Wat houdt de term in?

Met opbouwen van achteruit bedoelen we meestal dat een ploeg als proiriteit heeft de bal in de ploeg te houden wanneer die zich in de buurt van het eigen doel bevindt. Bijvoorbeeld wanneer de doelman de bal heeft, kiest hij ervoor om een speler in zijn buurt aan te spelen in plaats van meteen de bal ver naar voor te knallen in de hoop dichter bij de goal van de tegenstander te komen.

Toch moeten we opbouwen van achteruit niet beperken tot 'kort spelen'. Vaak passt een ploeg achterin de bal rond om de tegenstander naar voor te lokken en dan een lange bal in de ruimte achter de vijandelijke defensie te kunnen geven. Opbouwen van achteruit gaat dus veel breder dan enkel korte passes tussen verdediging en doelman. Het is een manier van bouwen aan een aanval, die in tal van varianten kan voorkomen. De bedoeling is wel altijd om door achterin de bal bij te houden (of te doen alsof dat het plan is) elders ruimte te creëren en zo tot kansen te komen.

Einde van het tijdperk van de terugspeelbal

Vraag je je soms af waarom je de Rode Duivels op het WK '86 in Mexico weinig ziet opbouwen van achteruit? Hadden ze daar dan te weinig voetballende kwaliteiten voor? Een tactische keuze van Guy Thys misschien? De oorzaak ligt ergens helemaal anders. Tot 1992 mocht de keeper gewoon nog de bal oppakken als een ploegmaat hem terugspeelde. Wanneer een verdediger onder druk kwam te staan en hem teruggaf aan de doelman, nam die de bal gewoon in zijn handen en keilde hem zo hard als hij kon weer naar voor. Hoog pressen was tot een goeie 30 jaar geleden dus totaal nutteloos en tijdrekken vierde hoogtij, met het WK '90 als climax. Van achteruit opbouwen onder pressing zoals we dat vandaag kennen, was er toen dus geen sprake. Vaak kon een verdediger rustig met de bal aan de voet oprukken tot aan de middenlijn.

Door de afschaffing van de terugspeelbal onderging het voetbal een grote evolutie, misschien wel de grootste sinds de aanpassing van de buitenspelregel (van 3 naar 2 spelers tussen doel en bal). Het hoeft geen betoog dat het bijvoorbeeld de job van doelman volledig veranderde. Waar je tot 1992 alles met je handen mocht doen (binnen het strafschopgebied dan toch), moesten keepers plots kunnen voetballen. En ook aan verdedigers werden andere eisen gesteld. Beenharde mandekkers die de vijandelijke spits in hun achterzak staken maar geen pass konden geven, kwamen aardig in de problemen met de nieuwe regel.

Toch bestonden er voordien ook al ploegen die graag voetbalden van achteruit. Het Nederlandse totaalvoetbal van de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw, bijvoorbeeld, posteerde regelmatig flankaanvallers of middenvelders in de verdediging om aanvallend extra slagkrachtig voor de dag te komen. De doelman zagen ze dan weer als de elfde veldspeler die een aanval kon opzetten en de ruimte achter de verdediging moest bespelen. Keepers van de Hollandse School (met als inspirator Frans Hoek) werden sindsdien altijd zo opgeleid en dat hielp onder meer Stanley Menzo en Edwin Van der Sar om zich vlot aan te passen aan de nieuwe regel begin jaren negentig. Onderstaand doelpunt is zo uitgegroeid tot een voorbeeld van het voetbal waar Ajax voor staat en de plaats van de doelman daarin.

In andere landen kenden defensies veel meer problemen met de afschaffing van de terugspeelbal. Ploegen probeerden hun tegenstanders dan ook dicht bij hun doel vast te zetten om de voetballend zwakkere verdedigers tot een slechte pass te dwingen en zo te kunnen scoren. In de eerste jaren na de verandering gebeurde dat ook regelmatig, maar voetballers en coaches passen zich doorgaans snel aan. Verdedigers met betere voeten kregen de voorkeur op hun fysiek sterkere concurrenten of een middenvelder werd bijvoorbeeld omgeschoold tot een rechtsback. Vandaag de dag zijn verdedigers niet langer de minst begaafde voetballers van de ploeg (behalve misschien bij jouw lokale caféploeg) want zij moeten meer dan ooit kunnen uitvoetballen onder hoge pressing.

