Het is 2006 en de U12 van Willem II doet mee aan een zaalvoetbaltoernooi in Rotterdam. Tussen de wedstrijden door kunnen de spelertjes individueel meedingen om een penaltybokaal en namens de Tilburgers weet een klein blond mannetje van acht zich te plaatsen voor de finale. De tribunes zijn afgeladen vol, in het doel staat de keeper van Feyenoord U18 die zó groot is dat er geen ruimte meer over lijkt in het zaalvoetbalgoaltje. Het voetballertje van Willem II neemt een aanloop en stift de bal zó over de vallende doelman. 'Je kon een speld horen vallen', zegt Robby Hendriks, toen en nu jeugdtrainer bij Willem II. Ruim dertien jaar later heeft hij het moment zo weer op zijn netvlies staan. 'Er zaten zo'n tweeduizend man in de zaal en die gingen allemaal uit hun dak. Hij besloot gewoon te stiften! Hadden wij hem niet verteld, hij bedacht het allemaal zelf. We wisten wel dat Frenkie speciaal was, maar dit vergeet ik nooit meer.'
...

Het is 2006 en de U12 van Willem II doet mee aan een zaalvoetbaltoernooi in Rotterdam. Tussen de wedstrijden door kunnen de spelertjes individueel meedingen om een penaltybokaal en namens de Tilburgers weet een klein blond mannetje van acht zich te plaatsen voor de finale. De tribunes zijn afgeladen vol, in het doel staat de keeper van Feyenoord U18 die zó groot is dat er geen ruimte meer over lijkt in het zaalvoetbalgoaltje. Het voetballertje van Willem II neemt een aanloop en stift de bal zó over de vallende doelman. 'Je kon een speld horen vallen', zegt Robby Hendriks, toen en nu jeugdtrainer bij Willem II. Ruim dertien jaar later heeft hij het moment zo weer op zijn netvlies staan. 'Er zaten zo'n tweeduizend man in de zaal en die gingen allemaal uit hun dak. Hij besloot gewoon te stiften! Hadden wij hem niet verteld, hij bedacht het allemaal zelf. We wisten wel dat Frenkie speciaal was, maar dit vergeet ik nooit meer.' Frenkie is Frenkie de Jong, nu nog even speler van Ajax en straks van FC Barcelona. De trainer die het allemaal ziet gebeuren, heeft hem als voetballertje van Willem II onder zijn leiding. 'Ach, Frenkie', zegt Hendriks even vertederd als enthousiast. 'Er zijn spelers die je van alles moet aangeven, maar Frenkie wist op die leeftijd al hoe voetbal gespeeld moest worden. Hij was ook redelijk eigenwijs, in de positieve zin van het woord. Als wij hem iets vertelden, dacht hij na, keek je vervolgens aan met dat blonde koppie en zei: 'Zus en zo moet het ook kunnen.' Kwam hij na afloop even langslopen: 'Zie je wel!', zei hij dan. Sommige spelers moet je gewoon laten begaan.'Frenkie de Jong daarover in een interview in Voetbal International: 'Ik liet me nooit iets aanpraten, deed zoveel mogelijk op intuïtie. Ik hou van risico, van vooruit voetballen, op avontuur gaan.' De Jong legt de basis daarvoor in Arkel. Het plaatsje in het uiterste zuiden van Zuid-Holland ligt hemelsbreed ter hoogte van Rotterdam en leunt aan tegen de grens met Noord-Brabant. Rivier de Linge en het Merwedekanaal duwen het piepkleine dorp met amper drieduizend inwoners in een punt, omgeven door water en weilanden. Arkel is een plek waar rust en gemoedelijkheid primeren. Iedereen kent elkaar en kan terugvallen op de hechte gemeenschap die de mensen er vormen. De Jong komt graag terug in zijn geboortedorp. Ook nu hij in Amsterdam woont, zakt hij zo'n drie keer per week de zeventig kilometer af naar het zuiden. Voor zijn vrienden en broertje, voor de gehaktballen van zijn oma en de geborgenheid van zijn ouders, zelfs nu die inmiddels gescheiden zijn. Vader John de Jong is parkeercontroleur