Toen Marco van Basten (56) op 21 december 1992 op de operatietafel van dokter René Marti in het Zwitserse Sankt Moritz belandde, zat hij op het toppunt van zijn carrière. Hij was 28 jaar, had net voor de derde keer de Gouden Bal gewonnen en niets deed vermoeden dat die chirurgische ingreep in geen tijd een invalide van hem zou maken. In 2019 publiceerde de immer elegante oud-spits zijn memoires, getiteld Basta. Naar aanleiding daarvan interviewen we hem via Zoom.
...

Toen Marco van Basten (56) op 21 december 1992 op de operatietafel van dokter René Marti in het Zwitserse Sankt Moritz belandde, zat hij op het toppunt van zijn carrière. Hij was 28 jaar, had net voor de derde keer de Gouden Bal gewonnen en niets deed vermoeden dat die chirurgische ingreep in geen tijd een invalide van hem zou maken. In 2019 publiceerde de immer elegante oud-spits zijn memoires, getiteld Basta. Naar aanleiding daarvan interviewen we hem via Zoom. Uw boek is niet alleen een biografie, maar haast een soort biecht. Wat was voor u het moeilijkst om te vertellen? Marco van Basten: 'Voetballen was mijn leven. En plotseling moest ik stoppen na een operatie die gemakkelijk leek. Ik kon niet meer voetballen, maar erger: door mijn enkel kon ik zelfs niet stappen. Dat waren heel harde jaren. Ik had het geluk dat een dokter op het idee kwam om mijn gewrichten te blokkeren door mijn botten met bouten vast te zetten. Mijn enkel kon ik zo niet meer buigen en lopen lukte ook niet meer, maar ik kon toch aan een nieuw leven zonder pijn beginnen. Ik slaag er nu weer in een partijtje te golfen en zelfs te squashen. Dat maakt me gelukkig.' In uw boek ontwikkelt u het idee dat wat de fans zien absoluut niks te maken heeft met het echte voetbal. Van Basten: 'Ik blijf denken dat het voetbal een heel mooie omgeving is waarin je plezier kan hebben. Het publiek praat graag over het voetbal en dat is goed. Ik had alleen de pech dat dokters bij mij de verkeerde operaties uitvoerden.' Veel supporters geloven dat uw enkels naar de knoppen zijn door de vele schoppen die u in uw carrière kreeg. Eigenlijk begonnen de problemen toen u als Ajaxspeler in december 1986 in Groningen ene Edwin Olde Riekerink tackelde, toch? Van Basten: 'Dat was een normale actie waarbij ik de bal probeerde te recupereren. Ik deed toen iets dat in elke wedstrijd gebeurt. Mijn probleem waren slechte dokters, die in plaats van de situatie te begrijpen en te verbeteren, ze verslechterden. De schoppen die ik kreeg van de verdedigers van de tegenpartij, dat was niet mijn ergste vijand.' Hoe kan het dat de dokters toen niet zagen dat u uw ligamenten gescheurd had? Van Basten: 'Dat weet ik niet. We gingen naar het ziekenhuis en ze zeiden me dat alles oké was. En ik bleef verder spelen met pijn. Ik rustte, begon weer te spelen, de pijn kwam terug, dan rustte ik weer even... In de zomer van 1987 verhuisde ik naar AC Milan en profiteerde ik van de vakantie om te ontspannen. Ik dacht dat ik zo wel zou recupereren, maar in september was de pijn terug. Ik eiste dat ze me opnieuw onderzochten en toen, tien maanden na de eerste diagnose, zeiden ze: 'U hebt waarschijnlijk uw ligamenten gescheurd.' Ik had tien maanden gevoetbald zonder ligamenten en de schade had mijn botten aangetast. Ze opereerden me, ze herstelden mijn ligamenten en ik voetbalde nog vijf jaar. Maar aangezien de pijn bleef, zei de dokter: 'We gaan je enkel schoonmaken, wat botsplinters verwijderen en zo zal je nog vijf jaar kunnen voetballen met minder last.' Dat leek me een geweldig idee. Maar daarna zou ik nooit meer voetballen.' Johan Cruijff, die uw trainer was bij Ajax, was uw idool en uw vriend. Hij dwong u om te spelen ondanks de pijn. Was hij ook verantwoordelijk voor het erger maken van uw blessure? Van Basten: 'Aan de ene kant wilde hij dat we prijzen wonnen. Aan de andere kant zeiden de dokters hem dat mijn enkel niet zou opspelen als ik voetbalde. Voor hem was dat voldoende en hij zei dat ik moest spelen. Vanaf dat moment begon mijn verantwoordelijkheid, maar ik wilde ook spelen. Ik dacht dat als de dokters zeiden dat het kon, dat ik moest