De UEFA presenteerde vorige week de achtste editie van zijn jaarlijkse Club Licensing Benchmark Report. Zeg maar, de financiële barometer van het Europese voetbal. De Europese voetbalunie roffelt daarbij uitvoerig op eigen borst, omdat dankzij de regels van de financiële fair play de schuldenlast in het topvoetbal is verminderd.
...

De UEFA presenteerde vorige week de achtste editie van zijn jaarlijkse Club Licensing Benchmark Report. Zeg maar, de financiële barometer van het Europese voetbal. De Europese voetbalunie roffelt daarbij uitvoerig op eigen borst, omdat dankzij de regels van de financiële fair play de schuldenlast in het topvoetbal is verminderd. Vraag is of er veel reden voor tevredenheid is. Uit het rapport blijkt dat de vijftien rijkste clubs hun commerciële inkomsten tussen 2009 en 2015 met 148 procent zagen stijgen. Dat is drie keer meer dan de rest van de topclubs. Voor een deel als gevolg van het feit dat de UEFA de vetpotten van de Champions League vooral onder de grote jongens verdeelt. De Franse econoom Thomas Piketty leerde ons dat zo veel ongelijkheid alleen naar ellende leidt en zeker in het voetbal, waar spankracht de eerste vereiste is. De UEFA moet dan ook schoorvoetend toegeven dat negen clubs (Manchester United, Manchester City, Liverpool, Chelsea, Arsenal, Real Madrid, Barcelona, Paris Saint-Germain en Bayern München) zo kapitaalkrachtig zijn geworden dat de andere clubs zich niet meer met hen kunnen meten. De consequenties van deze situatie laten zich raden. De groten gaan steeds minder interesse vertonen om tegen het kleine grut te voetballen. Een Europese superliga lijkt onafwendbaar. Hoe kan het voetbal in de kleinere Europese landen dan overeind blijven? In Nederland overweegt het betaald voetbal play-offs in te voeren naar Belgisch model. In een enquête van de KNVB bij het Supporterscollectief Nederland bleek echter dat de fans faliekant tegen het idee zijn. Geen wonder, nu ook in België steeds meer clubs naar een andere format willen overstappen. De enige manier om min of meer op te boksen tegen de clubs uit de vijf grote voetballanden is schaalvergroting. De befaamde sporteconoom Stefan Szymanski hield twintig jaar terug al een pleidooi voor regionale (grensoverschrijdende) competities. Zoals een Beneliga. In 'Eeuwige Amateurs', een boek uit de lente van 1995, kaartte ik het idee al aan en een half jaar later legde Michel Verschueren in de Rotterdamse Kuip een uitgewerkt plan voor een gezamenlijke Belgisch-Nederlandse competitie voor. Ere wie ere toekomt, het allereerste idee kwam begin jaren negentig van vorige eeuw van de toenmalige PSV-voorzitter Jacques Ruts. Onze noorderburen hielden echter een paar decennia de boot af. Het Belgisch voetbal had op alle vlakken (infrastructuur, organisatie, spelniveau, attractiviteit) te weinig te bieden. Maar de tijden veranderen. De Nederlandse Volkskrant hield vorige zaterdag een even opmerkelijk als uitvoerig pleidooi voor een Beneliga, met tien Nederlandse en acht Belgische teams. 'Een competitie met beter voetbal en verschillend voetbal. Met meer tegenstand, tegen andere spelsystemen en andere culturen. De Beneliga dus', zo klinkt het hoopvol. Het plan krijgt in de Volkskrant meteen de volle steun van niemand minder dan Ivan De Witte, nochtans een van de geestelijke vaders van ons play-offsysteem. Hij verwacht een competitie met meer uitstraling, meer kwaliteit en meer tv-gelden. En om dat laatste draait het telkens weer. 'Ik zie liever affiches als Standard-Ajax dan vier keer Anderlecht-Club Brugge', aldus de voorzitter van AA Gent. 'Het lijkt me geweldig om met Gent in de Kuip of in de Arena te voetballen. Met zo'n Belgisch-Nederlandse competitie heb je geen play-offs meer nodig.' Het klinkt als muziek in de oren. Er valt echter te vrezen dat het enthousiasme boven de Moerdijk nog steeds een stuk minder is dan hier en ook Franstalige clubs als Standard en Charleroi zijn wellicht minder happig. Bovendien moeten nog heel wat heikele knopen ontward worden: een deugdelijke stijgen-en-dalen-regeling, voldoende tv-geld voor de nationale tweede afdelingen en een regeling voor de verdeling van de Europese tickets (je kan met een gezamenlijke competitie geen tien Europese deelnemingsbewijzen opeisen). We zijn dus nog lang niet toe aan een Beneliga, terwijl de kloof met de Europese top alleen maar groter wordt.