In 1992-1993 hebben R.Antwerp FC en Standard voor de eerste ronde van de Europabaker half september 1992 allebei een Noord-Ierse tegenstander geloot, respectievelijk Glenavon en FC Portadown. Aanleiding genoeg voor dit blad om een reporter en een fotograaf naar Noord-Ierland te sturen, en een verhaal te maken hoe de clubs daar overleven in een regio die al een paar decennia verdeeld is en vaak opgeschrikt werd door geweld.

Het is op dat moment al een tijdje stil rond het quasi bevroren conflict in de regio rond Belfast, het lijkt dan ook geen spannend verhaal op te leveren. Het meest hilarische moment voor het vertrek is het telefoontje met een plaatselijk journalist, Malcom Brodey van de Belfast Telegraph. De man wordt aangeprezen als de grote kenner van het Noord-Ierse voetbal.

Aan de lijn antwoordt de man, geconfronteerd met het compliment dat we hoorden dat hij de grote specialist is van het Noord-Ierse voetbal, niet gehinderd door enige bescheidenheid: 'Yes, I am!''

Rechtstreekse vluchten naar Belfast zijn er niet. Dan maar naar Dublin in de Ierse Republiek en daar een auto huren om de paar honderd kilometer naar het noorden af te leggen. Moet kunnen.

Maar plots kan een verhaal een andere dimensie krijgen. In dit geval: één die de sportieve waarde van de reportage ver overstijgt.

Onwerkelijke scènes

De dag voor de aankomst in Belfast is na lange tijd stilte plots weer een slachtoffer gevallen, het 3000e in wat toen nog The Troubles heette.

Ineens verandert de sfeer helemaal. Aan de grensovergang in Newry is de spanning te snijden. Er staat een lange file. Plots springen gewapende soldaten tussen de auto's, schichtig om zich heen kijkend, het geweer in de aanslag, en zitten we in een scenario van een slechte film.

Overal geven borden aan dat stilstaan met de wagen en fotograferen verboden is. Terwijl deze beelden net een extra dimensie aan de reportage zouden geven, weten journalist én fotograaf. Spelende kinderen geven het tafereel een onwezenlijk zicht. Blijkbaar is men dit hier gewoon, maar de reacties en de nerveuze gezichten van de militairen maken duidelijk dat dit bittere ernst en géén oefening is.

We rijden voorbij een militair die gehurkt in zijn put op de uitkijk zit, camoeflagekledij aan, het geweer in de aanslag. Naast hem zit een jongetje in een trainingspak. De twee praten met mekaar. Onwerkelijke scènes uit het dagelijkse leven hier. Dit is het beeld dat we zoeken.

We rijden verder, de auto tot buiten gezichtsbereik. De afspraak is: de reporter wacht in de auto, de fotograaf probeert het beeld te maken. Lachend zegt hij: als ik binnen een uur niet terug ben, rij maar door, dan is er iets gebeurd.

Meer dan drie kwartier later keert hij hijgend terug. Hij heeft het beeld, maar veel langer had hij niet moeten wegblijven.

Een uur later rijden we Belfast binnen, op zoek naar ons hotel. Plots vraagt de fotograaf: 'Merk je niets op? In de auto voor ons?'

De auto voor ons is een legertruck met tot de tanden gewapende soldaten. Eén van hen heeft het vizier van zijn machinegeweer op onze auto gericht. We zijn verdacht, één dag na de aanslag in een auto met Ierse nummerplaat in het centrum van Belfast.

De parking van het hotel rijd je niet zomaar op. Die is afgesloten met prikkeldraad, de toegang wordt versperd door politie en security die een toegangsbewijs tot het hotel willen zien. Met de waarschuwing dat dat bij elk bezoek zo zal zijn.

Wel een veilig gevoel, eenmaal binnen.

Bloody bastard

En dan de reportage. Twee amateurclubs waar de meeste spelers nog een fulltime job naast het voetbal hebben en met voetbal zo'n 250 euro per maand verdienen, premies niet inbegrepen. Portadown heeft twee Ieren en vier Schotten in dienst. Drie van de Schotten trainen door de week thuis en worden enkel voor de wedstrijden overgevlogen. Voor Europese wedstrijden betalen de clubs het werkverlet van alle voltijds tewerkgestelde spelers. Bestuursleden die de verplaatsing willen meemaken, betalen de trip uit eigen zak.

