Het Duits voetbalmuseum is het makkelijkst met de trein te bereiken. Je stapt het station van Dortmund uit, steekt de brede Königswall over en gaat het fonkelnieuwe pand aan de overzijde van het zebrapad binnen.
...

Het Duits voetbalmuseum is het makkelijkst met de trein te bereiken. Je stapt het station van Dortmund uit, steekt de brede Königswall over en gaat het fonkelnieuwe pand aan de overzijde van het zebrapad binnen. Daar opent zich een interessante wereld in een gebouw dat speciaal voor het museum werd opgetrokken en sinds de opening in oktober 2015 meer dan 200.000 bezoekers per jaar trekt. Alle aspecten van het Duitse voetbal worden er belicht, van het ontstaan bij de voorlaatste eeuwwisseling in het toenmalige keizerrijk, naar de eerste internationale successen van de nationale ploeg, de ontwikkeling van het voetbal in de DDR en de plotse boom van het vrouwenvoetbal in Duitsland. Ook de schaduwkant uit de Duitse voetbalgeschiedenis wordt niet verhuld. Bijzonder aangrijpend is de manier waarop de vervolging van de Joodse spelers voor en tijdens WO II voorgesteld wordt. Op 1 april vindt hier ook de eerste Hall of Fame van het Duitse voetbal plaats, met de eerste elf Duitse vaandeldragers, van doelman Sepp Maier via verdediger Franz Beckenbauer over de eerste Duitse wereldkampioen Fritz Walter tot aanvallers Uwe Seeler, Gerd Müller en Helmut Rahn. Vervolgens worden jaarlijks vijf nieuwe spelers toegevoegd, met als criterium dat ze minstens vijf jaar gestopt moeten zijn als voetballer.Wanneer de bezoeker met de roltrap boven in de eerste zaal arriveert, waar de eerste wereldtitel van Duitsland in 1954 uitgebreid aan bod komt, krijgt hij meteen de verklaring voor het succes van het Duitse voetbal. 'Het WK van 1954 was de oerknal van het Duitse voetbal', zegt museumdirecteur Manuel Neukirchner, van opleiding literatuurfilosoof, enthousiast tussen de levensgrote portretten van de elf spelers die in de WK-finale in Bern Duitsland als voetballand op de wereldkaart zetten. 'Duitsland was de underdog die topfavoriet Hongarije klopte, dat toen al vier jaar ongeslagen was.' Een onwaarschijnlijk sterke prestatie, wetende dat de Duitse voetbalbond pas vier jaar eerder, in 1950, weer was opgenomen in de FIFA, op aandringen van Zwitserland, dat het hoog tijd vond om op voetbalvlak een streep te trekken onder het oorlogsverleden. 'Dat WK kan nooit overtroffen worden door geen enkele andere prijs in geen enkele andere sport, precies omdat die wereldtitel politiek zo'n impact had', licht de directeur toe. 'Dit was het eerste succes dat de oorlogsaanstoker bereikte, de eerste keer dat de mensen in Duitsland weer samengebracht werden. Het was een bescheiden vreugde, maar wel een die heel belangrijk was voor de collectieve band die dat allereerste succes teweegbracht. U moet goed beseffen dat Duitsland op dat moment nog grotendeels één grote ruïne was. Uit die as, dat braakland, rees plots een nieuw land op, dat gesterkt door dit succes aan zijn economisch Wirtschafswunder begon. Die wereldbeker gaf de Duitsers na tien jaar weer iets om trots op te zijn. Ik zeg het zo: voor het politieke wonder zorgde Konrad Adenauer, onze eerste naoorlogse premier. Voor het economische wonder zorgde Ludwig Erhard, minister van Economie, en voor de mentale ommekeer was Fritz Walter verantwoordelijk, de kapitein van dat WK-elftal.' Centraal in de ruimte staat op een verlichte sokkel de vergulde wedstrijdbal van die match. In die tijd werd zelfs een WK-finale met maar één enkele bal gespeeld. De Duitse bondscoach Sepp Herberger liet na