Zowel in de Champions League als de Europa League was het elke avond 90 minuten met ingehouden adem kijken. Laat de halve finales maar komen.
...

Zowel in de Champions League als de Europa League was het elke avond 90 minuten met ingehouden adem kijken. Laat de halve finales maar komen. Zo voorspelbaar de groepsfase was, zo spectaculair is de knock-outfase. Seizoen na seizoen stellen we vast dat de verschillen in Europa groter worden. De clubs uit de kleinere voetballanden zijn gedegradeerd tot kanonnenvoer. Het CIES Football Observatory van de universiteit van Neuchâtel in Zwitserland berekende dat in de Champions League in de voorbije 25 jaar 21 procent van de wedstrijden met drie of meer goals verschil eindigden. De laatste acht jaar zette die trend zich ook vanaf de kwartfinales door: in 21 van de 104 duels won een ploeg met drie of meer goals verschil. In de acht seizoenen daarvoor was dat slechts 8 op 104. In deze campagne staat de teller zelfs al op 4 op de 8. Het mooie van deze jaargang is dat een ploeg die in de heenmatch drie of meer keer voor schut wordt gezet, in de return de tegenstander een pak voor de broek kan geven. Er zijn meerdere oorzaken voor deze ontwikkeling. De scheidsrechters zijn strenger dan ooit en dat is een voordeel voor de aanvallers. De topclubs zijn gemakzuchtig, zelfs wat arrogant geworden en vooral niet meer gewend om in eigen land te verdedigen. Manchester City, AS Roma, Barcelona, Real Madrid en Juventus incasseerden de twee voorbije weken minstens vier goals in twee wedstrijden. In eigen land slikte Manchester City echter slechts 25 tegentreffers in 33 matchen, Roma 26 in 31 duels, Real Madrid 34 in 32 partijen, Barça 17 en Juventus 18 in 33 wedstrijden. Ze steken in de nationale competitie te ver boven de rest uit en weten zich geen raad met teams die hen onder druk durven te zetten. Terwijl dat dé manier is om hen te kloppen. Dat bleek nog in de derby in Manchester. City dolde met een defensief United, maar zag alle hoeken van het veld toen de buur ten aanval trok. Niemand kan nog verdedigen. Gary Neville, de rechtsachter van het legendarische Manchester United uit de jaren 90 van vorige eeuw, schreef een paar jaar geleden al een column met als titel 'De verloren kunst van het verdedigen'. Hoeveel topverdedigers zijn er nog? Vincent Kompany was sterk tegen Harry Kane, maar mocht niet aantreden van Pep Guardiola in de belangrijkste match van het seizoen. Sergio Busquets, de controleur op het middenveld van Barcelona, is zijn snelheid kwijt en dan blijkt hoe kwetsbaar GerardPiqué en Samuel Umtiti zijn. Blijven over: Giorgio Chiellini misschien, en Sergio Ramos zeker. Oude krijgers, waar blijft de jeugd? Defensief werk is niet aantrekkelijk en echte verdedigers bestaan gewoon niet meer. Een enquête bij de jeugdacademies van de Engelse profclubs leerde dat slechts zes procent van de jonge talenten verdediger wil worden. Het aantal jongens met aangeboren defensieve kwaliteiten ligt nog lager. Gary Neville schreef dat in zijn jeugdjaren 60 tot 70 procent van de trainingsarbeid op verdedigen was gericht. Maar dat is 'de oude school'. Een verdediger moet van achteren uit kunnen opbouwen, want aan de top wordt meestal de nadruk gelegd op balbezit. De lange bal wordt als boerenkoolvoetbal beschouwd. De eerste prioriteit van een verdediger zou verdedigen moeten zijn en goed afweerwerk kan mooi zijn. Van de backs wordt echter vooral verwacht dat ze razendsnel kunnen uitbreken en een loepzuivere voorzet verzenden. De tegenpartij een halt toeroepen is bijkomstig geworden en in deze geglobaliseerde voetbalwereld verdwijnen nationale speelstijlen. Tot slot nog dit: slechts één van de vier halve finalisten (Bayern München) gaat in eigen land op kop. De anderen bekleden in het beste geval de derde plaats. En voor de eerste keer sinds 1981 staan er nog eens vier teams uit de grootste vier voetballanden (Duitsland, Engeland, Italië, Spanje) in de halve eindstrijd van de Europese topcompetitie. Toen won Liverpool de finale tegen Real (1-0). Een voorteken?