Om aan te vallen moet je opbouwen

Het Nederlandse totaalvoetbal drukt ook vandaag nog altijd zijn stempel op het voetbal, vooral dankzij het succes van FC Barcelona. De filosofie van de club is gebaseerd op de fundamenten die Johan Cruyff zelf aanbracht en werd verder uitgewerkt door één van zijn leerlingen, Pep Guardiola. De succescoach ziet voetbal heel simpel: 'Ofwel heb je de bal, ofwel heb je de bal niet. Wij willen de bal hebben. En wanneer we hem kwijt zijn, willen we hem zo snel mogelijk terug.'

Dat balbezitvoetbal leverde Barcelona en Guardiola de afgelopen vijftien jaar al heel wat succes op. Andere ploegen lieten zich daar door inspireren. Meer en meer trainers kozen ervoor om de bal zo veel mogelijk in eigen rangen te houden, met het percentage balbezit als heilige graal om matchen te winnen. Eén van de onderdelen van die tactiek is het uitvoetballen van achteruit, met als beste voorbeeld de doeltrap.

De voorbije jaren werd het een vertrouwd beeld dat verdedigers aan de rand van het eigen strafschopgebied staan te wachten om een pass van de doelman te ontvangen. De tegenstander probeerde de verdedigers dan onder druk te zetten in de hoop de opbouw te verstoren en misschien zelfs dicht bij het doel de bal te recupereren. Als de tegenpartij dat echt wou, konden ze een korte pass van de doelman naar een medespeler altijd voorkomen. De verdedigers moesten immers (net als de tegenstanders) buiten het strafschopgebied blijven. Dat maakte de opbouw van achteruit altijd een ietwat riskante onderneming.

Een klassiek voorbeeld van een uittrap van een doelman voor de regelverandering, hier Vukovic en Genk tegen Kortrijk., Play Sports
Een klassiek voorbeeld van een uittrap van een doelman voor de regelverandering, hier Vukovic en Genk tegen Kortrijk. © Play Sports

Dat veranderde afgelopen zomer volledig toen ook die regel geschrapt werd. Verdedigers mogen nu ook in het eigen strafschopgebied staan wanneer hun doelman de bal weer in het spel brengt. Die regel werd ooit uitgevonden om het gebruik van de terugspeelbal in te perken, maar had nu dus geen enkel nut meer.

Het gevolg: als de tegenstander druk wil zetten, moeten ze een nog groter gebied bestrijken. De verdedigers hebben op hun beurt veel meer tijd om de bal aan te nemen en hebben een veel beter overzicht over het veld dan wanneer ze aan de rand van de backlijn staan te wachten. Hoog druk zetten op een ploeg die van bij de doelman opbouwt, is sinds dit jaar dus een stuk moeilijker, waardoor nog meer ploegen daarvoor kiezen in plaats van de lange haal naar voren.

Dankzij de nieuwe regels mogen de verdedigers van Anderlecht wel in het strafschopgebied van Van Crombrugge komen bij een uittrap, terwijl de aanvallers van Zulte Waregem minstens 9,15m verder moeten wachten., Play Sports
Dankzij de nieuwe regels mogen de verdedigers van Anderlecht wel in het strafschopgebied van Van Crombrugge komen bij een uittrap, terwijl de aanvallers van Zulte Waregem minstens 9,15m verder moeten wachten. © Play Sports

Wat misschien niet iedereen weet, is dat ook de buitenspelregel daar een grote invloed op heeft. Een speler kan namelijk niet buitenspel staan op een doeltrap van de eigen keeper. Daardoor kan de tegenstander niet zomaar een extreem hoog blok zetten, ook al omdat je op de eigen speelhelft sowieso geen offside kan staan. Zo wordt het speelveld minstens 50 meter lang, wat uitzonderlijk veel is in het huidige compacte voetbal. Bij de opbouw van achteruit is er dus een stuk meer ruimte dan bij eender welke andere wedstrijdsituatie en kan het dus een efficiëntere manier zijn om een aanval op te zetten dan een verre uittrap.