de match de bal opvragen bij de scheidsrechter en hem handtekenen door alle leden van het team. Op de achtergrond hoor je het Duitse volkslied, terwijl de regendruppels keihard neervallen. Die regen was een niet onbelangrijke factor in het Duitse succes. Herberger had met Adolf Dassler, de stichter van sportmerk Adidas, een plan opgemaakt om de best mogelijke sportuitrusting te krijgen. Adi Dassler had voor de finale voetbalschoenen met lange noppen voorzien, zodat de Duitsers beter overeind zouden blijven op het zompige veld dan de Hongaren, die niet zo'n gesofistikeerd schoeisel hadden. Het toont aan hoe Duitsland toen al, ook op voetbalvlak, oog had voor details die het verschil kunnen maken. In het museum ligt een schoen waarmee The Boss, Helmut Rahn, in de WK-finale met twee goals en één assist de 0-2-achterstand omboog in de 3-2-eindzege. In een tijdperk waarin veel te doen is omtrent het opnemen van spelers met een buitenlandse afkomst, genre Jérôme Boateng of Mesut Özil, is het interessant te weten dat ook het oer-Duitse elftal van 1954 al een speler met buitenlandse roots bevatte. Josef Posipal was de zoon van een Roemeense vader en een Hongaarse moeder die in 1943 van Roemenië naar Duitsland verhuisden, toen de jonge Posipal zestien jaar oud was. Na de oorlog diende hij een verzoek in om tot Duitser genaturaliseerd te worden. In het museum is zijn verzoekbrief nog te lezen, samen met zijn oorspronkelijk Roemeens paspoort en het Duitse, dat hij net op tijd kreeg om voor het WK geselecteerd te kunnen worden. Er hangen ook twee originele truitjes van WK-winnaars. Toen aan Horst Eckel, werktuigkundige van beroep, gevraagd werd om zijn trui aan het museum te schenken, antwoordde hij: 'Dat is hetzelfde als mijn hart uitrukken.' Pas toen hij begreep dat het de bedoeling was de kinderen van vandaag en de komende generaties te tonen hoe de spelers van toen, die in armoede waren opgegroeid na de oorlog, vanuit het niets met hard werken naar de top waren doorgestoten, ging hij akkoord. Daardoor hangt zijn trui, samen met het nummer 8 van Karl Mai, leraar en uitbater van een schrijfwarenwinkel, in het museum. Indrukwekkend zijn ook de geluidsfragmenten en beelden van hoe Duitsland dat eerste gewonnen WK beleefde. In gans het land waren in 1954 nog maar 54.000 tv-toestellen. Bijgevolg troepten de mensen massaal samen voor tv-winkels, die een toestel in de etalage zetten waarop de wedstrijd te zien was. Maar de meeste Duitsers kregen het Wunder von Bern via de radio mee. Het museum toont ook de minder glorieuze jaren die aan de succesrijke heropstanding na WO II vooraf gingen. Een bewuste keuze, zegt museumdirecteur Manuel Neukirchner. 'Dit museum toont niet alleen de gloriezijde, maar ook de schaduwkanten.' Het verklaart de aanwezigheid van een indrukwekkende vleugel die gewijd is aan het voetbal in de nazitijd en de vervolging van Joodse spelers. Iedereen kan hier zien dat de in 1954 zo gevierde en succesvolle bondscoach Sepp Herberger ooit lid was van de NSDAP, de Nationaalsocialistische Duitse Arbeiderspartij, al werd hij algemeen beschouwd als een meeloper. Onverbloemd wordt getoond hoe toenmalig DFB-bondsvooritter Felix Linnemann het normaal vond dat de nationale ploeg in die tijd Judenfrei werd gemaakt, hoe hij de eliminatie van Joden goedpraatte en er als SS-officier ook aan meewerkte. En hoe bondscoach Otto Nerz in 1943 in een Berlijnse krant artikelen schreef waarin hij pleitte voor een Jodenvrij Europa. Ook het wedervaren van de twee Joodse internationals uit de aanvangsperiode van de nazitijd wordt