Aivar Pohlak is een oger. En zoals alle ogers draagt hij een dierenvel en woont hij in het midden van een bos. Het bos waar Pohlak woont, ligt op het eiland Saaremaa, van waaruit enkele eeuwen geleden Estse piratenexpedities vertrokken richting Scandinavië. De Vikings uit het oosten werden ze genoemd. Aivar Pohlak zou er een beschaafde afstammeling van kunnen zijn.
...

Aivar Pohlak is een oger. En zoals alle ogers draagt hij een dierenvel en woont hij in het midden van een bos. Het bos waar Pohlak woont, ligt op het eiland Saaremaa, van waaruit enkele eeuwen geleden Estse piratenexpedities vertrokken richting Scandinavië. De Vikings uit het oosten werden ze genoemd. Aivar Pohlak zou er een beschaafde afstammeling van kunnen zijn. In het restaurant van het Sheraton Hotel in Tallinn lepelt hij gulzig zijn bord borsjtsj leeg alvorens onze eerste vraag te herhalen. 'Of ik anders ben? Het belangrijkste is dat ik mezelf ben.' Als Pohlak een oger is, dan is hij zeker een aardige oger. Voor hij voorzitter werd van de Estse voetbalbond, schreef hij trouwens zelf verhalen en sprookjes voor kinderen. In zijn thuisland kent en herkent iedereen hem. Met zijn lange grijze en warrige haren, de bruine jas van schapenvacht die hij 365 dagen per jaar draagt en zijn, meestal aan de knieën gescheurde, jeans is hij dan ook een opvallend figuur. Nee, Aivar Pohlak ziet er niet echt uit als meneer de bondsvoorzitter of als een lid van de amateurvoetbalcommissie van de UEFA. Met zijn Motörheadroadie-look lijkt hij wel een ufo in het afgeborstelde milieu van Europese voetbalbonzen in maatpak. Niets van wat meestal de drijfveer is van de mensen die 'het voetbal willen dienen', lijkt hem te interesseren. Hij houdt niet van geld, niet van macht, niet van erkenning. Gevoed door een soort mystieke hippiefilosofie verweven met soft nationalisme poogt hij het voetbal in zijn land te leiden volgens zijn overtuiging. 'We moeten ons ervan bewust zijn dat we een deel van het geheel zijn, een deel van de wereld, een deel van de mensheid. Wat in het leven geldt, geldt ook in het voetbal. Het is wat complexer dan dat, maar ik probeer die principes te respecteren', predikt Pohlak. Sinds de val van de Sovjet-Unie probeert Pohlak het voetbal in zijn land een nieuwe identiteit en trots te geven. De jongste 25 jaar raakte Estland door de grote economische en geopolitieke veranderingen immers wat gedesoriënteerd. 'Voor 1991 hadden we een sterke identiteit omdat die zo openlijk werd bedreigd en aangevallen door de Russen', zegt Pohlak. 'Het was eenvoudig om je Est te voelen, als reactie of als verzet. Sinds de onafhankelijkheid is dat ingewikkelder geworden. Als Rusland je aanvalt, dan is dat frontaal, duidelijk. Het westen is meer onderduims. Dat is Coca-Cola of McDonald's. In de jaren vijftig wilden de Russen ons verplichten om de stad te verlaten en op het platteland te gaan werken op de kolchozen, de collectieve landbouwbedrijven. Ze zijn daar niet in geslaagd. Tegenwoordig verlaten de mensen Tallinn om in verkavelingen buiten de stad te gaan wonen. Ze gingen er zware leningen voor aan en maakten zo de bankiers nog wat rijker. Dat is de manier waarop het westen zijn aanval inzet en wij aangevallen worden. Voetbal is momenteel een van de enige zaken die de mensen in Estland verenigen.' Omdat er in zijn land 'geen enkele voetbalclub' bestond, richtte Pohlak in 1990 de eerste Estse club op