Door Pieter Zwart (Voetbal International)
...

Door Pieter Zwart (Voetbal International)De flexibiliteit in formatie is een harde trendbreuk met het verleden. In de seizoenen 2013/14 en 2014/15 voetbalde ruim negentig procent van de Eredivisie in een 4-3-3-formatie, of een directe afgeleide daarvan. Toen Ronald Koeman in 2014 met Feyenoord vanuit 5-3-2 won van PSV, was hij nog de enige die in die speelronde met drie centrale verdedigers aantrad. Met de aanstelling van Erik ten Hag bij FC Utrecht veranderde die eenkennigheid. De huidige Ajax-trainer had in de Domstad succes vanuit 4-4-2 en 5-3-2. Utrecht was als de automobilist die bij een file besluit een sluiproute te nemen. Opeens realiseren de andere weggebruikers zich dat er een keuze gemaakt kan worden: Blijven we rechtdoor rijden of gaan we het op een andere manier proberen?En die ommekeer helpt ook in Europees verband. Nederlandse teams beten zich nogal eens stuk op tegenstanders die een speelstijl hanteerden die in de Eredivisie niet voorkwam. Recent ging het zo voor Ajax en PSV mis in 2016/17. In dat seizoen konden beide topclubs niet winnen van FK Rostov. De Russen waren individueel een klasse minder, maar hun 5-3-2 bleek een struikelblok. Omdat spelers niet gewend waren om een andere veldbezetting effectief te bestrijden.Voorheen werd een willekeurige speler in de Eredivisie ongeveer drie keer per seizoen geconfronteerd met een ander systeem. Dan is het extreem lastig op het veld te herkennen waar de ruimtes ontstaan of waar gevaren liggen. Helemaal omdat in jeugdopleidingen 4-3-3 evengoed de norm was. Zelfs dat is veranderd. Spelprincipes staan nu centraal in het traject richting eerste elftal. AZ wisselt in jeugdteams zelfs frequent van formatie, zodat voetballers op jonge leeftijd kennismaken met verschillende organisaties. 'We hebben te veel voorgekauwd en daardoor talenten te weinig gestimuleerd om in alle denkbare omstandigheden tot oplossingen te komen', concludeerde hoofd jeugdopleiding Paul Brandenburg. Daar zijn de meeste Eredivisie-spelers dankzij de toegenomen flexibiliteit in speelwijze inmiddels een stuk beter op voorbereid.In de donkere jaren tussen 2012 en 2018 tikten Nederlandse teams achterin rond alsof het een open Europees kampioenschap balbezit betrof. Die curieuze liefde voor heen-en-weer-geschuif op eigen helft begon met Frank de Boer. Tussen 2010 en 2014 was hij vier jaar op rij de winnende trainer in de Eredivisie, dus moest hij gelijk hebben. Maar hoe meer Ajax naar zijn hand ging spelen, hoe slechter de prestaties in Europa werden. In het laatste seizoen van De Boer blokkeerde Rapid Wien de weg naar de Champions League. Waarop Ajax een niveau lager sneuvelde in een poule met Celtic, Fenerbahçe en Molde FK.Voor Johan Cruijff was datzelfde optreden aanleiding voor een vernietigende column in De Telegraaf. 'Nederland blijft wereldkampioen breed- en terugspelen op de keeper', schreef het orakel uit Betondorp. 'De opbouw is momenteel het zwakste onderdeel van ons voetbal. Daardoor is de intensiteit van het spel laag en zijn we ongegeneerd langzaam in de omschakeling.'De cijfers onderstrepen die observaties. In de laatste drie Champions League-campagnes onder De Boer waren meer dan vijftig procent van de passes op eigen helft. In het seizoen 2013/14 kwam zijn doelman Jasper Cillessen tot 29,7 balcontacten per wedstrijd. Ter vergelijking: in de huidige jaargang komt Remko Pasveer niet eens tot de helft van dat aantal. Met gerichte oefenstof roeide Erik ten Hag deze Hollandse ziekte uit. Sinds 2010 toucheerde een Ajax-goalie de bal nooit zo weinig als in de huidige Europese jaargang. Balbezit moet het middel zijn, niet het doel. Dat is Ten Hag goed gelukt. In het huidige Champions League-seizoen scoorde geen ploeg zo vaak als Ajax uit heroveringen in de buurt bij het vijandelijke doel. Bij balwinst gaat de blik dus weer vooruit.De transformatie van het Ajax-spel is bij meer Nederlandse afvaardigingen in Europa terug te zien. Dat vertaalt zich naar betere prestaties. De vier seizoenen (2010/11, 2011/12, 2018/19 en 2021/22) waarin procentueel het minst op eigen helft werd gespeeld, waren extreem succesvol. Omgekeerd waren de prestaties desastreus in de jaargangen waarin het percentage passes op eigen helft boven de vijftig procent uitkwam. Speel naar voren, is daarom het devies.In het kader van het Masterplan onderzocht de KNVB in 2000 voor het eerst hoe de meeste doelpunten gemaakt werden. De uitkomst verraste de Nederlandse liefhebbers van balbezit: vanuit de omschakelmomenten bij balwinst.Voor buitenlandse toptrainers als Pep Guardiola en Jürgen Klopp was het counteren van de counter al een obsessie geworden. Zij concludeerden dat een succesvol elftal tijdens het aanvallen altijd goed moet staan om direct te kunnen pressen. In een gemiddelde wedstrijd wisselt elke tien seconden het balbezit. 