uit de doeken gedaan. Gottfried Fuchs, die tussen 1911 en 1913 zes interlands speelde, is met tien goals in de met 16-0 gewonnen olympische wedstrijd tegen Rusland in 1912 nog altijd de man met de meeste goals voor Duitsland ooit in één interland. Hij vluchtte in 1937 via Frankrijk naar Canada. Julius Hirsch, die net als Fuchs voor Karlsruhe speelde en zeven keer international was van 1911 tot 1913, geraakte niet meer weg nadat in 1933 clubs een verbod kregen om Joden onder de leden te hebben. Hij werd, hoewel hij vier jaar als soldaat voor Duitsland vocht tijdens WO I, gearresteerd en op 1 maart 1943 op transport gezet. Uitgerekend op honderd meter van het voetbalmuseum gaf hij een laatste teken van leven, toen hij een postkaart op de bus deed vooraleer de trein hem vanuit Dortmund naar Auschwitz zou brengen, waar hij vermoedelijk meteen bij aankomst vergast werd. Er hangt ook een kaart van de toenmalige Duitse nationale ploeg, waar de twee spelers van Joodse afkomst discreet uit verwijderd waren. Een onvoorstelbaar voorbeeld van wat propaganda vermag, met fake news tot gevolg. Na het Wonder van Bern leven vanaf de bouw van de Muur vanaf 1961 Oost en West verder als gescheiden werelden. Te beluisteren valt hoe de spelers van de allereerste Oost-Duitse kampioen Zwickau als premie bonnen voor levensmiddelen krijgen. Maar ook hoe overlopers na hun vlucht uit de DDR ook in het vrije Westen geïntimideerd en op de voet gevolgd worden door Stasimedewerkers. Tragisch is het verhaal van Lutz Eigendorf, die in 1979 na een wedstrijd met Dynamo Berlin in Kaiserslautern achterblijft maar zich kritisch blijft uitlaten over de DDR. Eigendorf wordt ook in het Westen door de Stasi gevolgd. In het museum zijn de foto's en de plattegrond van zijn appartement te zien, die de Stasi maakte toen hij al in het Westen leefde. En is er ook een handgeschreven document dat suggereert met welke gifcombinatie Eigendorf het best omgebracht zou worden. Uiteindelijk komt hij op 5 maart 1983 bij een verdacht auto-ongeval om. Men vermoedt dat hij met speciaal opgestelde spiegels verblind werd. Er is het verhaal van Jörg Berger, Marc Wilmots' eerste trainer bij Schalke 04, die vertelt hoe hij als speler na een wedstrijd in Belgrado vanuit het Duitse consulaat de West-Duitse scheidsrechter Walter Eschweiler opbelde en hem vroeg hem uit de DDR te helpen ontsnappen. Daar trainde hij de B-ploeg, maar hij mocht nooit mee bij wedstrijden in het Westen, omdat hij als gescheiden man als potentieel overloper gold. Ook de opvolger van bondscoach Herberger, Helmut Schön, liep over naar het Westen. De geboren Dresdenaar bereidde zijn vlucht in het geheim voor met Herberger, die hem nog als speler had opgeroepen vóór de oorlog. Schön, die tot 1950 de allereerste bondscoach was van de embryonale DDR-ploeg, toen Ostzonen genoemd, later bondscoach werd van het afgescheiden Saarland en nog later West-Duits bondscoach, verliet in mei 1950 Dresden toen zijn club SG Dresden-Friedrichstadt opgeheven werd omdat het zich in de finale om de DDR-titel onsocialistisch zou gedragen hebben. Hij slaagde er in Berlijn in een grenswachter die hem terug wilde sturen om de tuin te leiden, en ging vervolgens aan de slag als trainer van Hertha BSC. Ook de gloriemomenten van het Oost-Duitse voetbal worden getoond. Er zijn opnames van het WK'74 in West-Duitsland, toen Jürgen Sparwasser de winnende 1-0 tegen de Bondsrepubliek maakte, tot grote vreugde van de 1500 Oost-Duitse 'toeristen' in het stadion, het maximum toegelaten contingent gezagsgetrouwe aanhangers. Er zijn ook