na de onafhankelijkheid (de volledige onafhankelijkheid vond plaats in augustus 1991), FC Flora Tallinn. In twintig jaar tijd vervulde hij er zowat alle functies, van trainer tot voorzitter. Nationaal was er amper concurrentie, maar in Europa blonk Flora Tallinn nooit uit. Om zijn club en de ontwikkeling ervan te financieren stampte hij een sportmarketingbedrijf uit de grond, waarmee hij tv-rechten onderhandelde (met name van de Russische competitie), betrokken was bij spelerstransfers en vriendschappelijke wedstrijden organiseerde. Aanvankelijk stapte hij in de om geld draaiende voetbalwereld zonder er zelf iets aan te verdienen. 'Ze vroegen me welke commissie ik eiste, maar ik wilde helemaal niets. Daarna verplichtten ze me om mijn deel van de koek te vragen. Iemand zei me: 'Als je in deze business wilt meedraaien, dan mag je dat niet voor niets doen.' Zo heb ik het vak geleerd. Op het einde verkocht ik voor 100.000 euro wat ik voor 10.000 euro had gekocht.' Waar iedereen een vreugdedansje zou doen, gold dat niet voor Pohlak. 'Al dat geld maakte me kapot, want ik begon me te gedragen als al die anderen, als een idioot. Moest ik een vlucht nemen naar Liverpool, bijvoorbeeld, en kostte die van zes uur 's morgens 2000 euro en die van tien uur 3000 euro, dan nam ik de tweede omdat ik dan langer kon slapen. Op het einde stuurde ik zelfs een ander in mijn plaats om de zaak af te handelen. Ik kreeg nog 25 procent en dat volstond om de club draaiende te houden.' Bij al die miljoenendeals voelde hij zich allesbehalve goed. Daarom deed hij met veel plezier afstand van de vliegtuigtripjes in businessclass, de vijfsterrenhotels en de commissies. Voortaan stelt hij zich tevreden met een maandsalaris van 2000 euro en een kredietkaart van de Estse voetbalbond om zijn maaltijden en zijn benzine te betalen. 'Aivar Pohlak is heel onvoorspelbaar want hij handelt zoals hij denkt', meent Indrek Schwede, hoofdredacteur van Jalka, het belangrijkste voetbalmaandblad van het land. 'Hij spot met geld, want verantwoordelijkheid opnemen vindt hij veel belangrijker dan macht bezitten.' Anne Rei, Pohlaks ex-secretaresse, herinnert zich hun eerste ontmoeting in 1992. Pohlak zocht op dat moment iemand om hem bij te staan bij de herstructurering van zijn nieuwe club. 'Het was december en een heel strenge winter. Ik kwam binnen in zijn kleine kantoor zonder verwarming. Aivar zat in het midden van een ware puinhoop. Ik zag zijn baard en zijn haar en dacht: in zo'n omgeving en voor zo'n man zal ik nooit kunnen werken. Maar verrassend genoeg was hij vanaf de eerste minuut heel inspirerend en vol passie. Hij wist exact waar hij naartoe wilde.' In 1995, toen het geld hem dreigde te vernielen, stopte hij met vliegtuigen te nemen en zocht hij toenadering tot God. Die twee zijn met elkaar verbonden, zegt hij, want 'de lucht is voorbehouden voor God, de mensen moeten met hun voeten op aarde blijven. Als ik opstijg, moet ik me in de positie van God stellen en dat is niet gemakkelijk', vertelt hij zonder ironie. Lang beschouwde hij God als zijn vader, die hem overal volgde, 'die controleerde of ik een brave jongen was.' Nu voelt hij zich nauwer verbonden met Jezus, 'iemand die, zoals ik, overleefde.' In het Estse voetbal is Aivar Pohlak ondertussen Bruce Almighty: bondsvoorzitter sinds 2007, voorzitter van het belangrijkste sportmarketingbureau, voorzitter van een van de twee beste clubs in zijn land en eigenaar van de A. Le Coq Arena (genoemd naar een Estse bierbrouwer), thuisbasis van onder meer FC Flora Tallinn en van de nationale ploeg. 