Beide clubs, allebei even buiten Belfast gelegen in kleine stadjes op amper een half uur rijden van mekaar, allebei ook met een overwegend protestantse aanhang, hebben maar één fulltime werknemer: de terreinverzorger.

Als ze voor een topmatch 3000 toeschouwers lokken, is het feest. Heel andere koek is dat dan bij dé absolute topclubs van de regio begin jaren '90, het protestantse Linfield FC en Glentoran, ook uit de hoofdstad, en het katholieke Cliftonville. Het eveneens katholieke Derry City, een andere grote naam, uit Londonderry, beschouwd als de club van het verzet tegen de Britse dominantie, speelt al sinds 1985 in de Irish League, de competitie van de Ierse Republiek.

Bij het verlaten van het stadion Portadown worden we aangeklampt door een securityman. Of we echt uit België komen? Zijn broer is ooit naar Gent vertrokken, en daar blijven hangen. Een vrouw, weet je wel. Uit Melle. Of we hem eens kunnen opzoeken en zeggen dat hij zijn broer nog eens moet opzoeken. 'That bloody bastard!' Het is goed bedoeld, maar er klinkt wel een zekere tristesse in door.

Verkeerde afslag

Op het einde van de reportage is het zoeken naar nog een treffend beeld. Daarvoor rijden we een heuvel op in de buitenwijken van Belfast, maar ook daar is one block away plots een andere wereld. Ineens zijn we verdwaald. De GPS bestaat nog niet, de GSM evenmin.

Een verkeerde afslag genomen, in een grauwe sloppenwijk terecht gekomen. Een katholieke wijk van Belfast, met beschilderde en dichtgetimmerde ramen. Bij sommige straten stond een waarschuwend bord: 'Don't go in.'

Die foto die we in gedachten hadden, is niet meer gemaakt. Wegwezen, leerde de reactie van een enkele grimmig kijkende voorbijganger die ons de snelste weg uit de wijk wees.

Een week later nemen Antwerp en Standard makkelijk afstand van hun tegenstanders.

Tijd voor het echte sportieve werk, zij het met minder spannende randverhalen.