Bovendien kan je door één speler hoog te zetten, eventueel in een 'buitenspelpositie', ruimte creëren tussen de linies van de tegenstander. Gezien de toegenomen voetballende capaciteiten van een aantal keepers, kan een onverwachte lange bal op een snelle aanvaller immers aartsgevaarlijk zijn en moeten er altijd een paar verdedigers in zijn buurt blijven. Door de grote afstand tussen de verdedigers en de aanvallers van de tegenpartij, wordt opbouwen nog een stuk gemakkelijker. Logisch dus dat steeds minder ploegen hoog gaan staan bij een uittrap van de vijandelijke doelman en meer kiezen voor een 'medium blok', dat door een opbouw van achteruit uit hun positie gelokt wordt.

Wie anders dan Guardiola paste deze kunstgreep al een paar keer toe met Manchester City. De aalvlugge Raheem Sterling positioneert zich een vijftiental meter voorbij de middenlijn en rekt zo de tegenstanders ver uit elkaar. In plaats van kort te spelen of meteen diep op Sterling, kiest doelman Bravo in onderstaande foto's ervoor om halflang te spelen op een vrijgekomen speler in het midden. Die speelt diep op Sterling die ervoor zorgt dat hij net geen offside meer staat op het moment van de steekpass.

Wyscout
© Wyscout
Door in een buitenspelpositie te gaan staan bij een doeltrap creëert Sterling ruimte voor zijn ploegmaats bij City., Wyscout
Door in een buitenspelpositie te gaan staan bij een doeltrap creëert Sterling ruimte voor zijn ploegmaats bij City. © Wyscout

Een mooi voorbeeld hoe opbouwen van achteruit het aantal opties om een aanval op te zetten maximaliseert. Het gaat niet meer alleen om kort spelen van de doelman naar de verdediger, maar nog vaker om de tegenstander voor een keuze te stellen, in de val te lokken en daarop te reageren. De veranderde regels in 1992 en in 2019 hebben de opbouw van achteruit een stuk vergemakkelijkt en in de hand gewerkt, met slechts één winnaar: de supporter die meer en beter voetbal te zien krijgt.