doorzetten. Maar feit is dat ik zoveel pijn had dat ik niet goed kon spelen noch trainen.' Probeerde u uit de dekking te spelen en meer de ruimte in te duiken om zo minder ballen in de voet te krijgen en tackels te vermijden? Van Basten: 'Dat deed ik zo veel mogelijk. Ik denk dat mijn spel slechts voor een klein deel beïnvloed werd door de beperkingen. Eenmaal op het veld benaderde ik mijn normale voetbal omdat de adrenaline me een boost gaf. De pijn begon wanneer de wedstrijden afgelopen waren.'In de voetbalindustrie staat de naam Van Basten gelijk aan kwaliteit. Welke eigenschap maakte van u een merk en wat is het technische kenmerk dat van u een groot voetballer maakte? Zijn dat twee verschillende dingen of een en hetzelfde? Van Basten: 'Eerst en vooral hield ik van voetballen. Profvoetballer worden was voor mij een droom die werkelijkheid werd. Vanaf dat moment wilde ik alles winnen. En daarvoor heb je technische, tactische en fysieke oplossingen nodig, voor jezelf en voor je ploegmaats. Daar moet je veel over nadenken om er voordeel uit te halen: soms volstaat het om slimmer te zijn dan je tegenstander, soms om sneller of sterker te zijn. Elke wedstrijd brengt nieuwe uitdagingen met zich mee.' 'Het essentiële om van je een grote voetballer te maken, is niet een stijl maar een mentaliteit die je pusht om oplossingen te vinden. De allerbesten onderscheiden zich door hun karakter. Je ziet heel veel buitengewoon begaafde spelers die voetballen om te genieten. Winnen of verliezen houdt hen niet zo bezig. Het verlangen om te winnen is de grote kwaliteit van een voetballer van het allerhoogste niveau en het is tezelfdertijd iets dat je veroordeelt tot een moeilijk leven. Dat karakter doet je afzien. Maar het is net dat wat je in de grote clubs ingeprent krijgt: Real Madrid, Barça, Manchester United, ... Ze herhalen steeds: hier moet je winnen. Je weet dat, als je verliest, je je slecht zal voelen. In die omgeving wordt die mentaliteit gekweekt.' Moet je een beetje gek zijn om te doen wat u deed? Van Basten: 'Een beetje gek zijn helpt soms wel, zeker als je diepe spits bent. Middenvelders moeten geen goals maken om erkenning te krijgen. Ik wilde altijd zo vaak mogelijk scoren. En dat was goed zo. Alle spelers willen iets speciaals, iets esthetisch laten zien aan het publiek. Maar het belangrijkste is winnen. 'Het grote voorbeeld is Messi. Hij zou wonderlijke dingen kunnen doen, hij zou zijn behendigheid met de bal veel meer kunnen showen, maar je ziet hem nooit iets doen dat niet meteen nuttig is voor de ploeg. Alles wat hij doet, is het beste wat een speler kan doen op een voetbalveld.' U was beroemd voor uw controle, uw dribbel en uw afwerking, maar was alles wat u deed vóór u de bal kreeg niet belangrijker? Van Basten: 'Je moet het spel begrijpen. Goeie spelers zijn diegenen die sneller denken dan de anderen. Daar zit het grote verschil. Alles waar je fysiek en technisch toe in staat bent, is alleen mogelijk als je er van tevoren over nagedacht hebt. Je moet situaties in je hoofd overlopen om te begrijpen op welk moment je een bepaalde beweging moet inzetten en hoe je dat moet doen in relatie tot de bal en de spelers die je omringen. De aanvallen beginnen in je hoofd: daar wordt beslist wat er mogelijk is en wat niet.' U vertelt dat u als kind alles wat er in matchen gebeurde, opschreef in een dagboek. Memoriseerde u zo bewegingen om verdedigers te verschalken of gebeurde dat intuïtief? Van Basten: 'Alles begint bij de intuïtie. Het gevoel. Later kun je aan jezelf beginnen uitleggen wat je gedaan hebt. In de loop der jaren ga je wel een heleboel instinctieve acties opslaan, zodat je situaties beter begrijpt. Het is een beweging in twee richtingen. Je hersenen registreren variaties van gelijkaardige spelsituaties en plots, op een bepaald moment in een wedstrijd, komt die informatie in je naar boven en dan voorvoel je de oplossing.' U bent trainer geweest en bondscoach van Nederland. Hoe moet een spits getraind worden? Van Basten: 'Je kunt tips geven en beelden tonen. Maar beslissende momenten gebeuren in een wedstrijd zo snel dat het