in Delft, moeder Marjon Schuchhard werkt in de thuiszorg. Met zijn twee jaar jongere broertje Youri groeit Frenkie op aan de Prinses Beatrixstraat, een hoekhuis in een heel normale buurt met rijtjeswoningen. Zijn naam krijgt hij van zijn moeder, die de afspraak met haar man maakt dat zij de naam mag kiezen als het een jongetje zou worden. In die tijd is de Engelse band Frankie Goes To Hollywood populair en Marjon vervangt de 'a' door de 'e' omdat ze niemand kent met die naam. Ook zijn vader moet bekennen: het is een naam die bij zijn zoon past. Speels, lieflijk, ongewoon. Al op elf maanden trapt Frenkie tegen de bal. Hij is moeilijk stil te krijgen als baby, behalve wanneer ze iets ronds in de box leggen. Zijn voeten vinden de bal of de ballon als vanzelf; alsof het zo moet zijn. En op latere leeftijd ligt al snel de hele schuur vol: leren en plastic ballen, tennisballen, strandballen - verzin het en Frenkie trapt er tegen. Ander speelgoed kent hij niet. Op vierjarige leeftijd neemt opa Jan de Bruijn, de vader van zijn moeder, hem mee naar de plaatselijke voetbalclub ASV Arkel. Op de open dag weet hij niet wat hij ziet: Frenkie speelt jongens van acht, negen jaar er zó uit. Dan al weten zijn (groot)ouders dat ze misschien weleens met een bijzonder talent te maken hebben, maar pushen doen ze hem nooit. Thuis gelden namelijk duidelijke regels. Voetbal is leuk, maar studie is ook belangrijk. Frenkie gaat naar basisschool de Brede School Lingewaard in Arkel. Hij is een pittig jongetje om te zien: hij heeft helderblauwe ogen die immer fel stralen en valt op met zijn harde stem. In alles is hij fanatiek en wanneer ze een toets hebben gehad, stapt hij nog diezelfde middag op zijn juf af. 'Heb je het al nagekeken? En wat voor cijfer heb ik?', vraagt hij tegen beter weten in: ze moet nog aan het nakijkwerk beginnen. Frenkie is dan al competitief ingesteld en natuurlijk uit hij dat het liefst in het voetbal. Maar hij mag pas van zijn ouders stoppen met school wanneer hij zijn diploma haalt. Dat doet Frenkie zodra hij de havo (hoger algemeen voortgezet onderwijs) heeft afgerond. Alle focus op voetbal. Bij het muurtje naast zijn huis, in de straten van Arkel en op het veld van de plaatselijke amateurclub is hij elke vrije minuut te vinden. Geen hippe kunstgrasveldjes of voetbalkooien verfijnen zijn techniek of leggen de basis onder zijn kenmerkende schijnbewegingen en dribbels. Nee, gewoon een straat, waar stenen loszitten of uitsteken. Ze zien het als extra obstakels om tussendoor te voetballen. Jassen of losse stenen gelden als doelpalen, later kopen ze in de speelgoedwinkel van hun zakgeld kleine doeltjes, die ze zelf in elkaar knutselen. 'Het pure voetbal...', blikt De Jong terug in Voetbal International. 'Op een gegeven moment hadden we met een paar vrienden iets gelezen van Johan Cruijff, dat voetballen met een kleinere bal beter zou zijn voor je techniek. Dat deden we dan ook een tijdje. Voetballen op straat, heerlijk. Acties maken, tegenstanders opzoeken, creatief zijn.' Zijn fysieke bouw is dan nog bepalend. Lange tijd is De Jong een klein, frêle mannetje: zijn broek valt als een tent over zijn spillebeentjes en reiken tot op zijn knieën, de mouwen van zijn shirt hangen tot ver over zijn ellebogen. 