Wanneer begint de geschiedenis van Bart Verhaeghe aan de top van Club Brugge? Op 17 januari 2011, wanneer hij gedelegeerd bestuurder van de club wordt, op voorspraak van Michel D'Hooghe? Of op 1 februari, twee weken later, wanneer hij Pol Jonckheere opvolgt als voorzitter van de club. Of nog later, op 30 oktober 2012, wanneer de voorzitter ook eigenaar wordt?
...

Wanneer begint de geschiedenis van Bart Verhaeghe aan de top van Club Brugge? Op 17 januari 2011, wanneer hij gedelegeerd bestuurder van de club wordt, op voorspraak van Michel D'Hooghe? Of op 1 februari, twee weken later, wanneer hij Pol Jonckheere opvolgt als voorzitter van de club. Of nog later, op 30 oktober 2012, wanneer de voorzitter ook eigenaar wordt? Hoe dan ook, het is in deze periode tien jaar geleden dat zijn naam voor het eerst in het organigram verschijnt. Een intrede die niet onopgemerkt voorbijgaat. Luc Devroe wordt als sportief manager ontslagen en opgevolgd door het duo Henk Mariman-Sven Vermant. Filips Dhondt moet baan ruimen als general manager voor Vincent Mannaert, die overkomt van Zulte Waregem. Voorzien is dat die op 1 april zou beginnen, het wordt uiteindelijk 1 maart. Een en ander is zéér goed voorbereid. Wat sommigen toen nog afschilderden als 'weer een zakenman die eens zijn licht gaat laten schijnen op het voetbal maar er niks van weet', klopt van geen kanten. Hier kwam een man met een plan op de lange termijn. De kiem daarvan werd al gezaaid in... 2003. Toen zocht toenmalig minister-president van Vlaanderen Bart Somers zijn ex-studiegenoot in de rechten Verhaeghe op. Somers kende Verhaeghe van enkele vastgoedprojecten in het Mechelse en vroeg hem om zich te buigen over twee moeilijke dossiers: scholen en voetbalstadions. Verhaeghe kende de Europese vastgoedmarkt en ontwikkelde een theoretisch model geënt op de Belgische context. In voetbaltermen: een stadion kan je rendabel maken door er winkels aan te koppelen. Somers contacteerde de profliga en vroeg of er interesse was om naar dat model te luisteren. Zo rolde Bart Verhaeghe, als tiener geen onaardige snelle spits die tot in derde klasse raakte, terug in het voetbal. Ze stonden in de rij om naar een wonderoplossing - die man kan een stadion bouwen dat de club geen geld kost - te luisteren: Lokeren, Genk, Zulte Waregem (zo leerde Verhaeghe Mannaert kennen), Anderlecht, KV Kortrijk, KV Mechelen, Club Brugge, ... Later zei hij, terugblikkend in interviews, dat meestal meteen de vraag volgde: kan jij dat voor ons bouwen? Zijn antwoord was steevast: neen. Van Uplace was toen nog geen sprake. Twee ploegen konden echter wel op zijn belangstelling rekenen: KV Mechelen en Club Brugge. KV Mechelen omdat zijn zoon er voetbalde en hij in de buurt woonde. Toenmalig voorzitter Johan Timmermans proefde in hun gesprekken veel ambitie. Verhaeghe wilde niet alleen het stadion bouwen, maar de club totaal overnemen. Timmermans legde een en ander voor aan zijn bestuur, maar stuitte op een njet. De wonden die eerdere zakenlui er veroorzaakten, waren te diep. Van die plannen lekte niks uit in de media, tot Verhaeghe in beeld kwam bij Club Brugge. Toen maakte KV Mechelen het nieuws van de overnamepoging bekend. Verhaeghe schrok, in de zakenwereld was die praktijk hem onbekend. Waarom Club Brugge? Om diverse redenen. Omdat hij als West-Vlaming (al week hij heel jong uit naar Brabant) supporter was? Zeker. Maar Verhaeghe is in de eerste plaats een zakenman, die zich in interviews 'professioneel belegger' noemt. En Club was in een voetballandschap dat zich in die periode omvormde van vzw naar nv een zeer interessante belegging: goeie achterban, gezonde club (op de rekening van de vzw stond zo'n 14,4 miljoen euro als oorlogskas), een sportieve geschiedenis van succes, fans over heel Vlaanderen, een nationaal merk. Er waren maar twee handicaps: al een tijdje sportief op de sukkel én nood aan een nieuw stadion. Club en stad hadden evenwel geen geld om het te bouwen.Club Brugge was, toen het Verhaeghe contacteerde, al vergevorderd met een theoretisch project: Loppem. Het zou een stadion met 40.000 plaatsen worden, zelfs het milieueffectenrapport was al klaar. Toen het project werd voorgesteld op het Brugse stadhuis op 12 januari 2007, was Verhaeghe dan ook (de voor het publiek onbekende) derde spreker, na burgemeester Patrick Moenaert en voorzitter Michel D'Hooghe. Hij mocht de financiering uitleggen. Die dag valt de naam Uplace. Verhaeghe wil met dat nieuwe bedrijf niet alleen in Zaventem een retail- en leisurepark