'Ons land en ons voetbal worden vandaag de dag geregeerd als een monarchie', vindt Indrek Schwede. 'Voor veel mensen is de greep van Aivar te groot, maar anderen menen dan weer dat die machtsconcentratie nodig is om vooruit te gaan en niet te veel tijd te verspillen aan discussies. Ik sluit me aan bij die laatste mening.' 'Twintig jaar geleden was alles zwart of wit voor Aivar', weet Anne Rei. 'Het is al minder dan vroeger, maar hij heeft dat nog', voegt Schwede eraan toe. 'Simpelweg omdat hij er op die manier gekomen is, ook al heeft hij zichzelf niet verrijkt. Hij blijft een gecompliceerd en geheimzinnig man die voor veel mensen niet gewoon genoeg is.' Zelf zegt Pohlak dat hij per ongeluk de troon besteeg. 'Ik was vicevoorzitter van de federatie en wou eigenlijk helemaal geen voorzitter worden.' Hij werd het toch en intussen zit hij ook in de amateurvoetbalcommissie van de UEFA. 'Ik heb lang gedacht dat het zinloos was om dat instituut te veranderen, want de voetbalwereld is heel conservatief. Maar ik heb mijn ideeën en ik weet wie ik ben. Ik probeer met alle mensen overeen te komen, zelfs met de idioten die mij minachten omdat ik met iedereen open en sociaal ben. Meestal bezorgt mijn openheid mij geen problemen, maar ik heb ook een paar vijanden. Dat is normaal.' Onopgemerkt blijft hij zelden of nooit. Daar zorgt de bruine schapenvacht die hij steevast draagt voor. 'Dankzij die jas herinnert iedereen zich mij. Bovendien beschermt ze me tegen negatieve golven, het is mijn talisman.' De jas is zelfs bijna een beschermd lokaal product voor Saaremaa. 'De producent schenkt me geregeld een nieuw exemplaar, ook al laat ik de mensen geloven dat het telkens dezelfde jas is. Normaal gezien aanvaard ik nooit geschenken, maar in dit geval voel ik me verplicht. Ondertussen komen toeristen al naar het eiland om zo'n jas te kopen.' Ook toen hij voor het eerst een vergadering bijwoonde van de UEFA-commissie droeg hij tot veler verbazing zijn schapenvacht. Ondertussen zijn z'n collega's de ongewone klederdracht wel gewoon. 'Ze hebben me toch nog nooit een kostuum aangeboden', lacht hij. 'Mij heeft het nooit gestoord', reageert Christian Teinturier diplomatisch. De vicevoorzitter van de Franse voetbalbond zit op de stoel naast Pohlak in de commissie. 'Aivar kent het voetbal goed en hij doet vaak uitstekende voorstellen.' Omdat hij weigert nog in een vliegtuig te stappen, komt hij de laatste jaren met de auto naar het Zwitserse Nyon, waar de Europese voetbalbond zetelt. 'Hij geeft zijn hond een plaatsje in zijn Range Rover, neemt een eerste ferry in Stockholm, een tweede tussen Zweden en Denemarken en rijdt dan naar Zwitserland. Alles bij elkaar zo'n 2500 kilometer', specificeert Mihkel Uiboleht, communicatieverantwoordelijke bij de Estse voetbalbond. Wonen doet Pohlak nog altijd op Saaremaa. Elke avond neemt hij rond middernacht de laatste boot vanuit Tallinn naar zijn familie en zijn huis te midden van de dennenbossen. 'Hoe meer mensen ik ken, hoe meer ik er behoefte aan heb om me te isoleren, om het circus even te ontvluchten. Onlangs opende ik mijn laptop en zag ik 2500 nieuwe berichten. Dat is niets voor mij. Dan houd ik me liever bezig met mijn bijenkorven of luister ik naar Pink Floyd.' Joachim Barbier