Het geruis van de autoweg klinkt in de verte en is zowat het enige geluid hier in de straten van Amsterdam. Een spaarzame fietser, een man die met gebogen rug een boodschappenkar met daarin drie tassen voortduwt, een claxonnerende automobilist... Ze kijken niet op of om. Dit is Betondorp, een dorp waar de anonimiteit van de stad regeert.
...

Het geruis van de autoweg klinkt in de verte en is zowat het enige geluid hier in de straten van Amsterdam. Een spaarzame fietser, een man die met gebogen rug een boodschappenkar met daarin drie tassen voortduwt, een claxonnerende automobilist... Ze kijken niet op of om. Dit is Betondorp, een dorp waar de anonimiteit van de stad regeert. In de Akkerstraat is het al even kalm. De vogels fluiten en de zon verwarmt de straten. Tussen de soberheid van woningen in beton en huizen van rood baksteen valt een plakkaat op. Voor de ramen van het hoekhuis op nummer 32 is een grote foto afgebeeld van een klein, dun mannetje dat een leren bal hooghoudt. De foto is nog in zwart-wit, het ventje is Johan Cruijff, de man die het voetbal zou veranderen en hier, voor de ramen van zijn ouderlijk huis, in één zin de basis daarvan samenvat: 'Buiten spelen zou een vak moeten zijn op school.' Tot zijn twaalfde woonde Cruijff hier, in de Akkerstraat 32. Nu wordt het hoekhuis verhuurd aan een vrouw met kind. De gordijnen blijven deze middag dicht, de deuren gesloten; de aandacht rondom Cruijff mijdt ze het liefst. Het hoekhuis staat op de kruising met de Tuinbouwstraat en heeft grote, langgerekte ramen. Beeld je onder die vensters rekken in met daarop zware, houten bakken vol met kroppen sla, bieten, komkommers, kool en bonen, en lees op de ramen in gedachten het wit van het kalk waarmee de prijzen in centen per pond zijn gekrast, en de groentewinkel van de familie Cruijff wordt levend. Dit is de plek waar vader Manus Cruijff net na de Tweede Wereldoorlog al om zes uur 's ochtends vertrekt. De vrachtwagen deelt hij met nog twee groenteboeren uit de buurt en samen rijden ze elke dag naar de markthallen aan de andere kant van de stad om hun winkel van voorraad te voorzien. Een erbarmelijke tocht door donkere straten vol kuilen en hobbels, gladde tramrails en zonder Touring Wegenhulp. Moeder Nel Cruijff-Draaijer werkt ondertussen in de winkel en sjouwt de zakken naar binnen die haar man in de loop van de dag meebrengt van de markt. Tot zes uur 's avonds helpen ze de klanten in de winkel. Daarna moeten de boodschappen rondgebracht worden bij de mensen thuis en de lege kistjes weer in de vrachtauto geladen worden, om ze de volgende dag te kunnen vullen op de markt. Wanneer moeder het huishouden moet doen en vader naar de markt is, passen hun zonen op de winkel. Henny is tweeënhalf jaar ouder dan Johan. Ze dragen tasjes van de klanten, berekenen de prijzen en helpen kistjes sjouwen. Cruijff's aardappelenhandel zit voor de oorlog nog in de Jordaan, een van de meest iconische wijken van Amsterdam. De volksbuurt wordt dan nog gekenmerkt door donkere straten vol dronkaards, de grachten stinken en tussen de verpauperde huizen liggen gure steegjes. In de drukbevolkte Jordaan heerst armoede en de buurt kreunt onder de bezetting van de nietsontziende Duitsers. Er is honger. Veel honger. Manus Cruijff is als jongen aan één oog blind geraakt en kan zodoende niet worden ingezet bij de Duitse arbeidsinzet. Hij zorgt in de oorlog met illegale vleesvoorziening voor de mensen uit de Jordaan, hoe miniem de porties ook zijn. Maar in de hongerwinter van 1944/45 moet zijn winkel sluiten, net als de zaakjes in de buurt. Er is geen eten meer... Na de bevrijding worden de ruiten van een groentewinkel in Betondorp ingegooid. De eigenaar was tijdens de oorlog een lid van de Nationaal-Socialistische