In het Van der Valk Hotel in Nootdorp, ten oosten van Den Haag, klinken glazen en doorkruisen stemmen elkaar. Daar, in dat volle restaurant, verschijnt hij uit het niets: Dick Advocaat. Vliegensvlug en haast met een benepen blik blijft hij op een paar meter van de tafel staan. 'Je zit aan de verkeerde kant', zegt hij. En weg is hij weer - even snel als dat hij er kwam.
...

In het Van der Valk Hotel in Nootdorp, ten oosten van Den Haag, klinken glazen en doorkruisen stemmen elkaar. Daar, in dat volle restaurant, verschijnt hij uit het niets: Dick Advocaat. Vliegensvlug en haast met een benepen blik blijft hij op een paar meter van de tafel staan. 'Je zit aan de verkeerde kant', zegt hij. En weg is hij weer - even snel als dat hij er kwam. Aan die andere, 'goede' kant schuift hij bij het raam aan tafel, op de plek waar alleen bekenden van de baas mogen plaatsnemen en de geluiden van het restaurant worden gedempt door een tussenwand. Toch is dat laatste niet de reden dat we naar hier zijn verhuisd. Het liefst wordt hij niet gezien, niet bekeken. De grote Dick Advocaat houdt zich het liefste klein. Of het hem belast, bekend zijn, klinkt de vraag. Een diepe, lange stilte volgt. 'Ik heb nog steeds moeite om, net als daarnet, in zo'n volle ruimte binnen te stappen. Dat mensen me zien. Naar me kijken.' We zeggen dat we het aan hem hadden gezien, aan zijn blik, zijn houding. 'Het liefst heb ik dat er iemand naast me loopt. Dan denk ik: mooi, dan kijken ze naar die ander. Waarschijnlijk is dat niet zo, maar dat gevoel heb ik dan. Dat stelt me gerust. Mensen geloven me misschien niet als ik het zeg, maar dat is verlegenheid. Ja, ik ben verlegen. Nog altijd.'Dat was hij als kind al. Dirk Nicolaas Advocaat is de jongste van vier jongens; na hem komt er nog een meisje. Zijn broers zijn een stuk ouder en hebben hun eigen vriendjes. Dick, zoals hij wordt genoemd, is op zichzelf aangewezen. Hij moet het allemaal maar zelf wat uitzoeken, het leven. Hij weet niet of het daaraan ligt, maar feit is dat er wat onzekerheden aan hem kleven. Hij is al speler van het eerste van ADO Den Haag wanneer hij nog altijd de hoofdtribune schuwt. Daar zit namelijk het bestuur van de club. 'Daar durfde ik niet langs. Ging ik via de achterkant om geen gedag te hoeven zeggen. Zo verlegen was ik.' Het heeft met autoriteit te maken ook, zegt hij. 'Ik keek heel erg tegen mensen op. Dat had ik al bij een politieagent, of mensen met een grote opleiding. Dat heb ik nog steeds: ik heb heel veel respect voor mensen die gepromoveerd zijn.' Dat hijzelf nu een grote meneer is, daarover haalt hij zijn schouders op; de kleine Dick verliet hem nooit helemaal. Niet als profvoetballer dus, zelfs niet als toptrainer die Vladimir Poetin de hand schudde en successen over de hele wereld boekte. 'Ik had altijd een privéjet of een privéauto tot mijn beschikking. Dat kwam mij wel goed uit; dan had ik ook niets te maken met die bekendheid.' Aan de andere kant vindt hij het óók wel weer leuk, die aandacht, het respect - dat laatste vooral. Maar hij moet het gewoon niet aan den lijve ondervinden. Dat maakt hem zenuwachtig, ongemakkelijk. In zijn jeugdjaren trekt hij zich op aan zijn vriendje en buurjongen Harry Vos. Ze groeien op in dezelfde straat, de Majubastraat, en komen samen bij ADO terecht. Bruggie over en ze staan op het veld. 