Op het internet circuleert opmerkelijk materiaal. Zoals dit kerstverhaal. Warmte en optimisme in tijden van koude, mist en duisternis.
...

Op het internet circuleert opmerkelijk materiaal. Zoals dit kerstverhaal. Warmte en optimisme in tijden van koude, mist en duisternis. Wie wat ouder is, en fan van het Britse voetbal, herinnert zich misschien Paul McVeigh. Indien niet, dan mogelijk wel het sprookje van Norwich City in het begin van deze eeuw. Een leuke, spectaculaire ploeg die steevast meedraaide in de top van de First Division, met veel goals en een grote amusementswaarde. Darren Huckerby schoot ze toen uit alle hoeken binnen en in doel deed Robert Green, die het tot bij de nationale ploeg zou schoppen, de rest. McVeigh, die zijn carrière bij Tottenham begon, was in die dagen een goeie schaduwspits bij de Kanaries. McVeigh groeide op in Noord-Ierland, net als Philip Mulryne, zijn ploegmaat op het middenveld in die mooie Norwichdagen en voordien ook speelkameraad in de straten van Belfast, waar beiden de woelige jaren 80 meemaakten. Bloody sunday (in 1972 schoot het Britse leger op vreedzame betogers) lag toen nog vers in het geheugen. Het IRA liet er bommen ontploffen, Belfast was een hellhole in die periode. McVeigh en Mulryne voetbalden en wisten niet beter. Voor hen was dat allemaal normaal. Je moest wel altijd opletten met wat op straat lag, het kon glas zijn maar evengoed een boobytrap. Toen beide Belfast belles bij de Noord-Ierse selectie kwamen en naar het buitenland reisden, gingen hun ogen open. Opgroeien kon dus ook anders, zonder bewapende politiewagens. Rond hun vijftiende verloren beiden elkaar tijdelijk uit het oog. McVeigh trok naar Londen, om er als voetballer proberen door te breken bij Tottenham. Mulryne koos voor Manchester United. Dat had ook Liverpool kunnen zijn, want toen scouts uit Engeland zijn talent kwamen bekijken, deden die beide ploegen een voorstel. Maar, zo vertelde Mulryne later aan McVeigh: als je kunt kiezen tussen Liverpool en Manchester United, is de beslissing snel genomen. Het werd het United van Eric Cantona en Roy Keane, die beiden op een poster in zijn kamer hingen. Het United van David Beckham en The Class of '92, dat nationaal en Europees niet te kloppen was. Easy life was het niet. In zijn eerste twee seizoenen bleef Mulryne in de familiale omgeving. Van maandag tot vrijdag woonde hij in Belfast. Op vrijdag nam hij het vliegtuig naar Manchester, voor een wedstrijd met de jeugd van United, en op zondag keerde hij terug naar huis. Pas toen hij een profcontract tekende, werd de verhuis definitief. Telkens stapte hij met een bang hartje het vliegtuig op, een beetje onzeker of hij wel aan de verwachtingen en het niveau zou kunnen beantwoorden. Wat hij er vond: een ongelooflijk professionele werkomgeving. 'Elke dag moest je beter zijn dan de dag voordien, dat was het devies binnen de club', vertelde hij thuis. De druk was er hoog. Bewust, op elk moment zo bedoeld. 'Als je er hier al niet tegen kunt, hoe ga je dan straks presteren wanneer je voor 75.000 mensen moet spelen?' Met de sterren had hij in het begin niet zoveel contact. Mulryne kwam maar in hun kleedkamer als ze weg waren, om hun schoenen te poetsen. Maar in de namiddag, wanneer de A-ploeg vrij was en de jeugd moest trainen, kwamen ze wel eens langs. Cantona. Beckham. Keane. Dan pikten ze er wat jongens uit om een balletje mee te trappen. Zij om nog wat te trainen, de jeugd kon stelen met de ogen. Presteren wilde hij, want op zijn veertiende had Mulryne een eed gezworen: 'Als ik ooit tot in de Premier League geraak, koop ik me een rode Ferrari.' McVeigh zou uiteindelijk niet doorbreken bij Tottenham en moeten afzakken naar de tweede klasse. Hij belandde bij Norwich. Mulryne overkwam hetzelfde. Hij ontwikkelde zich fysiek, was getalenteerd, maar opboksen tegen Keane, Beckham, Paul Scholes of Ryan Giggs bleek als middenvelder iets te veel gevraagd. Af en toe speelde hij nog wel, één keer met de A-ploeg in de competitie zelfs vanaf het