Het blijft een opmerkelijk gegeven: een piepklein woestijnstaatje zonder enige noemenswaardige sporthistoriek organiseert in 2022 een van de grootste topsportevenementen, in casu het WK voetbal. Vanaf de jaren '90 begon met name Qatar zich steeds meer als een epicentrum van de internationale topsport te profileren en dit door jaarlijks een forum te bieden aan sporten als tennis (ATP Tour), golf (PGA Tour), motorsport (FIM MotoGP World Championships), paardensport (FEI Tour), atletiek (Diamond League), handbal (IHF Super Globe), volleybal (FIVB Club World Championships) en wielrennen (UCI Asia Tour en vanaf 2017 ook UCI World Tour).

Vanaf 2004 kwam daar op regelmatige basis een wereldkampioenschap bij in diverse sporten, namelijk tafeltennis (2004), squash (2004), gewichtheffen (2005), indooratletiek (2010), squash (2012), zwemmen korte baan (2014), squash (2014), handbal (2015), boksen (2015), wielrennen (2016), gymnastiek (2018), atletiek (2019) en als voorlopige kers op de taart dus de wereldbeker voetbal in 2022.

En ook de organisatie van de Olympische Spelen staat al enige tijd op het verlanglijstje, getuige de meerdere bids die Qatar reeds bij het IOC instuurde. En dat alles in een woestijnklimaat waarin buitengewoon warme zomers én winters standaard zijn.

Ga voor een maand sportactivisme in Qatar door ostentatief present te tekenen.

Qatar is dan ook erg ambitieus. Het wil groeien en zich manifest positioneren op de geopolitieke kaart. En dat doet het door in domeinen als auto-industrie, kunst, media, vastgoed, wetenschap maar dus ook topsport excellentie na te streven. Waar andere landen vaak decennia nodig hebben om zich in deze sectoren te profileren, slaagt Qatar daar blijkbaar moeiteloos en bovendien in een mum van tijd in.

Om topsportevenementen binnen te halen is op de eerste plaats geld nodig, veel geld. Qatar is dan ook ontiegelijk rijk. Na de oliedollars volgen dan wel de vereiste knowhow en expertise. Topsportsucces is blijkbaar verhandelbaar. Op meerdere vlakken is het WK in Qatar dus markant, doch echter niet uitzonderlijk. Voorbeelden van ecologische, financiële en andere aberraties zijn immers legio als het op het organiseren van topsportevenementen aan komt. Denken we maar aan gecontesteerde internationale sportevenementen zoals het WK voetbal 2014 in Brazilië waaraan wekenlange protesten voor meer investeringen in onderwijs, gezondheidszorg en huisvesting en tegen de torenhoge uitgaven voor het toernooi voorafgingen, de Winterspelen 2014 in het subtropische Sotsji of de Winterspelen 2022 in het sneeuwloze Peking. Of ook de ooit architecturale hoogstandjes die als white elephants verkommeren.

Scoort doorgaans ook hoog in landen die van start gaan met de voorbereidende werken die bij de organisatie van een groot internationaal sportevenement komen kijken: het schenden van mensenrechten, denk aan het onderdrukken van de vrijheid van meningsuiting, gedwongen huisuitzettingen om plaats te maken voor nieuwe (sport)infrastructuur en aan de uitbuiting van arbeiders betrokken bij de bouw van deze laatste.

Het is niet anders met het WK in Qatar, zeker wat die uitbuiting betreft. Mensenrechtenorganisaties als Amnesty International en Human Rights Watch kaartten dit al meermaals aan en ook The Guardian vestigde hier recent nog in een intussen vaak gerefereerd artikel de aandacht op. Dit is evenwel wederom geen uitzonderlijk gegeven - we verwijzen onder meer naar de protesten tegen de organisatie van het WK 1978 in Argentinië omwille van de schendingen van de mensenrechten door de militaire junta van Jorge Videla.

De geschiedenis leert dat een sportexcommunicatie zelden zinvol is, lees: vooral nadelig voor de atleten zelf.

Voor Qatar luidt de aanklacht: ontoereikende want precaire en onmenselijke omstandigheden waarin de geïmporteerde arbeidskrachten dienen te werken en leven. Maar ook de rechten van LGBTQ-ers, vrouwen of gedetineerden worden flagrant met de voeten getreden door het regime. Voeg daaraan het corruptieschandaal naar aanleiding van de toewijzing van het WK en alle ingrediënten lijken aanwezig om een voetbalbanvloek af te kondigen.

