Dit artikel verscheen zo in Sport/Voetbalmagazine van 28 oktober 2015
...

Op 13 juli van dit jaar winterde het volop in Buenos Aires. De koude wind op die maandagavond weerhield talloze supporters er niet van om af te zakken naar La Bombonera om er Carlos Tévez aan het werk te zien. Tévez, kind van de club, is weer thuis na elf jaar in het buitenland, bij het Braziliaanse Corinthians, West Ham, Manchester United, Man City en Juventus. Na een paar welkomstwoorden en kussen verlaat Carlitos alweer de arena. Zo'n 'Europees' onthaal, met toeters en bellen, is niet gebruikelijk in Argentinië, maar de terugkeer van Tévez naar dit in alle opzichten arme kampioenschap is dan ook opmerkelijk. De Apache speelde recent nog de finales van de Copa América en de Champions League, werd twee keer kampioen met Juventus en is op zijn 31e in de vorm van zijn leven. In Turijn wou men zijn contract verlengen en in Madrid droomde Diego Simeone ervan om van hem de goalgetter van Atlético te maken, maar de Argentijn zwichtte niet voor de euro's van de Europese grootheden. Hij verlangde ernaar om weer het shirt te dragen van de club van zijn hart, Boca. 'Hier ben ik thuis', verdedigde hij zich op de persconferentie. 'De andere aanbiedingen hadden geen belang, ik wilde hier al terugkeren van de dag dat ik vertrok. Om te doen wat ik voordien deed: titels pakken en River kloppen.' Enkele maanden later slaagde 'de speler van het volk' al in zijn opzet: op speeldag 24 versloeg Boca aartsvijand River Plate in het eigen El Monumental met 0-1. De geel-blauwen staan op het punt om hun eerste titel in vier jaar te veroveren. Een eeuwigheid voor fans die het gewend zijn om titels te vieren. En helden. De helden van Boca hebben doorgaans een welbepaald profiel. Rodrigo, een van de 140.000 socios van de club, legt uit: 'Inzet, vastberadenheid, zelfopoffering, dat zijn de eigenschappen die de fans van Boca waarderen. Los huevos, zoals ze hier zeggen, ballen aan je lijf hebben. De club staat van oudsher bekend om haar vechtlust, in tegenstelling tot River Plate, dat de bijnaam Millonarios draagt en meer technisch verfijnde spelers telt. Uiteraard heeft Boca ook getalenteerde spelers gehad, lievelingen van het publiek omdat ze de uitzondering op de regel waren: Ángel Rojas, Diego Maradona, 'ElBeto' Márcico, ClaudioCaniggia, 'ElChelo' Delgado en natuurlijk Román Riquelme.' Boca heeft zijn eigen karakter weten te bewaren: dat van de volksclub uit de arme wijk, die strijdt tegen River Plate, de vertegenwoordiger van de meer gegoede burgers. Beide clubs ontstonden begin twintigste eeuw in de wijk Boca, maar River verhuisde al snel naar de noordelijker wijk Nuñez. Hun onderlinge duel, de Superclásico, is een van de meest tot de verbeelding sprekende wedstrijden ter wereld. Claudio Marangoni, sterkhouder van Indepediente en later van Boca eind jaren tachtig, maakte er een aantal mee. 'Je kunt dat niet beschrijven,' zegt hij, 'je moet dat meemaken. Er wordt in La Bombonera zo hard gezongen dat de aarde lijkt te trillen. De supporters geven zich helemaal, zelfs als je achter staat, en ze verwachten hetzelfde van de spelers. Als speler van Boca kun je niet zomaar op straat rondlopen. Je maakt deel uit van een instituut dat voortdurend jaagt op succes en dat al zijn energie in jou overplaatst. Dat is opwindend en afmattend tegelijk.' Het is die passie die Tévez wou terugvinden. Hij komt ook net op tijd, want de voorbije jaren waren kommer en kwel voor de bosteros, de fans van Boca. Dieptepunten waren de twee eliminaties door River Plate, in de Copa Sudamericana en in de Copa Libertadores, de eerste in de