Met FC Sevilla staat een Spaanse ploeg in de finale van de Europa League. En de finale van de Champions League is volledig Spaans getint. Ondanks de financiële malaise van veel clubs blijft Spanje het goed doen. Hoe is dat te verklaren?

Ondanks alle financiële problemen blijven de Spaanse clubs het op het Europese toneel uitstekend doen. Sinds het uitbreken van de crisis in 2008 staat met FC Sevilla voor de vierde keer een Spaanse club in de finale van de Europa League. Atlético Madrid won in 2010 en 2012 (tegen Athletic Bilbao).

In de Champions League kan Spanje dezelfde cijfers voorleggen: vier keer een club in de finale, twee keer winst - met FC Barcelona. Dat is bijvoorbeeld beter dan Duitsland, dat in diezelfde periode ook vier keer in de finale stond, maar slechts één keer kon winnen - met Bayern München vorig jaar - en dat terwijl de meeste clubs uit de Bundesliga blaken van de financiële gezondheid.

Hoe is dat sportieve succes te verklaren?

Daarvoor volstaat het te kijken naar één club: FC Barcelona. Onder coach Pep Guardiola, en later ook onder Tito Vilanova, gebeurde het dat de basiself volledig bestond uit canteranos, spelers uit de eigen jeugdopleiding.

Aangezien die jongens allemaal op elkaar ingespeeld waren en ze tijdens hun vorming de juiste accenten meekregen, legden ze dan ook nog eens wervelend voetbal op de mat. Dat model inspireerde heel wat andere ploegen in Spanje.

Lelijke dwerg

Wat het land namelijk al jaren uitstekend doet - en niet alleen bij Barcelona - is inzetten op de eigen jeugd, la cantera, en de trainers een behoorlijke opleiding geven.

De jeugdcoaches in Spanje zien heel snel of een spelertje kwaliteiten heeft of niet. In Engeland en Frankrijk bijvoorbeeld was dat nog niet zo lang geleden anders: daar dachten ze jarenlang dat een voetballer groot, sterk en knap moest zijn, een lelijke dwerg kwam gewoon niet in aanmerking.

Atlético en Sevilla

Ook bij een club als Atlético is het aandeel van de canteranos groot. In de halve finales tegen Chelsea stonden met Gabi, Koke en Mario Suárez drie spelers uit de cantera in de basis. Dat is niet zo fenomenaal als bij Barcelona, maar toch ook niet te onderschatten.

FC Sevilla heeft dan weer zijn zelf opgeleide spelers verkocht om uit de schulden te geraken. Denk maar aan Jesús Navas, die voor 20 miljoen euro aan Manchester City verpatst werd.

Met FC Sevilla staat een Spaanse ploeg in de finale van de Europa League. En de finale van de Champions League is volledig Spaans getint. Ondanks de financiële malaise van veel clubs blijft Spanje het goed doen. Hoe is dat te verklaren? Ondanks alle financiële problemen blijven de Spaanse clubs het op het Europese toneel uitstekend doen. Sinds het uitbreken van de crisis in 2008 staat met FC Sevilla voor de vierde keer een Spaanse club in de finale van de Europa League. Atlético Madrid won in 2010 en 2012 (tegen Athletic Bilbao). In de Champions League kan Spanje dezelfde cijfers voorleggen: vier keer een club in de finale, twee keer winst - met FC Barcelona. Dat is bijvoorbeeld beter dan Duitsland, dat in diezelfde periode ook vier keer in de finale stond, maar slechts één keer kon winnen - met Bayern München vorig jaar - en dat terwijl de meeste clubs uit de Bundesliga blaken van de financiële gezondheid. Hoe is dat sportieve succes te verklaren?Daarvoor volstaat het te kijken naar één club: FC Barcelona. Onder coach Pep Guardiola, en later ook onder Tito Vilanova, gebeurde het dat de basiself volledig bestond uit canteranos, spelers uit de eigen jeugdopleiding. Aangezien die jongens allemaal op elkaar ingespeeld waren en ze tijdens hun vorming de juiste accenten meekregen, legden ze dan ook nog eens wervelend voetbal op de mat. Dat model inspireerde heel wat andere ploegen in Spanje. Lelijke dwergWat het land namelijk al jaren uitstekend doet - en niet alleen bij Barcelona - is inzetten op de eigen jeugd, la cantera, en de trainers een behoorlijke opleiding geven. De jeugdcoaches in Spanje zien heel snel of een spelertje kwaliteiten heeft of niet. In Engeland en Frankrijk bijvoorbeeld was dat nog niet zo lang geleden anders: daar dachten ze jarenlang dat een voetballer groot, sterk en knap moest zijn, een lelijke dwerg kwam gewoon niet in aanmerking. Atlético en SevillaOok bij een club als Atlético is het aandeel van de canteranos groot. In de halve finales tegen Chelsea stonden met Gabi, Koke en Mario Suárez drie spelers uit de cantera in de basis. Dat is niet zo fenomenaal als bij Barcelona, maar toch ook niet te onderschatten. FC Sevilla heeft dan weer zijn zelf opgeleide spelers verkocht om uit de schulden te geraken. Denk maar aan Jesús Navas, die voor 20 miljoen euro aan Manchester City verpatst werd.