'Als de onderlinge afstanden te groot zijn en er te weinig spelers rondom de bal staan, dan ontbreekt namelijk de structuur om de bal direct terug te winnen', vertelde Pepijn Lijnders, die bij Liverpool de rechterhand is van Klopp. De Nederlandse teams die in Europa steeds in het countermes liepen, konden daarover meepraten.En daarnaast heb je ook nog de beruchte vijfsecondenregel van Guardiola bij Barcelona. Binnen die periode moet de bal gerecupereerd worden. Inmiddels hanteren alle Nederlandse teams in Europa soortgelijke spelprincipes. Die invloeden zijn duidelijk overgewaaid uit Duitsland. Ten Hag werkte in Duitsland samen met Guardiola en had met Alfred Schreuder een assistent die daarvóór de rechterhand was van Julian Nagelsmann. PSV en Vitesse haalden met Roger Schmidt en Thomas Letsch hun oefenmeesters uit de Red Bull-school. Bij Pascal Jansen en Arne Slot was de beïnvloeding indirect. Zo verzamelt Slot in zijn mediatheek beelden van topteams die passen bij zijn spelprincipes. De teams van Guardiola en Klopp komen daar frequent in voor. De omschakelmomenten zijn geen ondergeschoven kindje meer.Stap bij een willekeurige Eredivisie-club het trainingsveld op en de kans is groot dat in de lengte extra lijnen zijn aangebracht. Zelfs bij Fortuna Sittard is dat het geval. Vaak wordt het veld zo opgedeeld in vijf stroken: de rechtervleugel, het centrum, de linkervleugel en daartussen de twee halfruimtes. In Duitsland wordt dat de Halbraum genoemd en in Engeland de halfspace. Uit cijfers blijkt dat veel doelpunten voorbereid worden via deze ruimtes aan de binnenkant. Voorzetten blijken juist minder effectief dan lang gedacht. Slechts één op de 55 voorzetten uit open spel levert binnen vijf seconden een doelpunt op. Geen wonder dat goede dribbelaars tegenwoordig zelden op de kant van hun sterkste been worden opgesteld. Als primaire aanvalstactiek is de achterlijn halen en hoge voorzetten geven volledig achterhaald.Nederlandse teams pikken deze ontwikkeling vertraagd op. Dataclub AZ trapt als eerste het heilige huisje van de voorzet om. Al in zijn tijd als assistent bij de Alkmaarders breekt Slot een lans voor de lage en teruggetrokken voorzet als modern alternatief voor een hoge bal van de zijkant. De huidige Feyenoord-trainer vraagt daarnaast van zijn backs om in balbezit extra middenvelders te worden. Dergelijke spelpatronen zijn inmiddels bij alle Nederlandse deelnemers terug te zien. Logischerwijs neemt het aantal voorzetten uit open spel af. De focus is duidelijk verplaatst naar het centrum. Opvallend detail: voor Ajax waren de succesvolle seizoenen 2016/17 en 2018/19 de enige jaargangen waarin in Europees verband minder dan tien voorzetten uit open spel gegeven werden.Op de terugvlucht van Europese uitwedstrijden analyseert Ten Hag vaak beelden van de komende tegenstander in de Eredivisie. Dat gedrag is kenmerkend voor de huidige trainers van de Nederlandse topclubs. Ze investeren veel tijd in het ontdekken van waar kansen liggen. Uitgaan van eigen kracht is niet langer een excuus om huiswerk over te slaan. In aanloop naar Europese duels zoeken Nederlandse teams naar subtiele aanpassingen om de tegenstander pijn te doen. Het beste voorbeeld daarvan in het huidige seizoen is de 2-1 overwinning van Vitesse op Anderlecht. De openingstreffer van Maximilian Wittek viel uit een ingestudeerde corner. Met Marink Reedijk heeft Thomas Letsch iemand in zijn staf die daar specifiek mee bezig is. Dat detail blijkt het verschil tussen uitschakeling in de play-offs en Europese overwintering.Dankzij de combinatie van de vijf genoemde factoren is de Hollandse School naar de moderne tijd gebracht. De beklemmende stijl van 4-3-3 met veel balbezit op eigen helft, gebrekkige voorbereiding op counters en aanvallen via de flanken is bij het oud vuil gezet. Daar is een speelwijze voor in de plaats gekomen die veel meer past bij de voetbalwereld van 2022. Op de coëfficiëntenranking plukt Nederland daar de vruchten van.