aangeboren moet zijn om het verschil te maken. We kunnen veel praten en veel matchen bekijken, maar tussen het bekijken en het echt meemaken in een wedstrijd is er een wereld van verschil.' Op een dag hebt u tegen Arrigo Sacchi gezegd dat alles wat jullie gewonnen hadden met AC Milan niet dankzij, maar ondanks hem was. Blijft u denken dat de succesfactor van het Milan toen de verdedigers Tassotti, Costacurta, Baresi en Maldini waren, en niet Sacchi? Van Basten: ' Sacchi was een heel aangenaam persoon en ook een goeie trainer. Maar hij was altijd bezig over de organisatie, vooral op defensief vlak. Ik kwam toen net van het Ajax van Cruijff, waar we de wedstrijden op een heel andere manier aanpakten. Hetzelfde zag je bij het Barça van Guardiola: de focus kwam te liggen op wat je deed wanneer je de bal had. En wanneer je de bal verloor, organiseerde je je op zo'n manier dat je de bal snel terugkreeg. Bij Sacchi was het het tegenovergestelde: eerst dachten we aan de organisatie om druk te zetten op de tegenstander die de bal had, en eens we de bal veroverd hadden, dachten we pas na over de volgende stap. We speelden zo fantastische wedstrijden, maar ik kwam uit een andere school.' Trainde Cruijff meer op de automatismen tussen middenvelders en aanvallers? Van Basten: 'We oefenden ook bij Milan het aanvalsspel. Maar om aan te vallen heb je techniek en intuïtie nodig, anders kun je niet verrassen. Aan de aanvallende linies kun je algemene richtlijnen meegeven, maar in de frontlinie heb je ook individuele vrijheid nodig. Je kunt werken op de opbouw van achter uit, maar eenmaal de bal in het laatste kwart van het veld is, zijn de ruimte en de tijd zo beperkt dat de mogelijkheden om dat vooraf te trainen ook heel beperkt zijn.' Sacchi veranderde het voetbal omdat hij de coach belangrijker maakte dan hij tot dan toe was. Vindt u dat u deel uitmaakte van de laatste generatie spelers die het spel controleerden? Van Basten: 'Inderdaad. Toen ik nog voetbalde, werd er over spelers gepraat. De spelers maakten het verschil. Nu praten we over trainers, omdat zij nu het verschil maken. Dat is niet goed. Trainers zijn te belangrijk geworden. Spelers moeten meer verantwoordelijkheid opnemen omdat zij diegenen zijn die het voetbal het meest kunnen beïnvloeden. Als vandaag de dag een ploeg goed of slecht speelt, dan schrijven we dat toe aan de coach. En eerlijk: ik weet niet welke invloed een trainer heeft. Beetje bij beetje zijn we de echte rol van de spelers vergeten. Liverpool is Klopp, Madrid is Zidane, City is Guardiola, ...' Vindt u nog altijd van uzelf dat u geen talent hebt als trainer? Van Basten: 'Ik heb gedaan wat ik kon, maar ik heb het verschil niet kunnen maken. Ik had er moeite mee om de controle te houden. Uiteindelijk kwam ik tot het besef dat dat een job was die me geen plezier gaf. Het trainerschap is iets complex en ik moet toegeven dat ik niet begreep en nog altijd niet begrijp hoe een trainer beslissend kan zijn vanaf de bank. Is de kennis van een coach echt bepalend om een impact te hebben op het spel? Als dat zo is, waarom worden trainers doorgaans minder succesvol naarmate ze meer kennis en ervaring vergaren? Er wordt verondersteld dat het een job is waarin je met de jaren beter wordt, maar we zien dat de meeste trainers succesvoller zijn op hun 30e en 40e dan op hun 50e en 60e. Dat is vreemd.' Heeft u het boek geschreven om uw hoofdstuk als speler definitief af te sluiten? Van Basten: 'Nee. Ik denk dat alles wat ik meegemaakt heb in mijn carrière nuttig kan zijn voor vele jonge spelers die van het spelletje houden en profvoetballer willen worden. Verzorg je lichaam. Let op met dokters. Kijk uit wat je met je geld doet. Met een beetje geluk zullen ze ervan kunnen leren en goeie voetballers worden, hopelijk gezond tot het einde van hun carrière. Voetballen is het mooiste wat er bestaat. Elke dag trainen om 11 uur 's morgens in de open lucht, goed eten, samen met je ploegmaats zijn, grapjes maken in de kleedkamer, in een omgeving leven waarin alles voor je geregeld wordt... Er is geen beter werk in de wereld.' Door Diego Torres (El País)