begin, maar in zijn ogen was dat niet vaak genoeg, zelfs al was hij nog jong. Dus keek hij uit naar wat anders. In 1999 stapte Mulryne, 21 op dat moment, naar Alex Ferguson met de vraag of hij mocht vertrekken. Ferguson onderkende het talent van de jonge Noord-Ier, legde zelfs een nieuw contract klaar om hem te paaien, maar de youngster was niet te houden en koos op zijn beurt voor Norwich. Daar sloeg het noodlot toe. Voor zijn eerste thuiswedstrijd passeerde Mulryne de kathedraal van de stad. Opgegroeid als katholiek, maar gaandeweg het religieuze ingeruild voor een leven als voetballer, besliste hij in een impuls om te stoppen. Hij die in Belfast wekelijks naar de zondagsdiensten ging, stapte nagenoeg voor het eerst in Engeland opnieuw een kerk binnen. Recht richting het altaar, om er te bidden. Niet voor het welzijn van de mensheid, herinnerde hij zich later. Eerder op zichzelf gericht. De wedstrijd kwam live op Sky en hij wilde indruk maken. Of God hem even kon bijstaan om man van de match te worden? God bleek die avond doof, of met andere prioriteiten bezig. Toen hij op weg werd gezet naar doel, greep een tegenstander hard in. Krak zei het been van Mulryne, die het bewustzijn verloor en pas in de kliniek weer wakker werd. Alex Ferguson was een van de eersten die hij vanop zijn ziekbed aan de lijn kreeg. Ferguson bood hem aan zijn revalidatie in Manchester op de club af te werken. Daar waren de werkomstandigheden top. Mulryne zei daar later over: 'Zo was Alex Ferguson. Zeer betrokken. Altijd informerend naar hoe het thuis was. En ook bekommerd om je als je al weg was op de club.' Mulrynes geluk bij een zwaar ongeluk: een van de beste chirurgen van het land, fan van Norwich, zat die avond in de auto, op weg naar een weekendje in Londen. Hij volgde de match op de radio, hoorde het nieuws, keerde de auto, belde de kliniek en zei dat hij zelf de operatie kwam doen. Dat was zijn taak, vond hij, als fan. Toen Mulryne ontwaakte, zei de chirurg: 'Ik denk dat het allemaal goed is gegaan, maar ik weet niet of je ooit nog gaat kunnen voetballen.' Het zette Mulryne aan het denken. Heel zijn leven had hij ervan gedroomd om voetballer te worden en plots kon het voorbij zijn. 'Als ik geen voetballer ben, wat ben ik dan wel?', vroeg hij zich af. Die vraag echt dóórdenken hoefde uiteindelijk niet. Hij kwam terug en presteerde. Hij bereikte, samen met zijn maatje McVeigh, mooie hoogtepunten met Norwich City: de play-offs op Wembley voor promotie en later de titel. Hij geraakte in de Premier League - 34 matchen in dat ene jaar dat Norwich toen op dat niveau speelde - met drie goals en vijf assists. En hij kocht zich die Ferrari. Voor de kenners: model 316. Een tweezitter. Na een paar weken ebde het fijne gevoel weg en kocht hij zich een andere auto. Een jeep, daar zat hij hoger in en er kon meer volk mee. En zo ging het maar door, om de paar maanden een andere auto. Ook diverse huizen. Een mansion, eentje met vijf, zes slaapkamers, ook al woonde hij alleen. Ook huizen in het buitenland, voor de zomer. Een mens moet toch wat doen met zijn geld. Rusteloos, zo omschreef hij zijn leven als profvoetballer. Altijd op jacht naar weer wat anders. Wanneer hij thuiskwam na een match, belde hij direct vrienden om ergens af te spreken. Hij genoot van het leven, werd gespot met een model, Nicola Chapman. De kranten smulden van haar foto's. Soms ging dat genieten te ver. Als international werd hij eens uit de selectie gezet. Ze waren iets gaan drinken en hadden de avondklok niet gehaald. En toen ging het bergaf. Steeds moeilijker werd het om het leven als profvoetballer zin te geven. Na de degradatie van Norwich kwam Cardiff City. Vervolgens ging het, na heel wat omzwervingen en mislukte tests, naar de Verenigde Staten, tot bij de San Jose Earthquakes. Daar, onder de Californische zon, wilde hij zijn carrière beëindigen. Het plan: in de VS jongeren gaan coachen. Maar ergens bleef het wringen, was het zoeken naar de zin van het bestaan, en om dat door te denken keerde