beelden van de allerlaatste DDR-interland, gewonnen tegen België in het stadion van Anderlecht op 12 september 1990, met twee goals van Matthias Sammer. Sammer zou na het samensmelten van beide voetbalfederaties op 20 november 1990 in de allereerste wedstrijd van de verenigde Duitse ploeg op 19 december van dat jaar overigens de enige Oost-Duitser zijn die aan de aftrap kwam. Topschutter Andreas Thom viel tijdens die match in. Een confronterend verhaal is de steile opgang van het vrouwenvoetbal. Van 1955 tot oktober 1970 is de sport nadrukkelijk verboden door de DFB, die benadrukt dat voetbal 'een mannensport' is. Amper negentien jaar na de opheffing van dat verbod winnen de vrouwen hun eerste grote internationale titel, het EK van 1989. Hoe groot het verschil tussen beide seksen toen nog was, blijkt uit de verloning van die eerste winnende Duitse vrouwen en de premies die hun mannelijke collega's één jaar later zouden krijgen toen ze in 1990 in Italië wereldkampioen werden. Waar de mannen in 1990 elk een premie van 64.000 Duitse mark kregen, omgerekend 32.000 euro, kreeg elke vrouwelijke EK-winnares een koffieservies, zij het wél een van Villeroy&Boch. Het clubvoetbal ontstaat, net als de Duitse voetbalfederatie, in Leipzig, waar in 1903 VfB Leipzig de eerste landstitel behaalt. In 1950 ontstaat als compromis tussen het amateurisme en het opkomende professionalisme het statuut van de contractspeler, dat vastlegt dat voetballers maximaal 320 mark (160 euro) per maand mogen verdienen. Dat bedrag lag toen ver boven het maandgemiddelde van een werknemer. Vaak kregen de voetballers van hun club ook een woning én een job. In de Dortmundse Westfalenhalle werd op 28 juli 1962 beslist om een ééngemaakte profcompetitie op te richten, de Bundesliga, met zestien clubs uit de belangrijkste voetbalsteden, maar nooit meer dan één per stad. Daarom is bijvoorbeeld 1860 München erbij, en niet FC Bayern, dat dat seizoen derde eindigde in de Beierse competitie terwijl 1860 München kampioen werd. In 1963 wint Borussia Dortmund de laatste landstitel die beslecht wordt met een finaleduel, tegen FC Köln, dat een jaar later de eerste kampioen in de pas opgerichte Bundesliga wordt. Pas in 1973 is shirtsponsoring toegelaten. Eintracht Braunschweig krijgt dat seizoen van jeneverfabrikant Jägermeister omgerekend 50.000 euro 'drinkgeld'. In die jaren is het de gewoonte dat topspelers een plaatje opnemen. 1860-doelman Petar Radenkovic doet het en in het museum hangt ook de hoes van ' Jetzt bin ich ein Bayer', met de foto van een breed lachende Jean-Marie Pfaff. Het museum toont ook hoe de hegemonie in het Duitse voetbal met de jaren evolueerde. In de Bundesliga van de jaren 60 zijn FC Köln en 1860 München nog de machthebbers, in het volgende decennium is dat Borussia Mönchengladbach. Vanaf de jaren 80 is Bayern de sterkste, eerst gevolgd door HSV, later door Dortmund, vervolgens door Werder Bremen en dit decennium opnieuw Dortmund. Europees moet in 1960 Eintracht Frankfurt, de eerste Duitse club die een Europabekerfinale bereikt, nog de duimen leggen tegen Real Madrid (3-7). Dortmund is de eerste Duitse Europabekerwinnaar (het pakt in 1966 de Beker voor Bekerwinnaars), Bayern de eerste Duitse club die de hoofdtrofee binnenhaalt wanneer het in 1974 in Brussel de Europabeker voor Landskampioenen wint tegen Atlético Madrid. In totaal wonnen Duitse clubs zeventien keer een Europabeker. Dit jaar proberen Bayern, Dortmund en Schalke in de Champions League en Eintracht Frankfurt en Bayer Leverkusen in de Europa League dat getal nog op te trekken.