bouwen, maar ook aan de rand van de E40 in Loppem, op een terrein van 30 hectare. Dat nog op dezelfde persconferentie de burgemeester al praktische bezwaren maakt, belooft niet veel goeds. Michel D'Hooghe vraagt Verhaeghe toch om een en ander verder uit te werken en wanneer hij dat werk presenteert, waarschuwt Verhaeghe: 'Als je zo'n stadion bouwt, moet je ook de werking van de club professionaliseren. Want de banken zullen je het geld niet lenen en de overheid evenmin.' Loppem sterft, na veel protest, een luide dood. Op 7 april 2009 kiest de raad van bestuur van Club Brugge Pol Jonckheere als opvolger voor Michel D'Hooghe. Een jaar later zijn ook voor hem de beperkingen duidelijk. Het moet anders. Op aanraden van D'Hooghe consulteert hij Verhaeghe. Die staat dan op het punt om met de hele familie naar Zwitserland te verhuizen - hij roemt er de internationale context waarin hij zijn kinderen wil zien school lopen en opgroeien - maar maakt tijd voor een analyse van Club. Vier weken lang ploegt hij zich door jaarrekeningen, ontvangt hij werknemers van de club bij hem thuis, bekijkt hij scoutings-, trainings- en andere verslagen. De conclusie is keihard: de ploeg heeft nood aan een professionele organisatiestructuur. Club wordt op dat moment gerund door een raad van bestuur, verkozen door en bevolkt met leden van de vzw, die, net als Jonckheere, vaak hun dagtaak koppelen aan een beheersfunctie. In moderne tijden is dat not done, vindt de consultant, die met de hele familie verhuist naar Zwitserland, maar toch de functie als gedelegeerd bestuurder aanvaardt. En, geen twee weken later, ook die van voorzitter, na het ontslag van Jonckheere. Een zaak van managementstijlen die haaks op elkaar staan. Als daar intern binnen de vzw verzet tegen groeit, buldert Jean-Luc Dehaene dat op een vergadering uit de weg. Het is eenieder duidelijk: Verhaeghe is voorzitter met de steun van D'Hooghe en Dehaene, Clubs 'bekendste' supporters. Op 1 maart komt Vincent Mannaert aan boord, voor het operationele. Die staat meteen voor een hoge berg werk. Er is niet alleen de zoektocht naar sportieve stabiliteit, Verhaeghe is ook nogal voortvarend te werk gegaan in zijn drang naar vernieuwing. De omzet moet omhoog, het stadiondossier vooruit. Maar vooral: er is ook de ombouw naar een andere juridische structuur. Om verder te groeien is het vzw-statuut niet houdbaar. De voorzitter wil investeren, maar hij wil dan ook eigenaar worden. Ongeveer een jaar duurt die ombouw. In een eerste fase wordt de raad van bestuur drastisch verjongd en verkleind, tot vijf man. Op 30 oktober 2012 zet de vzw het licht op groen: de voorzitter is nu eigenaar. Ook dat is goed voorbereid. De vzw heeft maandenlang in werkgroepen gepraat over de omvorming en slechts weinigen hebben zich verzet. Eén oppositiestem klinkt luid: die van Ignace Van Doorselaere van de lingeriegroep Van De Velde. In het begin voorstander van Verhaeghe vindt hij nu dat de overnemer te weinig betaalt. Hij vreest dat Club niet meer van de fans is en trekt ultiem aan de alarmbel, maar hij predikt in de woestijn: de vzw accepteert de verkoop. Voor 15 miljoen euro plus de belofte dat Verhaeghe nog eens 45 miljoen euro gaat investeren in een volgende fase, bij de bouw van het stadion én een nieuw oefencomplex, is Club Brugge voor 85 procent in handen van het trio Verhaeghe, Mannaert en Jan Boone (Lotus). Er zijn wel een aantal voorwaarden: de 14,4 miljoen euro die de vzw aan de nv schenkt als werkingskapitaal, blijft in haar handen. Na tien jaar kan ze dat bedrag terugeisen. En de aandeelhouders gaan onderling ook akkoord met een lock-up. Tien jaar lang komt er geen dividend van hun investering en kunnen ze hun aandelen ook niet verkopen. Eens de structuur op poten kan het management verder aan de slag, volgens een door de voorzitter uitgetekend (maar niet altijd gevolgd) model. Uitgevoerd door een CEO, die strak en ambitieus regeert. De eerste jaren is het vooral incasseren: de sportieve aandacht wordt opgeëist door Genk, Anderlecht, Gent zelfs. Club wordt geen kampioen, ondanks de investeringen. Financieel is er een duidelijke inhaalbeweging, de omzetcijfers stijgen elk jaar (zie kader), maar sportief is het jojo (zie kader). Her en der wordt gelachen met 'Bart de Bouwer', zeker omdat naast Uplace in Zaventem ook de diverse stadionprojecten niet van de grond komen. Loppem wordt Chartreuse. Chartreuse wordt Blankenbergse Steenweg. Maar Verhaeghe, die inmiddels ook zijn stem verheft bij de KBVB, versaagt niet. In 