hij terug naar Belfast. Naar de familie en de vrienden van vroeger. Om er na te denken over die vraag die hij zich in dat hospitaalbed ook had gesteld: wat nu, nu ik geen voetballer meer ben? Diep nadenken. Een lange tijd. Zes maanden, een jaar, gaf hij zich. Een sabbatical. Het waren zijn zus en zijn schoonbroer die, binnen de week, met de oplossing kwamen aanzetten. Zijn schoonbroer nam hem mee naar een hulporganisatie voor dakloze mannen, alcoholici. Daar hielp hij mee in de begeleiding en bewonderde hij de kracht die ze haalden uit het gebed. Zijn zus Annette liet hem in dezelfde week kennismaken met de charismatische gemeenschap waarbinnen zij haar geloof beleed. Mulryne kwam naar de eerste meeting in een blauwe Porsche en hield zich wat op de achtergrond. Hij beleefde er vieringen zoals hij die niet kende: luide stemmen, dansende mensen. Eerst voelde hij zich nog onwennig, tattoo op de arm in designkleding, maar hij raakte snel begeesterd, getuigde hij later. Toen de priester zei: 'Ik kan alles doen dankzij Hem, omdat Hij me kracht geeft', dacht de ex-voetballer: 'Juist. Dat staat op mijn tattoo van tien jaar geleden.' Alles viel in de plooi. Een religieuze plooi. Mulryne ging biechten en begon een nieuw leven. Die dag werd alles anders. Die dag ook stopte zijn rusteloosheid. Want dat was tot dan zijn realiteit: rusteloosheid, elke keer weer. Op jacht naar the next model van wat dan ook: horloge, huis, telefoon, auto... misschien zelfs vrouw. Mulryne ontdekte in het religieuze bos een nieuw pad. Hij besefte zijn roeping, informeerde zich, ging langs bij de bisschop om raad en koos eerst voor een contemplatief leven, met veel bidden en alle dagen een eucharistieviering, maar hij besefte door het werk met de daklozen dat hij zich dienstbaar wilde stellen voor anderen. Hij wilde priester worden. Dat werd hij, maar geen gewone parochiepriester. Er was ook in die zoektocht wel wat onrust. In Rome, waar hij theologie studeerde en verbleef op het Irish College, botste hij naar eigen zeggen per toeval op een dominicaan. Die wijdde hem in de principes van zijn orde in. Mulryne bestudeerde die en vond dat de handschoen hem als gegoten paste. Hij besloot dat dat zijn nieuwe bestemming werd. Van de drie geloften die de dominicanen moeten afleggen (kuisheid, gehoorzaamheid en armoede) was hij niet bang, zei hij tegen McVeigh. Hij schonk alles weg. Dominicanen mogen zelfs geen bankrekening hebben, ze leven van wat gelovigen aan de gemeenschap schenken. Wel was hij bang voor een andere eis van de orde: het opvoedende. De dominicanen wilden dat hij theologie zou studeren en een diploma halen in filosofie. En ook dat hij Latijn ging studeren en Grieks, de oude talen. En ook nog eens een vreemde taal, Spaans of Frans. Voor iemand die als tiener alleen maar dacht aan voetballen, was dat een hele opgave. Maar profvoetballer worden was dat ook. Opnieuw sloeg hij zich erdoor. In 2012 trad Philip Mulryne toe tot de opleiding, in 2017 werd hij priester en vandaag is hij novice master, iemand die jonge priesters begeleidt. Af en toe ruilt hij het witte habijt voor voetbalschoenen, in het door de dominicanen gerunde Newbridge College in Ierland traint hij de schoolploeg. Wie wil, kan hem horen preken, dezer dagen ook live via het net, in Saint Mary's, aan het Popes Quay in Cork. Een en ander vertelde hij aan McVeigh, die na zijn carrière een nieuwe weg insloeg als presentator, maar in tijden van corona als alternatief van bij hem thuis uitzendingen met interviews streamt op het internet en tegelijk geld inzamelt voor een goed doel. In een van die uitzendingen liet hij zijn ex-ploegmaat en jeugdvriend Philip Mulryne getuigen over diens opmerkelijke carrièreswitch. Zo verschillend zijn beide werelden overigens niet, signaleerde de Noord-Ier: het is twee keer een mannenwereld, met veel samenhorigheid en teamspirit, waarin je moet luisteren naar een baas. In het ene geval de trainer, in het andere God. Alleen dat rusteloze jagen is nu weg. Eindelijk rust en vrede.