Uiteindelijk deed Real vorige week met Juventus wat Juve in eigen land wekelijks met de tegenstand doet: even de kat uit de boom kijken, op het juiste moment toeslaan en dan rustig de wedstrijd uitspelen.
...

Uiteindelijk deed Real vorige week met Juventus wat Juve in eigen land wekelijks met de tegenstand doet: even de kat uit de boom kijken, op het juiste moment toeslaan en dan rustig de wedstrijd uitspelen. Het was niet het scenario dat Massimiliano Allegri in gedachten had. Drie dagen eerder zette hij in moeilijke omstandigheden nog een topwedstrijd naar zijn hand toen hij in de tweede helft tegen een sterk Milan Juan Cuadrado in bracht, die scoorde, waarna Juve een 1-1-stand in een 3-1-zege omboog. De wedstrijd lezen en met een intuïtieve ingreep een match doen kantelen is doorgaans een van de sterke punten van Allegri, twee weken geleden voor de derde keer door zijn collega-trainers verkozen als Panchina d'Oro, Trainer van het Jaar. Eerder won hij de prijs als trainer van Sassuolo, dat hij van derde naar tweede klasse bracht, en als coach van Cagliari. Daarnaast schiet Allegri op menselijk vlak zeer goed op met zijn topspelers. Krijg het maar eens voor elkaar, sterkhouders als Paulo Dybala of Gonzalo Higuaín op de bank zetten en ervoor zorgen dat ze niet misnoegd maar meteen beslissend zijn wanneer ze mogen opdraven. De derde gave is dat hij zijn pappenheimers door en door kent en zijn speelstijl aanpast aan hun kwaliteiten. Met Milan voetbalde hij destijds heel anders dan met Juventus, en het Juve van zijn eerste jaar verschilt ook van wat de ploeg nu toont. Vandaag is het spel van Juventus er meer op gericht om de oude verdediging te beschermen, met als belangrijkste motto: geen tegengoals pakken, wetende dat de ploeg vooraan spelers heeft die op elk mogelijk moment tegen om het even welke tegenstander het verschil kunnen maken. Tot spijt van de echte voetballiefhebbers kiest Allegri niet voor mooi voetbal gebaseerd op balbezit, zoals Barcelona, Manchester City en in eigen land Napoli het brengen. In de afgelopen vier jaar is de ploeg steeds dieper op eigen helft gaan spelen. Nooit voorheen stond Juventus onder Allegri zo laag op de eigen helft bij balbezit, nooit voorheen speelde het zo compact (de gemiddelde afstand tussen de laatste verdediger en de voorste speler bedraagt amper 31,8 meter). Gemiddeld verstuurt het per wedstrijd 59,8 lange ballen naar de doelgerichte spitsen die, eenmaal gelanceerd, nauwelijks af te stoppen zijn (behalve tegen Real). Op zijn best is Juve wanneer het zelf zijn ritme aan de tegenstander kan opleggen, de wedstrijd rustig controleren en een paar momenten kiezen voor een snelle omschakeling om op het gepaste moment toe te slaan. Op Napoli scoorde het twaalf seconden nadat het de bal recupereerde aan de eigen zestien meter. Maar wanneer het, zoals tegen Real, zelf snel op achterstand komt en de zaken moet forceren in plaats van het eigen plannetje uit te voeren, wordt het moeilijker. Gelukkig voor Juve is de tegenstand in eigen land van een ander kaliber en is een zevende landstitel (de vierde onder Allegri) best haalbaar.