'Door mijn lichaamsbouw moest ik creatief zijn, loskomen van tegenstanders, voetballende oplossingen vinden, want fysiek was het een lastige strijd. Dat ging goed en ik kon zo ook mijn eigen spel spelen.' Al op zijn zesde is er interesse van RKC Waalwijk, maar zijn ouders vinden hem dan nog te jong om zijn veilige omgeving te verlaten. De belangstelling voor het blonde ventje blijft echter onverminderd groot - elke week staan er wel scouts voor Frenkie langs de zijlijn bij ASV Arkel - en op zijn zevende doet hij twee tests: een bij Willem II en een bij Feyenoord, de club waar zijn beide grootvaders fan van zijn. Hij neigt dan ook voor die laatste club te kiezen, vooral omdat zijn ouders dan niet zo ver hoeven te rijden. Maar zijn moeder zegt hem dat dat niet de juiste motivatie voor een keuze is: hij moet doen wat hij écht zélf wil. En dus kiest hij voor Willem II. Frenkie is een sociale jongen, een gevoelige ook - iemand die zich thuis moet voelen in zijn omgeving. En de geborgenheid die hij ook zo graag heeft in Arkel vindt hij in Tilburg. De zestig kilometer legt hij af met een privéchauffeur of met een busje van de club die zijn spelers op vaste plekken ophaalt, maar ook opa Jan rijdt vaak met hem mee. Zijn beide ouders werken, Jan is net met pensioen en hij ziet zijn kleinzoon maar wat graag met de bal aan de voet. Toch lijken alle veranderingen nooit invloed te hebben op Frenkie, merkt zijn grootvader. Frenkie houdt beide benen op de grond, blijft doen wat hij het liefste doet: voetballen. Vanaf zijn zevende meet hij zichzelf een keurslijf aan dat in dienst staat van het spelletje: op tijd naar bed, gezond eten, niet te veel snoepen en hij drinkt geen druppel alcohol. Zijn vader stelt zelfs dat zijn zoon nog nooit is uit geweest. Maar een opgave is dat nooit geweest; voor Frenkie is die levenswijze vanzelfsprekend. Vader John en opa Jan staan élke wedstrijd langs de lijn en op een dag stapt een Turkse man op hen af. Zijn zoon speelt in de U12, vertelt hij, en hij had in de verte de U14 in actie gezien waar een kleine, blonde jongen op nummer tien stond. Hij omschrijft die ervaring als 'niet normaal.' In die wedstrijd schiet de keeper de bal uit en het mannetje staat al druk over zijn schouders te kijken nog vóór hij de bal uit de lucht en in de loop aanneemt. Vervolgens doet hij een Zidanedraai en geeft met links een waanzinnige steekpass. De man zegt tegen zijn vrouw dat zij maar alvast naar huis gaat met hun zoon, die al klaar is met zijn wedstrijd. Hij wil deze jongen nog wat langer in actie zien. Zijn naam? Frenkie. De man doet rondvraag bij de club en wordt op de vader en opa van het spelertje gewezen. De Bredase Turk vertelt hen dat hij Ali Dursun heet en zaakwaarnemer is. Hij wil graag eens met hen en Frenkie afspreken. John en Jan kijken hem wat argwanend aan en houden zijn voorstel aanvankelijk af. Frenkie is amper veertien, vijftien jaar, hij speelt nu nog vooral voor zijn plezier. Maar Dursun weet hen op een bepaalde manier toch te raken, en niet veel later zitten ze samen om tafel. De klik is er direct en ook nu nog is Dursun Frenkies vertrouwenspersoon. De Bredanaar valt voor de middenvelder als voetballiefhebber, in een tijd dat de toekomst van Frenkie nog hoogst onzeker is. Dursun steekt tijd en moeite in het ventje, wil hem in de wirwar van de voetbalpolitiek bij de hand nemen zodat zijn ouders gewoon ouders kunnen blijven, zonder voetbalouders te worden die hun zoon op een piëdestal zetten. En dat doet hij. Hij regelt niet alleen zijn zaken, maar begeleidt hem ook naast het veld. Frenkie noemt hem eerder een echte vriend dan zijn zaakwaarnemer, die hem andersom als zijn 'derde zoon' omschrijft. In die tijd gaat Frenkie ook in Tilburg naar school. Op het Koning Willem II College komt hij in een topsportklas terecht en een van zijn klasgenoten