Beweging en de ruimte komt vrij. Manus wordt over het pand aan de Akkerstraat getipt door de schoonzus van zijn vrouw, die er om de hoek woont, en in overleg met de gemeente mag de familie Cruijff daar opnieuw beginnen, mede vanwege zijn inzet voor de mensen in de Jordaan gedurende de oorlog. Betondorp is dan het Betondorp waarover Gerard Reve schrijft in zijn roman De Avonden, dat hij daarin Cementwijk noemt. Later zou hij de buurt waarin hij opgroeide, omschrijven als 'een sfeer van onpeilbare diepe, onontkoombare weemoed. Laat elke hoop varen, gij die hier opgroeit. Vrees, gevaar, eenzaamheid, de huizen evenzovele grotten en holen, bewoond door onberekenbare demonen, dat is eigenlijk mijn jeugd.' Maar de familie Cruijff komt uit de Jordaan en de dorpssfeer die ze op hun nieuwe plek aantreffen, is in niets te vergelijken met de krochten in hartje Amsterdam. En in het jaar dat de klassieker van Reve verschijnt, in 1947, ziet hun tweede zoon het levenslicht, Johan Cruijff. Zijn ouders noemen hem Jopie of Jo, en met hen al gauw de hele buurt. Als Jordanees is Manus nog voor FC Blauw-Wit Amsterdam, maar nu hij in Betondorp tegenover Stadion De Meer woont, wordt Ajax zijn nieuwe club. Hij is elke vrije minuut aan de Middenweg 401 te vinden, en ook Nel doet er vrijwilligerswerk in de kantine. Voor de echte Betondorpers is TWM, Tuindorp Watergraafsmeer, dé club. Ajax is namelijk van de stad, groots en werelds. Mannen met grote hoeden en sigaren in de mond passeren met opgedirkte vrouwen aan hun zijde aan de rand van Betondorp, een wijk voor socialistische arbeiders ontstaan na de Eerste Wereldoorlog. De winkel aan de Akkerstraat is het epicentrum als het gaat om nieuwtjes bij de club. Kranten brengen nog geen sportnieuws, hooguit ranglijsten, en in zijn groentewinkel weet Manus zijn klanten exact te vertellen hoe de vlag erbij hangt bij Amsterdams grootste club. Hij noemt zichzelf 'hofleverancier van Ajax'. Voor fruitmanden en groentekistjes klopt de club bij hem aan. En zijn zoon Johan Jopie Cruijff trekt eropuit om ze te bezorgen; het ventje wil niets liever dan bij Ajax rondlopen. Manus' jongens dromen van een toekomst aan de overkant van de straat, op nog geen 400 meter van hun thuis. Het eerste tenue dat Jopie krijgt, is dan ook rood met wit. Hij is dan drie jaar oud en zijn oma heeft het met Sinterklaas uit witte en rode lappen voor hem genaaid. De sokken breit ze. Hij draagt het zoveel hij kan en het duurt niet lang of de hele buurt kent Jopie met zijn rood-witte pakkie. Ook in de kantine bij Ajax gaat zijn naam al rond nog voor hij er speler is. Manus gloeit van trots. Bij Ajax is Jopie al gauw ettelijke dagen per week te vinden. Rond zijn vijfde leert hij er Henk Angel kennen, een vriend van zijn vader en bovendien terreinknecht bij de club. Hij vraagt Jopie hem te helpen met allerhande klusjes en zo leert het mannetje elke uithoek van het stadion kennen. De Meer is zijn tweede thuis. De Meer is zijn toekomst. Wie dezer dagen vanuit Betondorp naar de Middenweg kijkt, ziet niets meer van dat karakteristieke stadion terug. Op de plek waar eens het geluid van een uitzinnig publiek tot in de omringende wijken klonk en de stadionlichten statig uittorenden boven de eenvoud, is een nieuwbouwwijk verrezen. De nostalgicus in ons krijgt hartzeer wanneer hij bij het zien van deze plek terugdenkt aan de jaren voor 1996. Het lijkt met al deze hoogbouw nooit te hebben bestaan. En zo is het met meer dingen in deze buurt. Wie in Betondorp op zoek gaat naar de mensen die nog met Cruijff voetbalden, kan zich de moeite besparen. De meesten trokken de wijk al lang geleden uit of zijn overleden. Aan de overkant van de Akkerstraat veegt een vrouw op leeftijd de straat met een bezem van stro. Ze is gehuld in een lang schort dat met de jaren vaal werd, haar rug lijkt de last van een lang leven te dragen. 