'Dat was geweldig. En achteraf is dat natuurlijk een droom: opgroeien onder de rook van je eigen club waar je het tot het eerste schopt.' Daar, binnen de lijnen, zien ze een andere Dick. Niet die onzekere jongen die de zijde van Harry nodig heeft om zich veilig te voelen. Hij is een driftkikker, een praatjesmaker ook. Verliezen, dat gaat er niet in. Wie hem zo bezig ziet, wetende dat hij de klinkers van de Transvaalwijk als zijn broekzak kent, heeft al gauw het beeld van een brutaal straatschoffie in zijn hoofd. Maar dat klopt niet, zegt Dick Advocaat. 'Ik was vijftien, zestien jaar en we gingen met een jeugdelftal van ADO naar een toernooi bij Rot-Weiss Essen. Een paar mensen wachtten ons op en vertelden dat ze ons bij pleegouders zouden duwen. Ik zei: 'Dan ga ik naar huis.' Dat zou ik ook gedaan hebben. Ik wilde niet bij vreemden in huis; ik wilde bij Harry op de kamer slapen.' Twee jaar later gaat het weer zo. Dick Advocaat is de jongste speler van ADO en mag met het eerste mee naar Amerika. 'Dat vond ik gewéldig, maar ik was deze keer wel zo slim om te zeggen dat ik per se met Harry op een kamer wilde.' Zo gaat hij ook eens kamperen met Aad de Mos. 'Aad woonde op de Moerweg, over de brug, in een iets betere wijk. We kenden elkaar van ADO en ik mocht mee gaan kamperen met hem.' Na anderhalve dag heeft hij er genoeg van: heimwee. 'Ik ben met de fiets naar huis gereden. Was het klaar en dan ging ik. Zo was ik dan ook. Ik heb altijd mijn gevoel gevolgd. Ook als trainer.' Met dat verschil dat sentimenten dan geen rol meer spelen. 'Op het veld, als speler of trainer, gaat er een knop om. Dan word ik keihard. Er zijn tijden geweest dat ik genadeloos was. Bij Zenit stuurde ik na het zien van een videoband in een keer zes spelers weg, bij Fenerbahçe deed ik dat ook met een paar gasten. Geen concessies. Dat wil niet zeggen dat dat het juiste was, maar als ik dat gevoel heb, dan ga ik door. Ongeacht wie er tegenover me staat. Als mens ben ik zo helemaal niet.' Of hij daarover nadenkt. 'Totaal niet. Op het veld word ik iemand anders. Het lijkt ook of sommige mensen dan bang van me worden. Dan heb ik wel een vervelend gezicht.' Advocaat lacht. Volgens zijn assistent Cor Pot is hij het laatste half jaar wel wat zachter geworden. 'Coulanter... Dat klopt wel, ja.' In een bewogen jaar bij Feyenoord adviseert zijn omgeving hem de aanvoerdersband af te pakken van Steven Berghuis wanneer die meerdere malen zijn boekje te buiten gaat. Advocaat doet het niet. 'Dat vond ik de gemakkelijkste weg; ik had hem die band zelf gegeven. En het had ook te maken met dat ik na dit seizoen afscheid zou nemen. Ik had er niet zoveel mee te winnen.' Een paar jaar geleden zou hij dat anders hebben aangepakt, denkt hij. Al is de driftkikker in Advocaat langs de lijn nooit ver weg, ook niet met een afscheid in het vooruitschiet. Wanneer Feyenoord aan het eind van het seizoen onderuit gaat tegen hekkensluiter ADO, zíjn club, scheldt hij zijn spelers verrot. 'Ik zag die beelden laatst terug... Dat staat er allemaal op, hoe ik reageerde. Ik was er ook zó door geraakt. Omdat ik het niet begreep - en nog altijd niet begrijp - hoe ze zó voor de dag konden komen.' Een stilte. 'Ik ben altijd mezelf gebleven; dat is nooit veranderd en ik heb het mezelf daarmee niet altijd gemakkelijk gemaakt - veel geld laten liggen ook. Als ik iets niet wilde, deed ik het niet. En als ik dacht: het gaat niet meer, ik kan deze ploeg niet beter maken, dan had ik dat binnen twee dagen besloten en stapte ik op.' Sunderland bijvoorbeeld. 