is Mikky Kiemeney. De Brabantse is een veelbelovend talent in de jeugd van HC Den Bosch, samen met Amsterdam dé hockeyclub van Nederland. Voor Mikky is Frenkie gewoon een van de vele voetballers in haar klas, maar wanneer ze een elftalfoto ziet van Willem II wijst ze toch hém aan en zegt dat hij 'er wel leuk uitziet'.. Een jongen uit hun klas hoort het, snelt naar Frenkie en fluistert hem in zijn oor dat die blonde hem 'heel erg knap vindt'. Niet veel later krijgt ze op sociale media een bericht: 'Wat is je nummer?' Typisch Frenkie. Koel, nuchter en to the point. De twee sturen eerst een half jaar berichten naar elkaar op WhatsApp voor ze een eerste keer afspreken. Niet bij Mikky thuis, want met haar twee broers die voetbalgek zijn, wil ze niet dat zij weten dat ze met een voetbaltalent aan het daten is. Maar die eerste afspraak is zo leuk dat er al snel een vervolg komt en niet veel later staat Mikky langs de lijn bij Willem II. Ze vraagt hem of hij 'wel een beetje goed is? Want anders kom ik voor niks.' Frenkie antwoordt dat hij 'gewoon prima' is, 'maar niet beter dan de rest.' Mikky ziet Frenkie twee keer scoren en merkt op dat hij wel degelijk anders is dan die anderen. De twee krijgen al snel verkering en een van hun eerste vakanties samen is naar... Barcelona. En natuurlijk bezoeken ze dan ook een wedstrijd van Blaugrana. Frenkie ziet in dat duel zijn favoriete speler voor het eerst live in actie. 'Moet je eens kijken hoe dichtbij Messi is!', zegt hij op de tribunes van Camp Nou tegen zijn vriendin, zijn ogen vol bewondering, die kenmerkende lach om zijn mond. Barcelona is dan al zijn droomclub, noem het zijn tweede jeugdliefde. In de periode dat hij het voetbal op tv bewust begint mee te maken, regeert de ploeg van Pep Guardiola in eigen land en in Europa. En daarvóór geniet Frenkie van het pure plezier dat Ronaldinho uitstraalt. De eerste vakantiebestemming met zijn nieuwe vriendin is dan ook geen moeilijke keuze. Die trip maakten Frenkie en Mikky drieënhalf jaar geleden en de twee zijn nog altijd samen. Ook de liefde voor Barcelona verdwijnt nooit. Lange tijd lijkt Frenkie in de zomer naar PSG te vertrekken, maar wanneer Barça zich meldt is de zaak snel beklonken. 75 miljoen maakt de club over aan Ajax, een bedrag dat ook pa en ma De Jong fronsende wenkbrauwen bezorgt en als 'absurd' en 'gênant' wordt omschreven. Niet dat het bedrag als een last op de schouders van Frenkie drukt, integendeel: die maakt zich nergens druk om. Zoals ook de vergelijking met Johan Cruijff enkel tot een verontwaardigde lach leidt. 'Kom op, dat slaat gewoon nergens op', reageerde hij in Voetbal International. 'Eigenlijk is dat tot nu toe het enige moment dat ik echt dacht: dit slaat allemaal een beetje door jongens, het mag wel ietsje minder. Cruijff is de voetballer der voetballers. Sowieso heeft vergelijken niet zo veel zin, maar al helemaal niet met hem. Laat mij maar gewoon lekker Frenkie zijn.' En toch... De symbolen die zo gaandeweg de jaren voorbijkomen, kietelen de voetballiefhebber. Neem nu zijn debuut voor Oranje U19. Op de dag dat Cruijff overlijdt, 26 maart 2016, komt Frenkie het veld in voor Nederland, met ... rugnummer 14. Welk nummer hij bij Barcelona gaat dragen, is nog niet bekend, in elk geval liet Nike hem al weten dat het graag een shirt met 'Frenkie' op de rug bedrukt. Onlangs gaf De Jong echter te kennen dat hij waarschijnlijk toch gewoon met zijn achternaam op zijn rug zal spelen - passend in de lijn met zijn karakter: niet te veel poespas, geen gekkigheden. Hij wil maar op een