Een boycot met andere woorden. En ook daar heeft de internationale sport ervaring mee. Al leert de geschiedenis dat een sportexcommunicatie zelden zinvol is, lees: vooral nadelig voor de atleten zelf. Grote uitzondering betreft de boycot jegens Zuid-Afrika ten tijde van de apartheid.

Als argumentatie tegen een boycotcampagne wordt ingeroepen dat Qatar sinds het binnenhalen van het WK voetbal reeds een aantal veranderingen inzake burger- en politieke rechten heeft doorgevoerd. Zo zouden arbeidsmigranten een hoger loon ontvangen dan het geval is in hun thuisland. Of anders geformuleerd: het WK als motor van hervormingen en verbeteringen? Bovendien: waarom wél een boycot van het WK 2022 en niet van de vorige mondiale kampioenschappen die Qatar reeds organiseerde?

Nee, laat protest anders klinken. De groteske Qatarese voetbaltempels juist als forum gebruiken, omdat de stem van de werkslaven uit Bangladesh, de Filipijnen of Nepal anders niet gehoord wordt. Het doet denken aan de in zwart gehandschoende vuisten van Tommie Smith en John Carlos op de Zomerspelen van 1968 of - enkele decennia later - de knielende Colin Kaepernick tijdens het spelen van het Amerikaanse volkslied bij aanvang van een football-wedstrijd. Vormen van stil protest tegen onrecht en discriminatie.

Iconische beelden die beklijven en een onmiskenbare impact gehad hebben, vaak sterker dan de meeste boycots. Het voetbalpodium dat Qatar zo graag biedt, dient niet vroegtijdig afgebroken maar juist als megafoon aangewend om de stem van zij die niet gehoord worden wereldwijd te uiten. Graag dus een eigentijdse voetbalversie van de Black Power-vuisten of het BLM-knielen op de vierjaarlijkse FIFA-hoogmis. Ferme statements op voetbalshirts, sjaals, vlaggen of in de vorm van een pin of tattoo op het lichaam van onze voetbalsterren, maar ook hun entourage en fans. Een maand sportactivisme in de woestijn. Niet door verstek te geven, maar ostentatief present te tekenen. Topvoetbal als balorigheid.

