Vrijdag start het EK voetbal. Dat betekent: het ideale excuus om samen met vrienden rum-cola's te monteren. En om elkaar af te troeven met encyclopedische voetbalkennis. Maar ook: gebombardeerd worden met voetbalwijsheden door voetbalcommentatoren. Die moeten immers hun kleine twee uur zendtijd vollullen.

Passeren dus ongetwijfeld de revue: 'Geen beter moment om een doelpunt te scoren dan net voor de rust', 'met 10 spelers sta je soms sterker dan met 11' en 'met de Duitse nationale ploeg ben je nooit klaar'.

Business is business

En het mooie is: we weten sinds het vorige EK veel meer welke voetbalmythes kloppen en welke niet. Omdat er wetenschappelijk onderzoek is naar gevoerd. Netjes gepubliceerd in toonaangevende internationale vakbladen, zoals Journal of Sports Economics.

Het zal u misschien verbazen, dat economieprofessoren zich bezighouden met het onderzoeken van voetbalmythes. Maar het is minder gek dan het lijkt. De gekende Vlaamse filosoof B. Boma wist het drie decennia geleden al: business is business. En voetbal is ondertussen big business. Een wedstrijd al dan niet winnen kan soms een miljoenenverschil uitmaken voor de kassa van een voetbalbedrijf. Dat economisten zich dus bezighouden met onderzoeken wat het verschil maakt op het veld, is niet meer dan logisch.

Bovendien - en zo komen we bij mijn eigen winkel terecht - is de voetbalmarkt het perfecte laboratorium om de arbeidsmarkt te begrijpen. Enerzijds is er heel veel data beschikbaar over de belangrijkste bijzaak in het leven die voetbal is. Alleen al op transfermarkt.be kun je hele avonden verdwalen in cijfertjes (vooral op degene waar je de vuilbakken moet buitenzetten).

Anderzijds is de productiviteit van voetbalteams, namelijk het scoren van doelpunten en winnen van wedstrijden, veel duidelijker te observeren dan elders in de arbeidsmarkt. Wanneer een voetballer uit Afrika en Europa even productief zijn, krijgen ze dan ook hetzelfde loon? Werken automatismen of leidt meer afwisseling tot productiviteit? Het zijn vragen die op het eerste zicht enkel relevant zijn binnen de voetbalwereld, maar ze beantwoorden kan leiden tot inzichten die relevant zijn voor de volledige arbeidsmarkt.

's Werelds meest gekende voetbalquote

Laat ons even een eerste mythe tegen het licht houden: degene die zegt dat je met Duitse ploegen nooit klaar bent. Omdat ze heel vaak op het einde nog een doelpunt maken.

Deze wijsheid werd nooit zo puntig geformuleerd als door Gary Lineker, de voormalige spits van Engeland. Na het verlies met zijn nationaal team in de halve finale van het WK 1990 in Italië tegen Duitsland, verklaarde hij: 'Voetbal is een eenvoudig spel: tweeëntwintig man jagen 90 minuten lang op een bal en aan het eind winnen de Duitsers.' Deze uitspraak is misschien wel de beroemdste uit het internationale voetbal geworden.

Maar is deze uitspraak wel waar? Iets wetenschappelijker gesteld: is het zo dat Duitse ploegen aan het eind van een voetbalwedstrijd aanzienlijk vaker een doelpunt scoren (en daardoor de wedstrijd winnen) dan ploegen uit andere landen?

Analyse van 1008 wedstrijden

Om deze vraag op een wetenschappelijke manier te beantwoorden, liet ik enkele jaren geleden twee masterproefstudenten, Simon Amez en Louis Van Den Broucke, allerlei gegevens over 1008 wedstrijden in de UEFA Champions League en de UEFA Europa League samenbrengen in een mega Excel-werkblad. Via econometrische hocus pocus analyseerden we dan hoe het scoringsgedrag verschilde tussen de meest voorkomende landen in deze competities. Naast Duitsland zijn dat Engeland, Spanje, Italië, Frankrijk, Portugal, Rusland, Oekraïne, Nederland en België.