manier opvallen: met de bal aan de voet. Met dure kleding zul je Frenkie dan ook niet zien rondlopen, blinkende auto's zijn evenmin aan hem besteed en op zijn lijf geen potsierlijke tatoeages. Hij gaat liever naar de H&M en wanneer hij bij Ajax zijn eerste auto mag uitkiezen, pikt hij er de goedkoopste Mercedes uit, die daarmee ook meteen de kleinste is. Als hij er de Prinses Beatrixstraat in Arkel mee komt binnenrijden, vraagt zijn broertje hem waarom hij in gódsnaam niet voor een dikkere bak heeft gekozen. Frenkie haalt zijn schouders op. Hij koopt liever wat extra wedstrijdtickets voor zijn ouders, grootouders en broertje. Zo is het ook wanneer hij bij zijn sponsor Nike een paar keer per jaar nieuwe spullen mag uitzoeken. Zijn broer en zijn vrienden kunnen áltijd rekenen op een presentje. Het typeert Frenkie, die altijd eerst aan anderen denkt en dan pas aan zichzelf. Na de scheiding van zijn ouders is zijn moeder een tijdje werkloos en ze moet ieder dubbeltje omdraaien. Wanneer ze haar huursubsidie dreigt te verliezen, neemt Frenkie, dan nog een tiener, zijn verantwoordelijkheid. Hij trekt bij Mikky's ouders in Hilvarenbeek in om dat te voorkomen. Dat dorp ligt in de schaduw van Tilburg, waar Frenkie nog altijd elke dag naartoe reist. En ook daar staan de scouts al gauw in de rij voor het talent. Aanvankelijk lijkt de middenvelder voor een overstap naar PSV te kiezen, maar als Ajax zich meldt kiest hij voor Amsterdam. Wanneer Mikky van hem een shirtje van Ajax krijgt, zegt haar broer dat ze die thuis beter niet aandoet: haar twee broers zijn echte PSV-fans. Wanneer de twee teams tegen elkaar spelen, hopen ze dat Frenkie scoort en PSV wint. Dat hij bij Willem II nooit écht doorbreekt blijft een bijzonder verhaal als je hem nu ziet spelen, maar het seizoen nadat De Jong zijn debuut maakt in het eerste strijden de Tilburgers tegen degradatie. En een jongen die zoveel risico in zijn spel legt als Frenkie, is op dat moment een te groot gevaar voor een ploeg in nood, zo zal de uitleg achteraf klinken. Toch weet iedereen binnen de club dan al dat het over een uitzonderlijk talent beschikt. Jos Bogers is op dat moment trainer van het regionale opleidingscentrum Willem II/RKC Waalwijk. 'We deden veel positiespelletjes tijdens trainingen en als warming-up voor een wedstrijd', zegt Bogers. 'Nou, dat was Frenkies kostje, hè. Je weet hoe dat dan gaat. Pass tussendoor, is extra beurt, twintig keer rond ook. Soms ging die bal zo een paar honderd keer rond. Frenkie stond dan te genieten, joh. Er zijn momenten geweest dat ik moest ingrijpen, anders hadden die gasten nu nog in het midden gestaan.' Wat dan al opvalt: de kleine De Jong is bijna niet te verdedigen. Of het nu tegen Ajax, PSV of Feyenoord is, Frenkie komt nooit in een duel. Hij weet dan al precies wanneer hij moet versnellen, wegdraaien, temporiseren... En overal waar hij speelt, voetbalt hij hetzelfde. Bij Willem II, Jong Ajax, Ajax, Oranje en in de Champions League. Nog altijd haalt hij ballen op in de eigen zestien en draait zich met speels gemak onder de hoge druk uit. Verdedigend is hij tegenwoordig ijzersterk, zijn slidings zijn perfect getimed. Robby Hendriks: 'Ik noemde hem weleens Inspector Gadget. Hij had van die uitschuifbenen en was zó flexibel dat hij na een sliding snel weer opstond.' Bogers: 'Net zo groot als zijn klasse, was bij Frenkie zijn karakter. Hij was onverstoorbaar en dat is-ie nog steeds. Het lijkt alsof niks hem raakt. Gaat het mis? Dan gaat het mis, maar de volgende keer beter. Niks brengt hem van zijn stuk.'