de onafhankelijkheidsstrijders hebben gelaten voor het land. Zo dragen bijna alle stadions in Algerije een naam van iemand die meedeed in de oorlog.

Gepest door de FIFA

Het 'elftal van de onafhankelijkheid', zoals velen de ploeg gingen noemen, wilde het buitenland veroveren om de wereld te laten proeven van de Algerijnse onafhankelijkheid. Maar Frankrijk besloot spaken in de wielen te steken van de beweging die volgens hen veel te groot was geworden. De Franse voetbalbond oefende zo druk uit op de FIFA om elke selectie die tegen Algerije zou spelen voor twee jaar uit alle competities te weren. En hoewel de Franse vraag rook naar corruptie, ging de FIFA er gewoon mee akkoord.

Maar de dreigementen van de voetbalbond zouden geen gehoor krijgen. Verschillende landen die de Algerijnse zaak genegen waren, luisterden niet naar de FIFA. Beter nog, enkele Franse sterren steunden zelfs publiekelijk enkele van hun ex-medespelers. Denk daarbij bijvoorbeeld aan een Raymond Kopa of Fontaine.

In vergelijking met de echte strijd, is het voetbal maar een voetnoot. Maar toch wonnen de Algerijnen wel 57 keer en werd slechts 12 keer verloren. Zo belangrijk was het niet, maar de mensen zullen nooit vergeten dat als, ondertussen al sinds 1962, mensen trots staan te zwaaien met een Algerijnse vlag, dat voor een deel te danken is aan het gouden nationale team.

Door Valentin Raskin

De thriller van vorige zomer ging door op de avond van 7 juli. Op het programma stond een ouderwetse derby tussen Italië en Spanje. Een tactisch steekspel met in de hoofdrollen de pragmatische Roberto Mancini en de romantische Luis Enrique. Ondanks een enorm Spaans overwicht scoorde Federico Chiesa de eerste treffer, heel laat gevolgd door eentje van Alvaro Morata waardoor er 120 minuten gespeeld moesten worden. Op dat moment kiest de regisseur om een kijkje te nemen in het publiek. En daar, te midden van een zee Spaanse kleuren, zien we een Algerijnse vlag. En het beeld met de trotse Algerijnen blijft terugkeren, tot groot jolijt van de andere toeschouwers. Het is een zicht dat ieder weekend in elk werelddeel voorkomt: een Algerijnse vlag in een voetbalstadion. Maar de running gag verhult eigenlijk een veel complexer fenomeen.Algerije is nog een erg jonge natie dat dit jaar zijn 60ste verjaardag viert. Toch staat het land al stevig verankerd op de wereldwijde kaart van het voetbal. De briljante hak van Rabah Madjer in de CL-finale van 1987 zorgde er bijvoorbeeld voor dat het technisch hoogstandje in veel landen zijn naam ging dragen. Zonder de 'prachtige nederlagen' op de WK's van 1982 en 2014 niet te vergeten. Enkele momenten van trots voor het volk van het Noord-Afrikaanse land.Algerije, Maghreb, AfrikaAchter de trots en het ego zit liefde verborgen. Voetbal is namelijk niet alleen ontspannend voor de Algerijnen, het is ook een integraal deel van hun politieke geschiedenis. Vaak gekleineerd door de grote voetbalautoriteiten en landen, is elk uitje bijna een kruistocht voor de selectie die het land, de Maghreb en Afrika naar de buitenwereld brengt. Het nationaal team is dan ook een constante factor in de strijd voor een vrij Algerije. Ze bracht kracht en hoop aan een volk en was onlosmakelijk verbonden met de harde strijd om onafhankelijkheid. Nog lang voor er een nationaal team was, stond voetbal al op de Algerijnse kaart als het symbool van de nationalistische ambities in het land. Eerst had je de oprichting van een islamitische club tijdens de Franse kolonisatie, vooral na 1945. In het begin stoorde het nauwelijks de koloniale bezetter dat in de beweging vooral een afleiding zag voor de religieuze en raciale conflicten in het land. Maar helaas liepen de wedstrijden tussen Algerijnse en Europese teams vaker wel dan niet uit op een bokswedstrijd. Algerijnen keren terugApril 1958 is zonder twijfel een keerpunt voor het belang van voetbal in de strijd om onafhankelijkheid. Uit pure nationalistische bewegingen trokken tien professionele Algerijnse spelers die in Frankrijk aan de bak kwamen, terug naar het vaderland. Ze hadden maar één idee in het hoofd: de eerste nationale ploeg van Algerije in het leven roepen, genoemd FLN (Front de Libération Nationale) en met een basis in het Tunesische Tunis. Het gaat om een beweging met een ongekende omvang. Men spreekt van meerdere spelers in Frankrijk die komaf maakten met alles wat ze hadden bereikt om die eerste nationale ploeg te stichten terwijl het land nog betutteld wordt door de Fransen. Twee van hen hadden zelfs al voor Frankrijk gespeeld: Mustafa Zitouni, wie de grote Alfredo Di Stefano maar al te graag bij Real Madrid had zien spelen, en Rachid Mekhloufi, een uitstekende speler van AS Saint-Etienne.Hoewel de vergelijking een beetje van de put is gerukt door de politieke context, moet u zich het volgende eens voorstellen. Topspelers Thomas Lemar, Alexander Lacazette en Kingsley Coman verlaten de Franse nationale ploeg en gaan spelen voor Guadeloupe. Ondenkbaar nu.Later omgedoopt tot Equipe d'Algérie Indépendante, begint de groep van Mokhtar Aribi, voormalig coach van Avignon, aan een Tunesische tour waarbij ze alle lokale formaties verslaan. Maar al snel nemen de politieke doelen weer de overhand. Uiteindelijk is sport een pijl in dienst van de nationalistische boog.Het verklaart waarom de Algerijnse ploeg, ook nu nog, een van de meest gesteunde teams van de wereld is. Het voetbal symboliseert de moeilijke periode waar het land door is gegaan. De Algerijnen zien in de ploeg nog steeds het bloed, zweet en tranen die de onafhankelijkheidsstrijders hebben gelaten voor het land. Zo dragen bijna alle stadions in Algerije een naam van iemand die meedeed in de oorlog.Gepest door de FIFAHet 'elftal van de onafhankelijkheid', zoals velen de ploeg gingen noemen, wilde het buitenland veroveren om de wereld te laten proeven van de Algerijnse onafhankelijkheid. Maar Frankrijk besloot spaken in de wielen te steken van de beweging die volgens hen veel te groot was geworden. De Franse voetbalbond oefende zo druk uit op de FIFA om elke selectie die tegen Algerije zou spelen voor twee jaar uit alle competities te weren. En hoewel de Franse vraag rook naar corruptie, ging de FIFA er gewoon mee akkoord. Maar de dreigementen van de voetbalbond zouden geen gehoor krijgen. Verschillende landen die de Algerijnse zaak genegen waren, luisterden niet naar de FIFA. Beter nog, enkele Franse sterren steunden zelfs publiekelijk enkele van hun ex-medespelers. Denk daarbij bijvoorbeeld aan een Raymond Kopa of Fontaine. In vergelijking met de echte strijd, is het voetbal maar een voetnoot. Maar toch wonnen de Algerijnen wel 57 keer en werd slechts 12 keer verloren. Zo belangrijk was het niet, maar de mensen zullen nooit vergeten dat als, ondertussen al sinds 1962, mensen trots staan te zwaaien met een Algerijnse vlag, dat voor een deel te danken is aan het gouden nationale team.Door Valentin Raskin