De week der wonderen. Twee avonden vol sportieve sensatie en menselijk drama die het voetbal zo onweerstaanbaar maken. Liverpool en Tottenham reisden van de hel naar de hemel en kwamen Barcelona en Ajax in de tegenovergestelde richting tegen.
...

De week der wonderen. Twee avonden vol sportieve sensatie en menselijk drama die het voetbal zo onweerstaanbaar maken. Liverpool en Tottenham reisden van de hel naar de hemel en kwamen Barcelona en Ajax in de tegenovergestelde richting tegen. Nog jaren zullen analisten er een kluif aan hebben om uit te zoeken waarom bij de Catalanen en de Amsterdammers plots het licht uitging. Pressing, kracht, mentaliteit en durf haalden het van de 'beautiful game'. Barcelona en Ajax bleken plots verlamd door angst en incasseerden goals die je zelfs bij de knapen niet voor mogelijk acht. Met een uniek resultaat voor gevolg: twee Europese finales met vier clubs uit hetzelfde land. Laat ons geen conclusies trekken op basis van één seizoen. Drie jaar geleden stonden drie Spaanse clubs in de finales en ze mochten in de laatste twaalf jaar maar liefst zeven keer met de Beker met de Grote Oren pronken. Het had ook een eindstrijd zonder Engelse clubs kunnen worden. In afwezigheid van de vedetten Mo Salah en Roberto Firmino groeide Divock Origi, die dit seizoen meer dan één broek op de bank versleet, op Anfield Road uit tot de held van de avond. Bij Tottenham mocht Lucas Moura nog eens opdraven omdat Harry Kane in de lappenmand lag. Hij scoorde drie keer met links. Volgens Engelse kenners waren het de enige doelschoten met zijn mindere linkerbeen van het seizoen. Een echte verrassing kan de dominantie van de Engelse clubs overigens niet genoemd worden. De Premier League heeft met ruime voorsprong het beste tv-contract en telt dan ook zes ploegen in de top tien van rijkste clubs in de Deloitte Football Money League. Geld bepaalt meer dan ooit het resultaat in het voetbal en tegelijk bewees Ajax dat er nog hoop is voor teams met minder financiële middelen. Niet alleen in Europa, maar ook in een aantal nationale competities wordt af en toe gespot met de harde wet van het geld. Atalanta Bergamo (14e qua loonmassa in de Serie A), Eintracht Frankfurt (10e in de Bundesliga) en Getafe (16e in La Liga) staan op een zucht van hun debuut in de Champions League. Sprookjes zoals Ajax lijken in de toekomst echter onmogelijk te worden als de ECA (European Club Association) zijn zin krijgt. Een klein kransje rijke clubs van het Europese vasteland wil het internationale voetbal opschudden. Zoals we hier al eerder schreven, willen ze vanaf 2024 de Champions League omvormen tot een Europese Superliga, een soort gesloten competitie. De grote namen zijn dan verzekerd van hun aanwezigheid op het miljoenenbal en spelen minstens zeven wedstrijden, ook als ze in eigen land ondermaats presteren. Voor ploegen uit kleinere voetballanden zou er nog nauwelijks plaats overblijven. Bovendien zou het de bedoeling zijn om in het weekeinde Europees te spelen. Een horrorscenario voor de nationale competities. Voor de superrijken is het nooit genoeg. Sinds de oprichting van de Champions League in 1992 mochten de veertien grootste namen van het Europees voetbal maar liefst zeven miljard euro verdelen en op basis van de huidige premies zou daar de komende zes jaar nog eens zeven miljard kunnen bijkomen. Geen wonder dat de rijkdomskloof met kleinere voetballanden te groot is geworden. Bayern München wint (wellicht) voor de zevende keer op rij de Bundesliga, Juventus voor de achtste keer de scudetto, Paris Saint-Germain voor de zesde keer op zeven de Ligue 1 en in Spanje verdeelden Real Madrid en Barcelona dertien van de jongste veertien titels. Zij zijn hun nationale competities ontgroeid en zien een Europese competitie als hét middel om een gelijk speelveld met de Engelse clubs te creëren. Gelukkig groeit er overal verzet tegen de graaizucht van de topclubs. Niet alleen over het Kanaal, waar de Premier League te lucratief is om op te blazen. In Madrid kwamen vorige week 244 clubs samen om te protesteren tegen de plannen van de ECA. Die zouden de leefbaarheid van de nationale competities en van de meerderheid van Europese clubs zwaar hypothekeren en zouden het economisch en sportief onevenwicht nog uitdiepen.