Wat blijkt? Na controle voor factoren zoals de relatieve sterkte van de teams en de score aan het eind van de 89e minuut van de wedstrijd, werd geen bewijs voor Linekers uitspraak gevonden. Dat wil zeggen, Duitse clubs scoren niet significant vaker een doelpunt in de 90e minuut of later.

Franse en Spaanse ploegen krijgen daarentegen minder vaak een tegendoelpunt te verwerken in de 'dying seconds' van een wedstrijd. Bovendien hebben Nederlandse ploegen een grotere kans om de wedstrijd in een gelijkspel te beëindigen als gevolg van (het scoren of toestaan van) een laat doelpunt. Engelse ploegen ten slotte krijgen minder vaak een late goal tegen, maar alleen als ze een Engelse coach hebben. Wie meer wil lezen over dit onderzoek, kan het doen in het artikel in het gekende interdisciplinaire vakblad Plos One.

Nederlandse studie

Het besproken studiewerk gaat weliswaar over internationaal clubvoetbal en niet over competitie tussen landenteams. Gelukkig is er een tweede studie van mijn wetenschappelijke idool Jan van Ours - gezaghebbend economieprofessor, ingenieur en Feyenoord-supporter - die wel met landenteamdata aan de slag ging.

Ook zijn bevindingen bieden niet echt ondersteuning voor de voetbalmythe het Duitse nationale team op het eind het verschil maakt. Het is te zeggen: Jan van Ours en zijn collega Martin van Tuijl vonden wel dat de Duitse nationale ploeg iets vaker dan andere landenteams scoort op het einde van een wedstrijd, wanneer dat belangrijk is - ook voor bijvoorbeeld Argentinië is dat het geval - maar tegelijk krijgen ze ook vaker een laat doelpunt tegen.

Conclusie

Met andere woorden: als de Rode Duivels er straks uitgaan tegen Duitsland door een laat tegendoelpunt, dan hoeven we echt niet te verwijzen naar goddelijke krachten, maar mogen we gerust kafferen op de 11 rode halfgoden op het veld. En een laatste rum-cola monteren om de pijn te verzachten.

Stijn Baert is economieprofessor aan de UGent. Hij leidde verschillende voetbaleconomische studies.