'Johan Cruijff? Nee', schudt Sjaan Scholtes (92) het hoofd. 'Ik woon hier nu 36 jaar, maar ik kende enkel Nel. Niet goed, hoor, alleen van een 'goeiendag'. Een hardwerkende vrouw, dat was het.' In het Buurthuis komen nog weleens wat mensen van die tijd samen, maar dat is deze middag dicht. Net zoals Café Betondorp nog gesloten is. Ertegenover zit een vrouw in haar voortuin. In een witte tuinstoel buigt ze zich over een puzzelboekje. Haar huid is rood en glanst van de zonnebrand. Het 'hallo' klinkt in onvervalst Amsterdams door de straten. Ook zij kende Cruijff niet; Jo de Ruijter woont er ook pas twintig jaar. Dan maar een andere hoognodige vraag: is hier een restaurant of café voor een toilet? Maar Jo heeft een andere oplossing. Ze steekt haar hand uit. 'Geef me effe je hand, want ik ben kreupel.' We trekken haar omhoog en zien een andere vrouw haar rollator naast de tuinstoel van Jo parkeren. ' So, kom je buiten spelen, buuf?', vraagt ze, en duwt haar voordeur open. 'Je vindt het wel, hè? Ik kèn die trap niet zo gemakkelijk op.' De Amsterdamse bovenwoning is zoals je je die voorstelt: Perzische tapijten, bruine meubels, kanten gordijnen en tierelantijntjes. Onder het raam babbelen de twee over het weer van morgen en de felle zon van vandaag. Eenmaal beneden danken we Jo voor haar gastvrijheid. 'Nou mop, je bent het lekker kwijt.' Eenmaal terug bij Akkerstraat 32 staat de voordeur ertegenover open. Een vrouw met blond haar, donkerrode lippenstift en krullende wimpers was niet zuinig met de parfum en laadt haar auto in. Ze kijkt op bij een vraag over Cruijff en lacht. We zijn niet de eersten. 'Vooral de laatste jaren, na zijn overlijden, is het hier druk. Maar ik houd er wel van, een beetje reuring in het dorp.' Marian Bijenveld (74) woont al vanaf 1970 in het huis tegenover de voormalige groentewinkel van Cruijff, maar ze heeft de familie niet gekend. Vader Manus is in die tijd al lang overleden, de winkel werd van de hand gedaan en moeder Nel ging met haar kinderen twee straten verderop wonen. Boekhandel De Akker die Marian Bijenveld in die tijd bestiert, is de opvolger van boekhandel P. Nuijs, de leesbibliotheek waar Manus detectives van zijn favoriete schrijver Edward Multon leent. Boekhandel De Akker wordt meer dan dat: het is een echt buurtwinkeltje, waar je terecht kunt voor sigaretten, tijdschriften, boeken en snoep. 'Een heel gezellige tijd', noemt Bijenveld het. Op elke hoek in het dorp is er een winkel: een kledingzaak, een notenwinkel, een groenteman, en op de Brink - het centrum van Betondorp waarop alle straten uitmonden - nog een kruidenier, een bakker en slager. Bijenveld kent de buurt door en door omdat de mensen bij haar in de winkel komen. Zo ook Johan Cruijff. 'Voor sigaretten, hè... En met zijn kinderen voor snoep. Een heel aardige man, heel normaal, geen gekke dingen. Nou heb ik dat toch niet: dat ik bij een bekend persoon flauwval, of zo. Ik negeer ze juist, weet je. Ze voelen zich toch vaak al hippie. Al was dat bij Johan niet zo, hoor.' Ook Bijenveld heeft de wijk zien veranderen. De buurtwinkeltjes sluiten hun deuren onder de druk van de grote winkels in de stad en de kinderen die in Betondorp voor het leven op straat zorgen, vertrekken. De huizen die vrijkomen, zijn lange tijd verhuurd. Nu ze verkocht worden, trekt Betondorp opnieuw jonge mensen aan. 'Het is echt een dorp, maar mensen zijn wel op zichzelf. Mijn naaste buren wonen er drie jaar en heb ik bij wijze van spreken nog nooit gezien. Vroeger was er meer saamhorigheid, meer toezicht op elkaar. Toen ik hier kwam wonen, werd ik doorgelicht. Wie ik was, waar kwam ik vandaan, et cetera. Je moest je voortuin netjes bijhouden en deed je dat niet, dan kwam de gemeente dat doen en kreeg je een rekening. Als je nu soms ziet hoe de tuinen erbij liggen...' Dan moet Bijenveld ervandoor. Ze stapt haar auto in en zwaait. 