'Achteraf heb ik daar een beetje spijt van. Ik had er een geweldig contract, een privéjet en ik kon er na de handhaving niet meer stuk. Maar als er geen vooruitzichten zijn, dan stokt het. Dan wil ik weg.' België verlaat hij ook van het ene op het andere moment. 'Het is wel het enige jaar dat de Belgische bond winst heeft gemaakt', zegt hij met een luide lach over zijn overstap naar Rusland. 750.000 euro legt Advocaat zelf neer. 'Het was de bedoeling dat de Russische bond dat zou doen, maar dat bleek uiteindelijk dan toch niet door te gaan. Ik kan goed rekensommetjes maken dus ook met die vergoeding kwam ik er prima van af.' Hij grijnst. De kritiek is op dat moment niet mals. Hij wordt als Dagobert Dick weggezet. 'Ze hebben gelijk. Ik koos voor het geld. Maar mensen weten niet om hóéveel geld het ging.' Of hij dat na al die jaren voor eens en altijd wil verduidelijken. 'Dat lijkt me niet verstandig.' Hij lacht opnieuw breed. Dat hij niet meer van het stempel afraakte, maakt hem niet uit, zegt hij. 'Ik mag het eigenlijk niet zeggen maar de club en het geld ... die twee hoorden voor mij bij elkaar. Ja, dat is belangrijk.' Het is echter een misverstand dat het door zijn verleden komt. Hij wil het graag nog eens herhalen: 'Ik ben níét met weinig opgegroeid. Ja, als je het vergelijkt met nu, dan wel, maar in de jaren net na de oorlog had niemand iets.' Zo ook het gezin Advocaat niet. Vader werkt als kantoorbediende op het ministerie van Landbouw, Visserij en Voedselvoorziening, zijn moeder doet iets in het ziekenhuis. Wat, dat weet hij eigenlijk niet eens. 'De kachel ging pas om zes uur 's avonds aan. Soms bleef die zelfs de hele dag uit, zaten we in de kou. Dat was bij ons niet anders dan bij de buren. Maar alles was er, hoor: ik mocht sporten, ik had eten, ik kreeg nieuwe voetbalschoentjes.' Opgevoed wordt hij bij ADO. Daar doucht hij ook, net als op school. Wanneer hij naar de middelbare school gaat, moet hij lopen. Twintig minuten heen, even zo ver weer terug. 'Later kreeg ik een halve fiets.' Verder dan de middelbare school komt Advocaat niet, hij gaat al op zijn zestiende werken bij een in- en exportmaatschappij voor groenten en fruit. 'Bij de familie Overwater. Geweldige familie... Zal ik nooit vergeten; hoe ze voor me waren. Die man was een enorme voetballiefhebber. Ik weet niet eens wat ik deed, ik zat op kantoor en op woensdag speelde ik in het Nederlands jeugdelftal. Dan gaf hij me vrij en moest ik als tegenprestatie het kantoor schoonmaken.'Thuis is hij om te eten en slapen. 'Maar ook voor het eten kwamen we gewoon maar binnen wanneer het ons uitkwam. Hoewel onze moeder ons wel riep. Ja, mijn moeder... achteraf...' De randen van zijn ogen worden rood. Hij laat een stilte vallen. 'Je realiseert je te laat wat die mensen allemaal hebben moeten doen. Daar heb ik nog wel eens moeite mee, met dat besef.' Dat komt meer en meer, nu hijzelf ouder wordt. 'Ik realiseer me nu hoe zij geleefd hebben, in die tijd. En hoe dat moet zijn geweest.' Hij bouwt een hechte band op met zijn moeder, die op haar 89e sterft. Tot dan belt hij elke dag met haar. Ook met zijn vader is het contact prima. 'Later dacht ik wel: hij was wel erg met zichzelf bezig.' Dat hij drinkt maakt het niet gemakkelijker. 'Dat deed iedereen volgens mij in die tijd. Hij was ook vrij vroeg ziek, al dronk hij daarvoor al...' Opnieuw is hij even stil. 