Het is alsof ze tot bij hen kwam zonder dat ze daar echt om vroegen. Enkel Real Madrid heeft dat soort aantrekkingskracht op de zo gegeerde Champions League-trofee. Nadat het al de twee edities daarvoor won, kon de Koninklijke uit Madrid in de lente een derde opeenvolgende kroon bij op het palmares zetten. Bijna zonder moeite.

De CL editie 2018 werd het verhaal van een transitiejaar. FC Barcelona zocht naar een manier om het talent van Lionel Messi optimaal te omringen in wat zijn laatste cyclus moet worden bij de blaugrana. Bayern greep terug naar de oude ingrediëntenkast van Jupp Heynckes om een middelmatig seizoen op te smukken. Atlético Madrid degradeerde even naar de Europa League en Juventus zat nog vast in de verwerkingsfase na het trauma van Cardiff, waar de Italianen enkele maanden eerder een pijnlijke 4-1 pandoering in de finale kregen aangesmeerd van de troepen van Zinédine Zidane.

Tegenover het enthousiasme van de Reds van Jürgen Klopp en het opportunisme van het Roma van Dzeko en Nainggolan stond dus Real. In eigen land op een teleurstellende derde plek geëindigd, dichter bij het nummer zes Betis dan bij de kampioen uit Catalonië. Maar toch in staat om Europees enkele gala-avonden uit de voeten te toveren. Zelfs al haalden Toni Kroos, Luka Modric en Casemiro niet hun gebruikelijke niveau. De doelpunten van Cristiano Ronaldo, de parades van Keylor Navas en vooral de stratosferische prestaties van Sergio Ramos -onterecht herleid tot dat ene duel met Mo Salah- volstonden om de al uitpuilende eregalerij van Real Madrid verder aan te vullen.

De laatste keer dat een club driemaal op rij de Europese oppergaai wist te winnen, dateert uit de jaren zeventig, toen het Bayern München van Franz Beckenbauer drie Europese bekers op rij won. Net zoals het Ajax van Johan Cruijff dat iets eerder deed. Een tijdperk waarvan we allemaal dachten dat het zich niet meer kon herhalen. Het voetbalspelletje mag dan definitief veranderd zijn, het lijkt in ieder geval geen vat te hebben op de grandeur van Real Madrid.