'De mazzel, hè!' Alleen Hans Bethlehem in diezelfde Akkerstraat heeft nog met Cruijff op straat gevoetbald, horen we van de uitbater van De Lekkernij, een broodjeszaak op de Brink. Maar ook hier blijft de deur gesloten. We laten een briefje achter of we hem eens kunnen bellen, maar de oude vrouw, een half uur later nog altijd in de weer met haar bezem, schudt vanaf de andere kant van de straat het hoofd. 'Hij heeft geen telefoon.' Vlak na het overlijden van Cruijff, in 2016, vertelde Bethlehem in de Volkskrant: 'Zelf heeft Johan altijd gezegd dat hij liever om het huis op de Akkerstraat heen liep. Zijn vader zakte in elkaar, een hartaanval. Johan was gek op die man, hij wilde er niet aan herinnerd worden hoe die overleed.' Cruijff is dan pas twaalf jaar. Hij is op de lagere school voor zijn diploma-uitreiking en zijn leraar vertelt hem naar huis te gaan. Cruijff weet dan nog niet waarom, maar voor zijn huis ziet hij een ambulance staan. 'Papa is niet goed geworden', zegt zijn moeder hem. Even later horen ze dat hij is overleden. De dood van zijn vader laat Cruijff nooit los. Schuin tegenover De Meer ligt zijn graf en wanneer hij erlangs fietst, praat hij met hem. Hij vertelt over thuis, dat moeder hard werkt, of over het voetbal, dat de scheidsrechter een eikel was en dat hij overhoop ligt met het bestuur van Ajax. Dat soort dingen. Bij iedere moeilijke beslissing vraagt hij raad. 'Wat vind jij?' Cruijff in zijn biografie Mijn Verhaal: 'Dan stond ik de volgende ochtend op en wist wat ik moest doen. Ik heb nog steeds geen idee hoe het in elkaar steekt, maar bij iedere beslissing die ik moest nemen was het er, de overtuiging van hoe ik het moest aanpakken. 'Het is logisch dat je op een gegeven moment gaat twijfelen. Dat je je afvraagt of het allemaal wel echt is. (...) Er is immers nog nooit iemand teruggekomen. 'Ik heb mijn vader toen een beetje voor het blok gezet. Ik vroeg hem mijn klokje stil te zetten wanneer hij, in wat voor vorm dan ook, in mijn nabijheid was. Het kan toeval zijn, maar de volgende ochtend stond mijn klokkie stil. Mijn schoonvader had een klokjeswinkel en diezelfde dag heeft een horlogemaker ernaar gekeken, die niets kon vinden maar hem wel weer aan de praat kreeg. 'Prompt de volgende ochtend hetzelfde verhaal. Weer stond mijn horloge stil. Ik ben weer naar die winkel gegaan en weer konden ze niets vinden. Die avond heb ik tegen mijn vader gezegd dat hij me heeft overtuigd. Mijn klokje is toen weer gaan lopen en heeft nooit meer stilgestaan. Ik draag hem nog dagelijks.' De man die hem zo graag in het Ajaxshirt had zien schitteren, ziet hem nooit aan De Meer. Deze middag is het twee dagen na de huldiging van de Amsterdamse landskampioen en in Betondorp blijft Ajax dichtbij, ook nu De Meer verdwenen is. De thuisbasis ligt dan sinds 1996 vijf kilometer zuidelijker, het stadion heet sinds dit seizoen de Johan Cruijff Arena. Een man in Ajaxshirt, gouden ketting en pyjamabroek in batmanprint fietst voorbij. Zijn knieën reiken haast tot aan het stuur en de banden van de paarse mountainbike deinen op het zware ritme van zijn lichaam. Aan het einde van de Akkerstraat wappert een Ajaxvlag uit het raam, op de gevel drie huizen ernaast is een immens Ajaxshirt gespannen. De straat mondt uit op een langgerekte groene strook, onder het enorme scherm van de ruisende ring rond Amsterdam. Een man laat zijn hond uit, er klinken fietsbellen, botsende ballen en schelle kinderstemmen. Jongens in Ajaxshirts beroeren de bal op het Cruijff Court, pal naast