In 1992-1993 hebben R.Antwerp FC en Standard voor de eerste ronde van de Europabaker half september 1992 allebei een Noord-Ierse tegenstander geloot, respectievelijk Glenavon en FC Portadown. Aanleiding genoeg voor dit blad om een reporter en een fotograaf naar Noord-Ierland te sturen, en een verhaal te maken hoe de clubs daar overleven in een regio die al een paar decennia verdeeld is en vaak opgeschrikt werd door geweld.Het is op dat moment al een tijdje stil rond het quasi bevroren conflict in de regio rond Belfast, het lijkt dan ook geen spannend verhaal op te leveren. Het meest hilarische moment voor het vertrek is het telefoontje met een plaatselijk journalist, Malcom Brodey van de Belfast Telegraph. De man wordt aangeprezen als de grote kenner van het Noord-Ierse voetbal.Aan de lijn antwoordt de man, geconfronteerd met het compliment dat we hoorden dat hij de grote specialist is van het Noord-Ierse voetbal, niet gehinderd door enige bescheidenheid: 'Yes, I am!''Rechtstreekse vluchten naar Belfast zijn er niet. Dan maar naar Dublin in de Ierse Republiek en daar een auto huren om de paar honderd kilometer naar het noorden af te leggen. Moet kunnen.Maar plots kan een verhaal een andere dimensie krijgen. In dit geval: één die de sportieve waarde van de reportage ver overstijgt.De dag voor de aankomst in Belfast is na lange tijd stilte plots weer een slachtoffer gevallen, het 3000e in wat toen nog The Troubles heette.Ineens verandert de sfeer helemaal. Aan de grensovergang in Newry is de spanning te snijden. Er staat een lange file. Plots springen gewapende soldaten tussen de auto's, schichtig om zich heen kijkend, het geweer in de aanslag, en zitten we in een scenario van een slechte film.Overal geven borden aan dat stilstaan met de wagen en fotograferen verboden is. Terwijl deze beelden net een extra dimensie aan de reportage zouden geven, weten journalist én fotograaf. Spelende kinderen geven het tafereel een onwezenlijk zicht. Blijkbaar is men dit hier gewoon, maar de reacties en de nerveuze gezichten van de militairen maken duidelijk dat dit bittere ernst en géén oefening is.We rijden voorbij een militair die gehurkt in zijn put op de uitkijk zit, camoeflagekledij aan, het geweer in de aanslag. Naast hem zit een jongetje in een trainingspak. De twee praten met mekaar. Onwerkelijke scènes uit het dagelijkse leven hier. Dit is het beeld dat we zoeken.We rijden verder, de auto tot buiten gezichtsbereik. De afspraak is: de reporter wacht in de auto, de fotograaf probeert het beeld te maken. Lachend zegt hij: als ik binnen een uur niet terug ben, rij maar door, dan is er iets gebeurd.Meer dan drie kwartier later keert hij hijgend terug. Hij heeft het beeld, maar veel langer had hij niet moeten wegblijven. Een uur later rijden we Belfast binnen, op zoek naar ons hotel. Plots vraagt de fotograaf: 'Merk je niets op? In de auto voor ons?'De auto voor ons is een legertruck met tot de tanden gewapende soldaten. Eén van hen heeft het vizier van zijn machinegeweer op onze auto gericht. We zijn verdacht, één dag na de aanslag in een auto met Ierse nummerplaat in het centrum van Belfast.De parking van het hotel rijd je niet zomaar op. Die is afgesloten met prikkeldraad, de toegang wordt versperd door politie en security die een toegangsbewijs tot het hotel willen zien. Met de waarschuwing dat dat bij elk bezoek zo zal zijn.Wel een veilig gevoel, eenmaal binnen.En dan de reportage. Twee amateurclubs waar de meeste spelers nog een fulltime job naast het voetbal hebben en met voetbal zo'n 250 euro per maand verdienen, premies niet inbegrepen. Portadown heeft twee Ieren en vier Schotten in dienst. Drie van de Schotten trainen door de week thuis en worden enkel voor de wedstrijden overgevlogen. Voor Europese wedstrijden betalen de clubs het werkverlet van alle voltijds tewerkgestelde spelers. Bestuursleden die de verplaatsing willen meemaken, betalen de trip uit eigen zak.Beide clubs, allebei even buiten Belfast gelegen in kleine stadjes op amper een half uur rijden van mekaar, allebei ook met een overwegend protestantse aanhang, hebben maar één fulltime werknemer: de terreinverzorger.Als ze voor een topmatch 3000 toeschouwers lokken, is het feest. Heel andere koek is dat dan bij dé absolute topclubs van de regio begin jaren '90, het protestantse Linfield FC en Glentoran, ook uit de hoofdstad, en het katholieke Cliftonville. Het eveneens katholieke Derry City, een andere grote naam, uit Londonderry, beschouwd als de club van het verzet tegen de Britse dominantie, speelt al sinds 1985 in de Irish League, de competitie van de Ierse Republiek.Bij het verlaten van het stadion Portadown worden we aangeklampt door een securityman. Of we echt uit België komen? Zijn broer is ooit naar Gent vertrokken, en daar blijven hangen. Een vrouw, weet je wel. Uit Melle. Of we hem eens kunnen opzoeken en zeggen dat hij zijn broer nog eens moet opzoeken. 'That bloody bastard!' Het is goed bedoeld, maar er klinkt wel een zekere tristesse in door.Op het einde van de reportage is het zoeken naar nog een treffend beeld. Daarvoor rijden we een heuvel op in de buitenwijken van Belfast, maar ook daar is one block away plots een andere wereld. Ineens zijn we verdwaald. De GPS bestaat nog niet, de GSM evenmin. Een verkeerde afslag genomen, in een grauwe sloppenwijk terecht gekomen. Een katholieke wijk van Belfast, met beschilderde en dichtgetimmerde ramen. Bij sommige straten stond een waarschuwend bord: 'Don't go in.' Die foto die we in gedachten hadden, is niet meer gemaakt. Wegwezen, leerde de reactie van een enkele grimmig kijkende voorbijganger die ons de snelste weg uit de wijk wees.Een week later nemen Antwerp en Standard makkelijk afstand van hun tegenstanders.Tijd voor het echte sportieve werk, zij het met minder spannende randverhalen.