geschiedenis. De laatste, die van 14 mei dit jaar in de achtste finales van de Libertadores, ligt nog vers in het geheugen. Boca had de heenwedstrijd in El Monumental met 1-0 verloren, maar hoopte dat in de verzengende sfeer van La Bombonera recht te zetten. Maar toen de spelers van River na de rust, bij een 0-0-stand, weer het veld op kwamen, werden ze door supporters bestookt met pepperspray. Na minutenlang wachten in de middencirkel trokken de troepen van coach Marcelo Gallardo weer naar binnen, onder een regen van projectielen. Het schandaal kostte de club de uitschakeling en een fikse boete. 'Het had nog erger gekund', gromt Rodrigo, die op die bewuste avond ook in het stadion was. 'De passie in het Argentijnse voetbal laait soms zo hoog op dat er doden vallen. Dat is de verschrikkelijke keerzijde van de medaille.' Het centrum van die passie is het Estadio Armando ofte La Bombonera, 'de pralinedoos' (vanwege zijn rechthoekige vorm). Het biedt plaats aan 50.000 fanatieke supporters. Om het te vinden in Buenos Aires moet je naar het zuidoosten van de stad. Gelegen tussen de wijken San Telmo, Barracas en Puerto Madero en de rivier Riachuelo (die uitmondt in de Río Plata) is Boca een echte tourist trap. Bezoekers uit voornamelijk Brazilië, Noord-Amerika en Europa wandelen er door de kleurrijke straat Caminito, waar de parrillas (vleesgrills), de souvenirwinkeltjes en de tangodansers elkaar verdringen. Ook het stadion van Boca en zijn museum, het Museo de la Pasión Boquense, mogen niet overgeslagen worden. Langs de Calle Brandsen gaan de vintagetruitjes van Maradona, Riquelme en Martín Palermo, de beste schutter uit de clubgeschiedenis, als zoete broodjes over de toonbank. Velen willen het spektakel van een wedstrijd in La Bombonera meemaken, maar op een legale manier is dat niet mogelijk. 'Het stadion barst uit zijn voegen', zegt Rodrigo. 'Er is een enorme wachtlijst. De plannen voor een nieuw stadion worden echter op weinig enthousiasme onthaald. La Bombonera is mythisch, daar mag je niet aan raken.' Achter een van de doelen bevindt zich de tribune van de Doce of twaalfde man, de machtige barrabrava van Boca. In Argentinië staan de tribunes onder controle van de barras, maffiose fanclubs. Ze fungeren als drukkingsmiddel van clubbestuurders en politieke partijen en zijn altijd op het appel wanneer er met de spierballen gerold moet worden. Versta daaronder: manifestaties controleren of uit de hand doen lopen, spelers 'motiveren' of trainers 'aanmoedigen' om ontslag te nemen als het bestuur dat wil. In ruil krijgen ze van de club toegangstickets en de vrije hand in de business rond het stadion: kraampjes, verkoop van drank en snacks, doorverkoop van tickets... Op die manier wordt de kas van de Doce flink gespijsd. Bij elke thuismatch worden op de zwarte markt honderden tickets voor een woekerprijs verkocht aan toeristen, die voor de unieke kans om de sfeer in La Bombonera mee te maken, diep in de buidel willen tasten. De bestuurders van de clubs en de voetbalbond en de politici, die allemaal medeplichtig zijn, hebben de situatie niet meer in de hand. De grote geldbedragen die ermee gemoeid zijn, hebben geleid tot een machtsstrijd binnen de barrabrava. Twee clans verklaarden elkaar de oorlog. Bij de verplaatsing naar San Lorenzo op 21 juli 2013 kwam het tot een gevecht met vuurwapens, waarbij twee mensen het leven lieten. Sindsdien mogen er in Argentinië nergens nog supporters op verplaatsing meegaan, al worden daar sinds enkele weken opnieuw uitzonderingen op toegestaan. Zoals de meeste supporters betreurt ook Ramón Maddoni deze gang van zaken. In zijn stamcafé in de wijk Villa del Parque praat de oude man, gehuld in een joggingbroek van Boca en een trainingsjasje van de Franse nationale ploeg, het liefst over zijn passie: de jeugdopleiding. 