'Je kunt er gewoon heel moeilijk over oordelen; waarom mensen iets doen. Mijn vader zei dat de drank de pijn verzachtte. Voor de rest was het een lieve man. Maar eigenlijk kende ik hem niet echt...' Op zijn 57e sterft hij aan longkanker. Dick Advocaat is dan zeventien jaar. 'Ik besefte het niet, begreep het ook niet.' Hij slaapt met zijn broer op een kamer en hun moeder had hen al eens gewekt dat ze afscheid moesten komen nemen, maar 'toen kwam het toch weer goed'. Die bewuste ochtend is dat niet zo. 'Ik herinner me dat als de dag van gisteren. Ik bleef thuis van mijn werk en mijn vader werd opgehaald in zo'n zak. Als kind is dat zo raar, om je vader te zien verdwijnen in een zak... Ik kon dat helemaal niet plaatsen. Hoe oud was ik nou...?' Lange tijd praat hij nog met zijn vader, hoewel hij er niet meer was. 'In het eerste van ADO vroeg ik altijd of ik goed mocht spelen. Stond ik omhoog te kijken en tegen hem te praten. Harry Vos, mijn vriendje, zag dat altijd. Hij wist dat ook, wat ik deed.' Praten daarover doen ze niet echt, de twee vrienden. 'Ik ben altijd heel, heel erg op mijzelf geweest. Dat is mijn hele leven zo gebleven.' Nergens is Advocaat liever dan thuis. Toch wordt hij een wereldreiziger. Al is dat eigenlijk nooit zijn bedoeling; hij heeft helemaal niet de droom om proftrainer te worden. Advocaat neemt zich voor om het te doen met twee amateurclubs en het beetje spaargeld dat hij inmiddels heeft. 'Ik dacht: twee clubjes, dan heb ik een goed leven. Nóóit met de intentie om in het profvoetbal terecht te komen.' De cursus Coach Betaald Voetbal raakt echter een gevoelige snaar: meer en meer wordt hij bezeten van het vak. En dan haalt Rinus Michels hem binnen bij de KNVB. 'Dat veranderde heel mijn leven.' Hij is eerst assistent van Kees Rijvers, bij Oranje. Wanneer die zijn ontslag krijgt, wordt hij dat van Michels. Hij werkt zeven jaar met hem. 'Als je naast figuren als Michels en Rijvers mag staan, moet je het laten zien. Dat heeft me naar een hoger niveau gestuwd; ik keek zo tegen die mannen op... dat was geweldig.' En toch... hij zou ook tevreden zijn geweest als trainer van een amateurclub. 'Dat denk ik wel, ja. Men vraagt altijd wat mijn leukste periode is. Nou, die bij de amateurclub vond ik geweldig. De charme was dat er niets kon en toch gebeurde alles. En ik was succesvol.' Een keer geeft hij de moed als proftrainer bijna op. Hij ziet Leo Beenhakker voor het kwalificatieduel met Hongarije voor het WK 1986 - waar Nederland de beslissingswedstrijd tegen België afdwingt - een speech van vijf kwartier afsteken en denkt: dit kan ik nooit. Dat zegt hij ook tegen Michels: 'Ik stop ermee, dit leer ik nooit van mijn leven.' 'Toen zei hij: 'Iedereen doet het op zijn eigen manier, en jij doet het op jouw manier en die is goed.' Nóóit meer vergeten. Die ene zin is voor mij heel bepalend geweest.' Hij knikt wanneer de tegenstellingen in zijn karakter ter sprake komen. Zacht buiten de lijnen, keihard daarbinnen, verlegen als mens, zelfverzekerd als coach en iemand die de eenzaamheid in het buitenland aan zich voelt vreten, om zich na thuiskomst verslagen te zien door de innerlijke onrust er een nieuw avontuur achteraan te plakken. 'Ik begrijp mezelf ook niet helemaal', zegt hij en hij prikt nog eens in zijn appeltaart. 