Met opbouwen van achteruit bedoelen we meestal dat een ploeg als proiriteit heeft de bal in de ploeg te houden wanneer die zich in de buurt van het eigen doel bevindt. Bijvoorbeeld wanneer de doelman de bal heeft, kiest hij ervoor om een speler in zijn buurt aan te spelen in plaats van meteen de bal ver naar voor te knallen in de hoop dichter bij de goal van de tegenstander te komen. Toch moeten we opbouwen van achteruit niet beperken tot 'kort spelen'. Vaak passt een ploeg achterin de bal rond om de tegenstander naar voor te lokken en dan een lange bal in de ruimte achter de vijandelijke defensie te kunnen geven. Opbouwen van achteruit gaat dus veel breder dan enkel korte passes tussen verdediging en doelman. Het is een manier van bouwen aan een aanval, die in tal van varianten kan voorkomen. De bedoeling is wel altijd om door achterin de bal bij te houden (of te doen alsof dat het plan is) elders ruimte te creëren en zo tot kansen te komen.Vraag je je soms af waarom je de Rode Duivels op het WK '86 in Mexico weinig ziet opbouwen van achteruit? Hadden ze daar dan te weinig voetballende kwaliteiten voor? Een tactische keuze van Guy Thys misschien? De oorzaak ligt ergens helemaal anders. Tot 1992 mocht de keeper gewoon nog de bal oppakken als een ploegmaat hem terugspeelde. Wanneer een verdediger onder druk kwam te staan en hem teruggaf aan de doelman, nam die de bal gewoon in zijn handen en keilde hem zo hard als hij kon weer naar voor. Hoog pressen was tot een goeie 30 jaar geleden dus totaal nutteloos en tijdrekken vierde hoogtij, met het WK '90 als climax. Van achteruit opbouwen onder pressing zoals we dat vandaag kennen, was er toen dus geen sprake. Vaak kon een verdediger rustig met de bal aan de voet oprukken tot aan de middenlijn.Door de afschaffing van de terugspeelbal onderging het voetbal een grote evolutie, misschien wel de grootste sinds de aanpassing van de buitenspelregel (van 3 naar 2 spelers tussen doel en bal). Het hoeft geen betoog dat het bijvoorbeeld de job van doelman volledig veranderde. Waar je tot 1992 alles met je handen mocht doen (binnen het strafschopgebied dan toch), moesten keepers plots kunnen voetballen. En ook aan verdedigers werden andere eisen gesteld. Beenharde mandekkers die de vijandelijke spits in hun achterzak staken maar geen pass konden geven, kwamen aardig in de problemen met de nieuwe regel. Toch bestonden er voordien ook al ploegen die graag voetbalden van achteruit. Het Nederlandse totaalvoetbal van de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw, bijvoorbeeld, posteerde regelmatig flankaanvallers of middenvelders in de verdediging om aanvallend extra slagkrachtig voor de dag te komen. De doelman zagen ze dan weer als de elfde veldspeler die een aanval kon opzetten en de ruimte achter de verdediging moest bespelen. Keepers van de Hollandse School (met als inspirator Frans Hoek) werden sindsdien altijd zo opgeleid en dat hielp onder meer Stanley Menzo en Edwin Van der Sar om zich vlot aan te passen aan de nieuwe regel begin jaren negentig. Onderstaand doelpunt is zo uitgegroeid tot een voorbeeld van het voetbal waar Ajax voor staat en de plaats van de doelman daarin.In andere landen kenden defensies veel meer problemen met de afschaffing van de terugspeelbal. Ploegen probeerden hun tegenstanders dan ook dicht bij hun doel vast te zetten om de voetballend zwakkere verdedigers tot een slechte pass te dwingen en zo te kunnen scoren. In de eerste jaren na de verandering gebeurde dat ook regelmatig, maar voetballers en coaches passen zich doorgaans snel aan. Verdedigers met betere voeten kregen de voorkeur op hun fysiek sterkere concurrenten of een middenvelder werd bijvoorbeeld omgeschoold tot een rechtsback. Vandaag de dag zijn verdedigers niet langer de minst begaafde voetballers van de ploeg (behalve misschien bij jouw lokale caféploeg) want zij moeten meer dan ooit kunnen uitvoetballen onder hoge pressing.Het Nederlandse totaalvoetbal drukt ook vandaag nog altijd zijn stempel op het voetbal, vooral dankzij het succes van FC Barcelona. De filosofie van de club is gebaseerd op de fundamenten die Johan Cruyff zelf aanbracht en werd verder uitgewerkt door één van zijn leerlingen, Pep Guardiola. De succescoach ziet voetbal