'Al veertig jaar ga ik op zoek naar jonge talenten. Ik heb Tévez en Riquelme ontdekt, maar ook Esteban Cambiasso, Juan Pablo Sorín, Fernando Gago, Fabricio Coloccini en een pak anderen.' Maddoni stelde zijn kennersoog tussen 1980 en 1996 ten dienste van Argentinos Juniors. Dan klopte Mauricio Macri bij hem aan, de burgemeester van Buenos Aires en toenmalige voorzitter van Boca Juniors. 'Hij betaalde me een vet salaris om jong talent te blijven opsporen maar het voortaan naar Boca door te sturen.' De grootste talenten kwamen terecht in het Casa Amarilla, het trainingscentrum in de schaduw van La Bombonera. Jorge Griffa, de leermeester van Marcelo Bielsa bij Newell's, werd begin jaren negentig als coach aangetrokken. 'Om van de opleiding een van de beste van het land te maken', vertelt hij op zijn appartement in Recoleta. De resultaten waren beter dan verwacht. De diamantjes van de club werden er geslepen voor ze in de eerste ploeg belandden. Dat team, geleid door Carlos Bianchi, schreef de mooiste bladzijden in de geschiedenis van de club: Boca won drie keer de Copa Libertadores (2000, 2001, 2003) en twee intercontinentale bekers, tegen Real Madrid (2000) en AC Milan (2003). De reputatie van Boquita was meteen gevestigd in de hele wereld. 'Toen was Boca wereldtop', vertelt Bianchi. 'Helaas lijkt een herhaling van die prestaties vandaag onmogelijk. De Riquelme die toen onze ploeg leidde, zou tegenwoordig nooit langer dan een seizoen in Argentinië spelen.' Bianchi haalt daar de belangrijkste reden aan waarom Boca, en het Argentijnse voetbal in het algemeen, niet meer kan concurreren met de wereldelite: meer en meer talenten vertrekken, vooral naar Europa. 'Het is eenvoudig: ons doel is elk jaar vier spelers naar de eerste ploeg laten doorstromen', legt Maddoni uit. 'Twee om te blijven, twee om te verkopen. Gago ging destijds weg voor 25 miljoen dollar, Tévez voor 27 miljoen, maar nu vertrekken sommigen al voordat ze één wedstrijd in de hoogste afdeling gespeeld hebben.' Clubliefde is dus iets dat alleen nog bij de fans bestaat. 'Je kunt veranderen van godsdienst, van werk, van echtgenoot en zelfs van geslacht, maar niet van voetbalclub', zo luidt een Argentijns gezegde. De liefde is eeuwig, gaat verder na de dood: de club Boca Juniors heeft een deel van het kerkhof Parque Iraloa gereserveerd voor supporters, spelers en bestuurders die verkiezen om daar tussen gelijkgestemden te rusten. Fernando Gago, die uitkwam voor Real Madrid, AS Roma en Valencia, is een van de spelers die terugkeerden naar de heimat. 'Argentinië heeft niet - of niet meer - de vedetten die Europa heeft. De sociaaleconomische situatie is hier moeilijk, maar de manier waarop onze supporters het voetbal beleven en de stadions vullen, zoals La Bombonera dat je tot het uiterste drijft, dat heb ik nergens anders gezien.' Komend weekend zou het delirium compleet kunnen zijn. Als Boca thuis wint van Tigre (of Rosario Central wint niet op Banfield), dan is het voor de 25e keer kampioen van Argentinië in het betaald voetbal (sinds 1931). Dat die titel behaald wordt met 'de speler van het volk' als kapitein, is een extra bron van trots, net als het feit dat Boca sinds kort de enige club is die nog nooit uit de Argentijnse Primera División degradeerde (River Plate speelde in 2011/12 in tweede, Indepediente in 2013/14). Dat is iets waar de bosteros hun rivalen, na twee lastige jaren, graag aan herinneren. Léo Ruiz in Buenos Aires