Het blijft een opmerkelijk gegeven: een piepklein woestijnstaatje zonder enige noemenswaardige sporthistoriek organiseert in 2022 een van de grootste topsportevenementen, in casu het WK voetbal. Vanaf de jaren '90 begon met name Qatar zich steeds meer als een epicentrum van de internationale topsport te profileren en dit door jaarlijks een forum te bieden aan sporten als tennis (ATP Tour), golf (PGA Tour), motorsport (FIM MotoGP World Championships), paardensport (FEI Tour), atletiek (Diamond League), handbal (IHF Super Globe), volleybal (FIVB Club World Championships) en wielrennen (UCI Asia Tour en vanaf 2017 ook UCI World Tour). Vanaf 2004 kwam daar op regelmatige basis een wereldkampioenschap bij in diverse sporten, namelijk tafeltennis (2004), squash (2004), gewichtheffen (2005), indooratletiek (2010), squash (2012), zwemmen korte baan (2014), squash (2014), handbal (2015), boksen (2015), wielrennen (2016), gymnastiek (2018), atletiek (2019) en als voorlopige kers op de taart dus de wereldbeker voetbal in 2022. En ook de organisatie van de Olympische Spelen staat al enige tijd op het verlanglijstje, getuige de meerdere bids die Qatar reeds bij het IOC instuurde. En dat alles in een woestijnklimaat waarin buitengewoon warme zomers én winters standaard zijn.Qatar is dan ook erg ambitieus. Het wil groeien en zich manifest positioneren op de geopolitieke kaart. En dat doet het door in domeinen als auto-industrie, kunst, media, vastgoed, wetenschap maar dus ook topsport excellentie na te streven. Waar andere landen vaak decennia nodig hebben om zich in deze sectoren te profileren, slaagt Qatar daar blijkbaar moeiteloos en bovendien in een mum van tijd in. Om topsportevenementen binnen te halen is op de eerste plaats geld nodig, veel geld. Qatar is dan ook ontiegelijk rijk. Na de oliedollars volgen dan wel de vereiste knowhow en expertise. Topsportsucces is blijkbaar verhandelbaar. Op meerdere vlakken is het WK in Qatar dus markant, doch echter niet uitzonderlijk. Voorbeelden van ecologische, financiële en andere aberraties zijn immers legio als het op het organiseren van topsportevenementen aan komt. Denken we maar aan gecontesteerde internationale sportevenementen zoals het WK voetbal 2014 in Brazilië waaraan wekenlange protesten voor meer investeringen in onderwijs, gezondheidszorg en huisvesting en tegen de torenhoge uitgaven voor het toernooi voorafgingen, de Winterspelen 2014 in het subtropische Sotsji of de Winterspelen 2022 in het sneeuwloze Peking. Of ook de ooit architecturale hoogstandjes die als white elephants verkommeren.Scoort doorgaans ook hoog in landen die van start gaan met de voorbereidende werken die bij de organisatie van een groot internationaal sportevenement komen kijken: het schenden van mensenrechten, denk aan het onderdrukken van de vrijheid van meningsuiting, gedwongen huisuitzettingen om plaats te maken voor nieuwe (sport)infrastructuur en aan de uitbuiting van arbeiders betrokken bij de bouw van deze laatste. Het is niet anders met het WK in Qatar, zeker wat die uitbuiting betreft. Mensenrechtenorganisaties als Amnesty International en Human Rights Watch kaartten dit al meermaals aan en ook The Guardian vestigde hier recent nog in een intussen vaak gerefereerd artikel de aandacht op. Dit is evenwel wederom geen uitzonderlijk gegeven - we verwijzen onder meer naar de protesten tegen de organisatie van het WK 1978 in Argentinië omwille van de schendingen van de mensenrechten door de militaire junta van Jorge Videla. Voor Qatar luidt de aanklacht: ontoereikende want precaire en onmenselijke omstandigheden waarin de geïmporteerde arbeidskrachten dienen te werken en leven. Maar ook de rechten van LGBTQ-ers, vrouwen of gedetineerden worden flagrant met de voeten getreden door het regime. Voeg daaraan het corruptieschandaal naar aanleiding van de toewijzing van het WK en alle ingrediënten lijken aanwezig om een voetbalbanvloek af te kondigen. Een boycot met andere woorden. En ook daar heeft de internationale sport ervaring mee. Al leert de geschiedenis dat een sportexcommunicatie zelden zinvol is, lees: vooral nadelig voor de atleten zelf. Grote uitzondering betreft de boycot jegens Zuid-Afrika ten tijde van de apartheid.Als argumentatie tegen een boycotcampagne wordt ingeroepen dat Qatar sinds het binnenhalen van het WK voetbal reeds een aantal veranderingen inzake burger- en politieke rechten heeft doorgevoerd. Zo zouden arbeidsmigranten een hoger loon ontvangen dan het geval is in hun thuisland. Of anders geformuleerd: het WK als motor van hervormingen en verbeteringen? Bovendien: waarom wél een boycot van het WK 2022 en niet van de vorige mondiale kampioenschappen die Qatar reeds organiseerde? Nee, laat protest anders klinken. De groteske Qatarese voetbaltempels juist als forum gebruiken, omdat de stem van de werkslaven uit Bangladesh, de Filipijnen of Nepal anders niet gehoord wordt. Het doet denken aan de in zwart gehandschoende vuisten van Tommie Smith en John Carlos op de Zomerspelen van 1968 of - enkele decennia later - de knielende Colin Kaepernick tijdens het spelen van het Amerikaanse volkslied bij aanvang van een football-wedstrijd. Vormen van stil protest tegen onrecht en discriminatie. Iconische beelden die beklijven en een onmiskenbare impact gehad hebben, vaak sterker dan de meeste boycots. Het voetbalpodium dat Qatar zo graag biedt, dient niet vroegtijdig afgebroken maar juist als megafoon aangewend om de stem van zij die niet gehoord worden wereldwijd te uiten. Graag dus een eigentijdse voetbalversie van de Black Power-vuisten of het BLM-knielen op de vierjaarlijkse FIFA-hoogmis. Ferme statements op voetbalshirts, sjaals, vlaggen of in de vorm van een pin of tattoo op het lichaam van onze voetbalsterren, maar ook hun entourage en fans. Een maand sportactivisme in de woestijn. Niet door verstek te geven, maar ostentatief present te tekenen. Topvoetbal als balorigheid.