heel simpel: 'Ofwel heb je de bal, ofwel heb je de bal niet. Wij willen de bal hebben. En wanneer we hem kwijt zijn, willen we hem zo snel mogelijk terug.'Dat balbezitvoetbal leverde Barcelona en Guardiola de afgelopen vijftien jaar al heel wat succes op. Andere ploegen lieten zich daar door inspireren. Meer en meer trainers kozen ervoor om de bal zo veel mogelijk in eigen rangen te houden, met het percentage balbezit als heilige graal om matchen te winnen. Eén van de onderdelen van die tactiek is het uitvoetballen van achteruit, met als beste voorbeeld de doeltrap. De voorbije jaren werd het een vertrouwd beeld dat verdedigers aan de rand van het eigen strafschopgebied staan te wachten om een pass van de doelman te ontvangen. De tegenstander probeerde de verdedigers dan onder druk te zetten in de hoop de opbouw te verstoren en misschien zelfs dicht bij het doel de bal te recupereren. Als de tegenpartij dat echt wou, konden ze een korte pass van de doelman naar een medespeler altijd voorkomen. De verdedigers moesten immers (net als de tegenstanders) buiten het strafschopgebied blijven. Dat maakte de opbouw van achteruit altijd een ietwat riskante onderneming.Dat veranderde afgelopen zomer volledig toen ook die regel geschrapt werd. Verdedigers mogen nu ook in het eigen strafschopgebied staan wanneer hun doelman de bal weer in het spel brengt. Die regel werd ooit uitgevonden om het gebruik van de terugspeelbal in te perken, maar had nu dus geen enkel nut meer. Het gevolg: als de tegenstander druk wil zetten, moeten ze een nog groter gebied bestrijken. De verdedigers hebben op hun beurt veel meer tijd om de bal aan te nemen en hebben een veel beter overzicht over het veld dan wanneer ze aan de rand van de backlijn staan te wachten. Hoog druk zetten op een ploeg die van bij de doelman opbouwt, is sinds dit jaar dus een stuk moeilijker, waardoor nog meer ploegen daarvoor kiezen in plaats van de lange haal naar voren.Wat misschien niet iedereen weet, is dat ook de buitenspelregel daar een grote invloed op heeft. Een speler kan namelijk niet buitenspel staan op een doeltrap van de eigen keeper. Daardoor kan de tegenstander niet zomaar een extreem hoog blok zetten, ook al omdat je op de eigen speelhelft sowieso geen offside kan staan. Zo wordt het speelveld minstens 50 meter lang, wat uitzonderlijk veel is in het huidige compacte voetbal. Bij de opbouw van achteruit is er dus een stuk meer ruimte dan bij eender welke andere wedstrijdsituatie en kan het dus een efficiëntere manier zijn om een aanval op te zetten dan een verre uittrap.Bovendien kan je door één speler hoog te zetten, eventueel in een 'buitenspelpositie', ruimte creëren tussen de linies van de tegenstander. Gezien de toegenomen voetballende capaciteiten van een aantal keepers, kan een onverwachte lange bal op een snelle aanvaller immers aartsgevaarlijk zijn en moeten er altijd een paar verdedigers in zijn buurt blijven. Door de grote afstand tussen de verdedigers en de aanvallers van de tegenpartij, wordt opbouwen nog een stuk gemakkelijker. Logisch dus dat steeds minder ploegen hoog gaan staan bij een uittrap van de vijandelijke doelman en meer kiezen voor een 'medium blok', dat door een opbouw van achteruit uit hun positie gelokt wordt.Wie anders dan Guardiola paste deze kunstgreep al een paar keer toe met Manchester City. De aalvlugge Raheem Sterling positioneert zich een vijftiental meter voorbij de middenlijn en rekt zo de tegenstanders ver uit elkaar. In plaats van kort te spelen of meteen diep op Sterling, kiest doelman Bravo in onderstaande foto's ervoor om halflang te spelen op een vrijgekomen speler in het midden. Die speelt diep op Sterling die ervoor zorgt dat hij net geen offside meer staat op het moment van de steekpass.Een mooi voorbeeld hoe opbouwen van achteruit het aantal opties om een aanval op te zetten maximaliseert. Het gaat niet meer alleen om kort spelen van de doelman naar de verdediger, maar nog vaker om de tegenstander voor een keuze te stellen, in de val te lokken en daarop te reageren. De veranderde regels in 1992 en in 2019 hebben de opbouw van achteruit een stuk vergemakkelijkt en in de hand gewerkt, met slechts één winnaar: de supporter die meer en beter voetbal te zien krijgt.