'Ik zocht er door de jaren heen ook mijn mensen op uit. Assistenten die wisten hoe ik ben en aan wie ik me kon optrekken op persoonlijk vlak, op wie ik kon leunen. Dat gaf me vertrouwen. Extreem loyale mensen ook. Dat is wederzijds.' Zijn vaste assistenten, zoals Bert van Lingen en Cor Pot, roemen de zorgzame kant van Advocaat, die hun vriend werd. Hij regelt steevast een goed contract voor hen; wanneer Dick het goed heeft, moet zijn omgeving dat ook hebben, is zijn adagium. 'Zij zijn er ook voor mij, altijd.' Weer een stilte; zijn ogen worden ook nu rood. 'Ik ben niet de gemakkelijkste', zegt hij dan snel. 'Ik kan behoorlijk humeurig zijn en ik had wel nare trekjes. Vervelend zijn naar spelers toe; weinig zeggen en gewoon dóén - zonder uitleg. Afgesloten. Dat kwam er bij mij toch ook in door jaren naast Michels te staan. Die was ook zo.' Als mens raakt hij met de jaren meer betrokken bij zijn spelers. 'Maar zoals Louis van Gaal zal ik nooit worden. Die wist alles van zijn spelers.' Hun weg was ook totaal anders. 'Louis heeft voor zichzelf de moeilijkste gekozen. Ik niet. Ik dacht ook weleens: hmm, beter niet doen. Ik denk ook vaak: laat maar kletsen. Dat doet Louis niet; hij gaat er dwars door. Vind ik geweldig.' Zijn gevoelige kant zien we de laatste jaren steeds vaker terug. Sneller ook. 'Tegenwoordig schiet ik voor niets in de stress. ' Hij heeft het bij het horen van een volkslied, bij het zien van een mooi doelpunt. Bij een film, muziek, een documentaire. En ja, natuurlijk bij zijn afscheid bij Feyenoord dit jaar. 'Ik dacht nog: het gaat me lukken. En ineens, hup, daar ging ik. Had ik niets over te zeggen.' Hij voelt zich er ongemakkelijk bij. Waarom, dat weet hij niet. De avond voor het interview had hij nog zo'n moment, bij de documentaire The Show Must Go On over de band Queen en hun nieuwe zanger Adam Lamberts. Maar toen zat hij alleen, voor de tv. Niemand die hem emotioneel zag worden. 'Dan maakt het me niet zo veel uit. Het verhaal van die jongen, die homo is, raakte me enorm.' Hij liet er zelfs een EK-duel voor schieten. 'Dat ik alles lees en kijk en moet volgen, is ook zo'n stempel ... laat maar gaan. Laat ze maar denken. Wat maakt mij het uit.' Zelfs Pot denkt dat Dick Advocaat 'in het harnas wil sterven', maar dat klopt niet, zegt laatstgenoemde. 'Want ik heb vaak gedacht als ik alleen op mijn hotelkamer zat: nu zou ik toch doodgaan hier, in mijn eentje. Dat zou wat zijn, zeg... Daar had ik weleens slapeloze nachten van.' Of hij er bang voor is, voor de dood. 'Nou, wel als ik alleen zou zijn. Dat zou ik vervelend vinden.' Hij denkt er meer over na. 'Omdat het steeds dichterbij komt. Dat is nu eenmaal zo.' Hij wordt ouder; hij heeft zijn 'leeftijd nu tegen', zegt hij als het over een mogelijk nieuw avontuur gaat. 'Maar ik voel me nog heel scherp.' Na vorig seizoen zou hij met pensioen gaan, had hij herhaaldelijk gezegd. De oplettende lezer zag die twee woorden er steeds bijstaan: als clubtrainer. 'In Nederland', voegt hij er deze middag aan toe. 'Na Feyenoord is er voor mij niets meer in Nederland wat ik zou willen doen. Ik laat het op mij afkomen. Komt er niets wat ik leuk vind - en die kans is natuurlijk het grootst - dan is dat ook goed.' Ja? 'Ja... echt, ik vermaak me prima. Ik heb nog zoveel te doen, joh. Alle dingen die ik als trainer nooit deed; ik was altijd alleen maar met mijn vak bezig.' Dat hij een serieuze man is, is een stempel dat wél klopt. Hij vindt zichzelf soms zelfs wat saai. Ze gaan hem dan ook niet op de golfbaan aantreffen. 'Tennissen, lezen, tv kijken... Vooral biografieën en documentaires boeien me. Echt, ik kan prima zonder voetbal.'