Waar je ook komt, er zijn maar een paar dingen die iedereen doet. Alle mensen op de wereld eten, slapen, drinken, praten en ... spelen voetbal. Met een leren bal, met een bal van stro, met een bal van kleren en _ als het niet anders kan _ met de kop van Jut. Het lijkt erop dat mensen gemaakt zijn om voetbal te spelen en er niet onderuit kunnen om het ook nog leuk te vinden.

Verhalen over spelletjes of activiteiten waarbij tegen een rond voorwerp wordt geschopt, gaan terug tot 2500 voor Christus. Het eerste bevestigde voetbalachtige spel begon rond 300 voor Christus in China, een spel genaamd tsu-chu, waarin soldaten een met leer gebonden bal van veren door een net schopten. Een geëvolueerde, niet-competitieve variant van tsu-chu ontstond in Japan rond 500-600 na Christus, genaamd kemari, waarin deelnemers gewoon proberen om de bal omhoog te houden zonder hun handen te gebruiken. Deze variant bestaat nog steeds, zoals blijkt uit de deelname van president Bush aan een kemarisessie in 1992.

Andere voetbalvoorgangers gebruikten vaak voeten en handen om ballen van verschillende materialen te verplaatsen en betrokken daarbij teams van verschillende grootte. Deze omvatten de oude Romeinse harpasta en de oude Griekse episkyros.

Organisatiestress is één van de meest onderschatte risicofactoren in het voetbal.

Kijken we naar profvoetbal, dan zien we nog steeds dezelfde vreugde die bij het voetbal 'spelen' hoort en die gedeeld wordt door miljarden toeschouwers op de tribunes en voor de buis. Het is daarom vreemd, maar niet onbegrijpelijk, dat er relatief weinig baanbrekend onderzoek naar zoiets belangrijks als de gehele mens binnen de voetballerij gepubliceerd wordt. Natuurlijk zijn er onderzoeken naar prestatievermogen, blessuregevoeligheid, voeding, techniektraining en nog vele andere geïsoleerde parameters van voetballers. Deze data zijn interessant, maar van elkaar gescheiden, zijn ze van relatief weinig waarde.

'Data van geïsoleerde parameters zijn interessant, maar van elkaar gescheiden, zijn ze van relatief weinig waarde.'

Waarschijnlijk komt dit door een gebrek aan innovatienoodzaak of misschien zelfs wel door jobangst. Dat laatste hoort bij de natuurlijke menselijke weerstand tegen verandering en dat is in de voetballerij wel heel erg merkbaar. Terwijl we dus wachten op een echte wetenschappelijke doorbraak binnen het voetbal, liggen in andere sporten de 'ontdekkingen' voor ons opgestapeld. Zo is allang bekend dat:

-de temperatuur van de darm (en daarmee de hersenen) voor een groot deel de prestatie en de blessuregevoeligheid bij marathonlopers bepaalt;

-verhoogde glucosewaarden in het bloed de snelheid van atleten verminderen;

-een koolhydraatrijk dieet de ontstekingstijd na een intensieve belasting met factor twee verlengt;

-de belangrijkste oorzaak voor het verlies van concentratie een gebrek aan glucose in de hersenen is.

'De belangrijkste oorzaak voor het verlies van concentratie is een gebrek aan glucose in de hersenen.'

Vooral die laatste factor is in het voetbal van groot belang.

De meeste wedstrijden worden beslist in het laatste deel ervan. De verklaring van veel trainers is dan: door concentratieverlies van de verdediging in de laatste twintig minuten verloren we het positiespel en alles waar we op trainden, dus zullen we er nog meer op moeten trainen.

De vraag zou moeten zijn: waaróm verliest een voetballer op het einde zo vaak de concentratie?

Doet hij dat vrijwillig? Omdat hij geen zin meer heeft? Om de trainer te pesten?

Wat als het concentratieverlies het gevolg is van een tekort aan glucosetransport naar de hersenen?

Dan kunnen daar verschillende factoren de oorzaak van zijn:

-een niet optimaal dieet;

-een fout dagritme;

-een mentale stressintolerantie;

-en zelfs een verborgen chronische activiteit van het immuunsysteem die grote hoeveelheden glucose verbruikt.

In dit geval is er niet alleen een oplossing voor prestatieverbetering, maar ook voor blessurepreventie, versnelling van genezing, verbetering van de stresstolerantie en nog veel meer parameters die een voetballer wel of niet succesvol maken.

'Mentale stress is in staat om de noodzaak aan energie voor de hersenen zo te vergroten dat de spieren daardoor energie te weinig krijgen en blessuregevoelig worden.'

Mentale stress is in staat om de noodzaak aan energie voor de hersenen zo te vergroten dat bijvoorbeeld de spieren daardoor te weinig energie krijgen en blessuregevoelig worden.