een basketbalveld en speeltuin. Ze zijn deze middag niet langer Cruijff, maar Tadic, De Ligt of De Jong. Op deze plek slijt ook Cruijff uren en uren, net als in de straten van Betondorp en op het terrein achter hun school, 't Zandje. Het stukje is dertig bij veertig meter en een ideale plek, zo zonder smerissen, die in die tijd nog de straten afschuimen om jongens te bestraffen die op straat voetballen. Meester Hamel is de scheidsrechter en laat hen onder schooltijd langer doorspelen. Zo kan ook hij zich langer amuseren. Ook meneer Melis, die eigenlijk om half zes de poorten van de school moet sluiten, geeft ze extra speeltijd. Zo erg geniet hij van de jongens, vaak in gezelschap van mannen die thuiskomen van het werk. Met Jopie als de dirigent. Na het overlijden van Manus Cruijff verhuist moeder Nel met haar twee zonen Henny en Jopie naar een kleiner huis in Betondorp. De oudste lijkt op vader: groot en breed en gezegend met een grote bos zwart haar; een echte Jordanees. Jopie is dun en frêle en heeft sluik haar. Hij lijkt op zijn moeder, ook qua karakter en wordt vaker omschreven als 'een doodgoeie jongen'. Zijn bijdehandheid schrijft Cruijff zelf dan weer toe aan zijn vader, met wie ze de grootste lol hebben. Henny is met de bal aan de voet lange tijd de betere; hij wordt steevast als eerste gekozen wanneer de ploegjes verdeeld worden. Jopie mag aanvankelijk zelfs niet eens meedoen met zijn broer en diens vriendjes, maar hij blijft telkens net zolang zeuren tot hij bij de tegenpartij van Henny wordt ingedeeld. Na verloop van tijd wil die zijn broertje in zíjn team. En weer een poos later mag er bij de tegenpartij een man extra meedoen. Zó goed is Jopie. Wanneer het regent, spelen de jongens onder een bruggetje dat zich over de Akkerstraat buigt, of ze koppen de bal naar elkaar zonder dat die de grond mag raken. Grind, zand, steen, gras.... De verschillende ondergronden, steeds een andere bal... Ze zijn nog altijd belangrijk binnen de jeugdopleiding van Ajax. Want Jopie leert zo het spelletje zelf. Nou ja, leert... Cruijff ís het voetbal, en hij verfijnt het op het grind waar hij met zijn vriendjes zó uitgebalanceerd raakt dat ze niet meer vallen. Want dat grind... dat doet zeer. Op straat leggen ze op de putten een blok, raken is één punt. Zo leren ze mikken. En de ballen van de Hema stuiteren fantastisch; goed voor de anticipatie. Met tennisballen werken ze aan de verfijnde techniek en Jopie schiet ze zó zuiver en hard dat ze tussen de spaken van een fiets blijven haken. Als het even kan, pakken ze een echte 'leren knikker'. Maar ook blikjes, stenen, proppen papier of zilverpapier kleven aan de voet van Cruijff; voor Jopie is alles een bal. In de partijtjes vervloeken zijn tegenstanders de kunst van het magere ventje. Met dat slangenlijf van hem is hij zijn vriendjes al voorbij nog voor ze hem zagen aankomen. Ze snappen pas wat hij deed als hij hen al lang voorbij is. En dan vaak nog niet helemaal. Zijn hersenen en voeten zijn één. 'Denk je wel eens?', vraagt Henny. 'Nee, dan ben je al te laat', antwoordt Jopie. Als ze samenkomen om te voetballen, is het Jopie die de bal heeft, en niemand anders. Hij trapt af, want dat is normaal. Hij leert dat zijn voet verschillende delen heeft en met élk deel ervan kun je de bal beroeren. Een deel voor een effect om de tegenstander te verrassen, een voor efficiëntie als je voor de keeper staat, een voor precisie en nog een voor snelheid. Zo is het ook met zijn lijf. Hij plaatst het in de baan van de bal om 'm mee te nemen. Zo ben je het snelst, het meest wendbaar, niet te grijpen. Ze weten dan al: Jopie wordt geen voetballer. Hij is het al...Bronnen: Johan Cruijff, Mijn Verhaal - Het Amsterdam van Johan Cruijff - Cruijff! De jonge jaren.