2013 zegt hij: 'Ik heb geduld, uiteindelijk zal de tijd me gelijk geven.' i-Pads, linietrainers, koken voor de spelersvrouwen, personal performance center met data-analyse, scouts die meer achter een scherm zitten dan langs velden lopen: het oldschool voetbal lacht het allemaal weg, ook omdat de kleedkamer een duiventil is. Verhaeghe trekt zich twee trainersdossiers persoonlijk aan: de contractverlenging van Adrie Koster en de komst van Georges Leekens, maar ze keren als een boemerang in zijn gezicht terug. Twee keer moet hij snel afscheid nemen. De sportief succesrijkste spelers zijn nog die van het ancien regime: Thomas Meunier, Ivan Perisic, Maxime Lestienne, Nabil Dirar. Ook op de waarde van de eigen jeugd is het zicht nog wat vertroebeld. Kortom: er wordt in die periode, als je er nu op terugkijkt, veel geld verspild. Of tenminste: nog niet al té goed besteed, want de ploeg zal uiteindelijk nooit uit de top drie vallen na 2011. Club is in die jaren vooral in investeringsmodus (zie ook jaarrekeningen, die nog in het rood afsluiten). Vanaf de zomer van 2013 keert het tij. Timmy Simons, prof in hart en nieren, moet de kleedkamer helpen bedaren. Soms is zo'n terugkeer ingegeven door nostalgie en slaat dat tegen, maar bij Club Brugge werkt het. Een moeilijke kleedkamer zonder veel neuzen in dezelfde richting kalmeert. De volgende stap is nog beter: na Koster komt Michel Preud'homme meteen op de radar, maar het zal duren tot september 2013 voor die kan worden binnengehaald. Preud'homme brengt stabiliteit, een winnaarsmentaliteit en rust. Klinkt gek, maar de vulkaan op de bank is intern een hardwerkende rustige coach. Hij nuanceert dat eeuwige gepraat over de titel en de druk die het management daarmee op de spelers legt. Stap voor stap bezweert de coach, met de hulp van een psycholoog, de demonen. Minder verloop is het gevolg. Betere resultaten ook, dankzij betere dataverwerking van de scouting. Het eerste seizoen is nog vallen en opstaan, het tweede mondt uit in een sterke Europese campagne en bekerwinst. In zijn derde jaar pakt Club de titel. In de kantoren is men dan tegelijk bijna rond met de plannen voor een nieuw oefencomplex. Stilaan kan Verhaeghe zijn beloftes uit 2011 en 2012 afvinken: Club pakt weer prijzen, is steeds gezonder en financieel krachtiger, én verhuist zijn sportieve werking naar een state-of-the-artoefencomplex. Sinds 2016 is blauw-zwart een voorbeeld. Een goeie sportieve werking, die niet staat of valt met één trainer: na Preud'homme wordt ook Ivan Leko kampioen, en vorig seizoen Philippe Clement. Een titel verlengen kon nog niemand, dat is de uitdaging dit seizoen. De scouting is - op dossiers van doelman en spits na - behoorlijk performant. Vier jaar op rij wint Club de Gouden Schoen. Stabiliteit is er niet alleen in de resultaten, ook in de kleedkamer: Hans Vanaken, Ruud Vormer, Simon Mignolet, Brandon Mechele: er staat een as die graag in Brugge is en er ook voor lange tijd zijn lot aan verbindt. Het oefencomplex mag gezien worden, en er is zelfs een eerste eigen parel uit de jeugd: Charles De Ketelaere. Extrasportief heeft Club de sprong naar de 21e eeuw ook gemaakt: het eigen media house verzorgt zijn fanbase (en de ploeg vermarkt die data, ook dat is inkomen). Rest die laatste stilaan eeuwige belofte: het stadion. Uiteindelijk wordt het ook met de Blankenbergse Steenweg niks en is een nieuw Jan Breydel de vierde (en laatste?) oplossing. De ingebruiknamedata schuiven altijd maar op: nu wordt gemikt op 2023 of 2024. Dan is de cirkel rond, en zijn de beloftes gemaakt. De omzetcijfers zijn - tot corona er straks een hap uit neemt - gestaag gestegen. Zestig tot 65 miljoen komt nu uit de jaarlijkse werking, de rest is deelname aan Champions en Europa League (Club Brugge is de enige Belgische ploeg die zich de voorbije tien jaar elk jaar plaatste, zie kader) of komt uit transfers. In een goed jaar til je dan cijfers op tot aan de grens (of soms zelfs fors erboven) van de 100 miljoen. Import-export, ook dat is Club, voorlopig nog niet met eigen jeugd. Import-export en tegelijk succes, het is, zonder nieuw stadion en met de onzekerheid rond de toekomst van de Champions League toch een dunne koord om op te balanceren. Over twee seizoenen is Club Brugge Anderlecht voorbij op de Europese clubranking van de voorbije tien jaar. Want uiteindelijk, zij het allemaal veel later dan hij zelf dacht in 2013, klopt het wel, wat Verhaeghe toen zei in een interview: 'Ik heb geduld. Uiteindelijk zal de tijd me gelijk geven.'