Kijkt u maar eens naar de beste voetballer aller tijden, die tot en met maart 2013 bijna immuun leek voor blessures. Na maart 2013 veranderde dat acuut, samen met zijn leven: hij kreeg een kind en dat verandert een onbezorgde voetballer in een bezorgde vader. Maar diezelfde voetballer liet ook zien dat mensen na een hele tijd (bijna twee jaar) een nieuwe mentale stresstolerantie ontwikkelen, waardoor de energie weer optimaal verdeeld kan worden en het prestatieniveau wordt hersteld.

Een van de belangrijkste risicofactoren voor slechte resultaten en blessures is organisatiestres. Dat is de stress die veroorzaakt wordt door bijvoorbeeld:

-onzekerheid over het verlengen van het contract;

-dreigende degradatie;

-verandering van context door een nieuwe trainer, terwijl je gehaald werd door de vorige;

-onvoldoende vertrouwen in of betrokkenheid van de medische staf;

-niet te weten wie je kunt vertrouwen, zoals door een nieuwe eigenaar die alles wil veranderen, verschillende kampen in de club, taalbarrières of kliekjesvorming in de kleedkamer.

Organisatiestress is een factor die in het voetbal totaal wordt onderschat en juist bij veel profclubs verantwoordelijk kan zijn voor degradatie, ernstig blessureleed en conflicten binnen het team. Goede recente voorbeelden daarvan zijn FC Malaga, Grashoppers en zelfs Real Madrid. Ik heb de ondergang van een van deze clubs het voorbije seizoen 'mogen' beleven. De impact van de organisatiestress was daar zo groot dat we ondanks alle evidence-based maatregelen voor blessurepreventie en prestatieverbetering meer blessures hadden dan ooit. Na een multivariabele analyse werd duidelijk dat het voor het hele technische team onbegonnen werk was om te knokken tegen vijftien jaar organisatiestress.

'Voetballers die aan het 'non-permissive brain syndrome' lijden, worden gekenmerkt door concentratieverlies, verlies aan coördinatie, ontstekingsgevoeligheid, vertraagde wondheling en emotioneel controleverlies.'

Stelt u zich nu eens voor dat een topvoetballer behalve door mentale stress ook nog eens belast is met een immuunsysteem dat continu actief is en dat dit extra energieverbruik ten koste gaat van de energie die nodig is voor het bewegingsapparaat. Dan kan er nog een grotere stresstoestand ontstaan en kunnen er zelfs spierweefsels afgebroken worden. Dit leidt natuurlijk tot blessures van de spieren (en andere delen van het bewegingsapparaat, waaronder ligamenten), prestatieverlies en zelfs tot wat ik in een belangrijke publicatie het 'non-permissive brain syndrome' noemde. Mensen die aan dit syndroom lijden, worden onder meer gekenmerkt door:

-concentratieverlies;

-verlies aan coördinatie;

-ontstekingsgevoeligheid;

-vertraagde wondheling (zoals een beroemde tennisser die na een blessure altijd drie à zes maanden nodig heeft om te genezen);

-emotioneel controleverlies (zoals de ref duwen en een rode kaart krijgen).

Dat laatste lijkt wel op een team dat de laatste twintig minuten niet meer in staat is om de afgesproken opdrachten uit te voeren, op een midhalf die een spierscheur oploopt zonder aanwijsbare oorzaak, op een keeper die een ongelofelijke blunder begaat en op een spits die zonder noodzaak iemand in zijn schouder bijt.

'Bij sommige voetballers bedraagt de bètacelactiviteit in de pancreas 199 procent van de normale activiteit.'

Een onderzoeksgroep onder mijn leiding is op dat vlak in het voetbal een prospectief psycho-neuro-immunologisch onderzoek aan het uitvoeren. De eerste data, afkomstig van teams in Engeland, Duitsland en Spanje zijn veelbelovend. Daaruit blijkt onder meer dat zo'n dertig procent van de voetballers aan prediabetes lijdt. Bij sommige spelers bedraagt de bètacelactiviteit in de pancreas 199 procent van de normale activiteit.

Klinische psycho-neuro-immunologie (kPNI) is de wetenschap die de hersenen, het immuunsysteem en alle andere systemen via een begrijpelijk model met elkaar verbindt. De enige drie autonome systemen die in staat zijn om alle andere organen en systemen onderdanig te maken zijn de hersenen, het immuunsysteem en het stofwisselingssysteem. Een model gebaseerd op de energieverdeling bij topvoetballers geeft de mogelijkheid om te bepalen wat de risico's zijn voor het individu en het team. Daarin kan kPNI het verschil maken. Het is zelfs in staat het landschap in voetballand grondig te veranderen.