Instagram: stijn_j_baert

Twitter: Stijn_Baert

Vrijdag start het EK voetbal. Dat betekent: het ideale excuus om samen met vrienden rum-cola's te monteren. En om elkaar af te troeven met encyclopedische voetbalkennis. Maar ook: gebombardeerd worden met voetbalwijsheden door voetbalcommentatoren. Die moeten immers hun kleine twee uur zendtijd vollullen. Passeren dus ongetwijfeld de revue: 'Geen beter moment om een doelpunt te scoren dan net voor de rust', 'met 10 spelers sta je soms sterker dan met 11' en 'met de Duitse nationale ploeg ben je nooit klaar'.En het mooie is: we weten sinds het vorige EK veel meer welke voetbalmythes kloppen en welke niet. Omdat er wetenschappelijk onderzoek is naar gevoerd. Netjes gepubliceerd in toonaangevende internationale vakbladen, zoals Journal of Sports Economics. Het zal u misschien verbazen, dat economieprofessoren zich bezighouden met het onderzoeken van voetbalmythes. Maar het is minder gek dan het lijkt. De gekende Vlaamse filosoof B. Boma wist het drie decennia geleden al: business is business. En voetbal is ondertussen big business. Een wedstrijd al dan niet winnen kan soms een miljoenenverschil uitmaken voor de kassa van een voetbalbedrijf. Dat economisten zich dus bezighouden met onderzoeken wat het verschil maakt op het veld, is niet meer dan logisch.Bovendien - en zo komen we bij mijn eigen winkel terecht - is de voetbalmarkt het perfecte laboratorium om de arbeidsmarkt te begrijpen. Enerzijds is er heel veel data beschikbaar over de belangrijkste bijzaak in het leven die voetbal is. Alleen al op transfermarkt.be kun je hele avonden verdwalen in cijfertjes (vooral op degene waar je de vuilbakken moet buitenzetten). Anderzijds is de productiviteit van voetbalteams, namelijk het scoren van doelpunten en winnen van wedstrijden, veel duidelijker te observeren dan elders in de arbeidsmarkt. Wanneer een voetballer uit Afrika en Europa even productief zijn, krijgen ze dan ook hetzelfde loon? Werken automatismen of leidt meer afwisseling tot productiviteit? Het zijn vragen die op het eerste zicht enkel relevant zijn binnen de voetbalwereld, maar ze beantwoorden kan leiden tot inzichten die relevant zijn voor de volledige arbeidsmarkt.Laat ons even een eerste mythe tegen het licht houden: degene die zegt dat je met Duitse ploegen nooit klaar bent. Omdat ze heel vaak op het einde nog een doelpunt maken. Deze wijsheid werd nooit zo puntig geformuleerd als door Gary Lineker, de voormalige spits van Engeland. Na het verlies met zijn nationaal team in de halve finale van het WK 1990 in Italië tegen Duitsland, verklaarde hij: 'Voetbal is een eenvoudig spel: tweeëntwintig man jagen 90 minuten lang op een bal en aan het eind winnen de Duitsers.' Deze uitspraak is misschien wel de beroemdste uit het internationale voetbal geworden. Maar is deze uitspraak wel waar? Iets wetenschappelijker gesteld: is het zo dat Duitse ploegen aan het eind van een voetbalwedstrijd aanzienlijk vaker een doelpunt scoren (en daardoor de wedstrijd winnen) dan ploegen uit andere landen?Om deze vraag op een wetenschappelijke manier te beantwoorden, liet ik enkele jaren geleden twee masterproefstudenten, Simon Amez en Louis Van Den Broucke, allerlei gegevens over 1008 wedstrijden in de UEFA Champions League en de UEFA Europa League samenbrengen in een mega Excel-werkblad. Via econometrische hocus pocus analyseerden we dan hoe het scoringsgedrag verschilde tussen de meest voorkomende landen in deze competities. Naast Duitsland zijn dat Engeland, Spanje, Italië, Frankrijk, Portugal, Rusland, Oekraïne, Nederland en België.Wat blijkt? Na controle voor factoren zoals de relatieve sterkte van de teams en de score aan het eind van de 89e minuut van de wedstrijd, werd geen bewijs voor Linekers uitspraak gevonden. Dat wil zeggen, Duitse clubs scoren niet significant vaker een doelpunt in de 90e minuut of later. Franse en Spaanse ploegen krijgen daarentegen minder vaak een tegendoelpunt te verwerken in de 'dying seconds' van een wedstrijd. Bovendien hebben Nederlandse ploegen een grotere kans om de wedstrijd in een gelijkspel te beëindigen als gevolg van (het scoren of toestaan van) een laat doelpunt. Engelse ploegen ten slotte krijgen minder vaak een late goal tegen, maar alleen als ze een Engelse coach hebben. Wie meer wil lezen over dit onderzoek, kan het doen in het artikel in het gekende interdisciplinaire vakblad Plos One.Het besproken studiewerk gaat weliswaar over internationaal clubvoetbal en niet over competitie tussen landenteams. Gelukkig is er een tweede studie van mijn wetenschappelijke idool Jan van Ours - gezaghebbend economieprofessor, ingenieur en Feyenoord-supporter - die wel met landenteamdata aan de slag ging.Ook zijn bevindingen bieden niet echt ondersteuning voor de voetbalmythe het Duitse nationale team op het eind het verschil maakt. Het is te zeggen: Jan van Ours en zijn collega Martin van Tuijl vonden wel dat de Duitse nationale ploeg iets vaker dan andere landenteams scoort op het einde van een wedstrijd, wanneer dat belangrijk is - ook voor bijvoorbeeld Argentinië is dat het geval - maar tegelijk krijgen ze ook vaker een laat doelpunt tegen.Met andere woorden: als de Rode Duivels er straks uitgaan tegen Duitsland door een laat tegendoelpunt, dan hoeven we echt niet te verwijzen naar goddelijke krachten, maar mogen we gerust kafferen op de 11 rode halfgoden op het veld. En een laatste rum-cola monteren om de pijn te verzachten.