Februari 1914. Armand Swartenbroeks ziet sterretjes. Op het veld van Léopold CB spelen de Rode Duivels tegen Engeland. De Engelsen treden aan met bijna uitsluitend spelers die al hun brood verdienen met het voetbal. Zij zijn op dat moment de besten van de wereld. Toch houdt de Duivelse defensie aanvankelijk stand. Maar dan vallen de Belgen met een man minder en incasseren ze alsnog een zware nederlaag: 1-8. Swartenbroeks en co zijn nog geen absolute wereldtoppers. Toch prijken er al klinkende zeges op hun cv, zoals de 6-2 tegen Duitsland van eind 1913. De Duivels horen bij de internationale subtop.
...

Februari 1914. Armand Swartenbroeks ziet sterretjes. Op het veld van Léopold CB spelen de Rode Duivels tegen Engeland. De Engelsen treden aan met bijna uitsluitend spelers die al hun brood verdienen met het voetbal. Zij zijn op dat moment de besten van de wereld. Toch houdt de Duivelse defensie aanvankelijk stand. Maar dan vallen de Belgen met een man minder en incasseren ze alsnog een zware nederlaag: 1-8. Swartenbroeks en co zijn nog geen absolute wereldtoppers. Toch prijken er al klinkende zeges op hun cv, zoals de 6-2 tegen Duitsland van eind 1913. De Duivels horen bij de internationale subtop.Het zwaartepunt van het Belgische voetbal ligt op dat moment in Brussel. De meeste Duivels komen uit clubs die in de hoofdstad spelen. Zo ook Swartenbroeks. In het boek Armand, dat Marc Hendrickx dit jaar over hem uitbrengt, staat dat de ouders van Swartenbroeks een kruidenierszaak uitbaatten, eerst in Laken, nadien in Koekelberg. Gehuld in een rood-zwart plunje schittert Swartenbroeks als jonge twintiger in de achterhoede van Daring Club. Met Union, Racing Club en Léopold Club telt Brussel nóg drie vertegenwoordigers in de hoogste klasse. Haast elk jaar kroont een van hen zich tot kampioen. Medio 1914 is het nog eens de beurt aan Daring. Swartenbroeks viert ingetogen. Hij is bescheiden. En intelligent. Aan de ULB studeert hij geneeskunde. Wanneer in de zomer van 1914 de Eerste Wereldoorlog uitbreekt, zet de secure verdediger zowel zijn studieboeken als zijn voetbalcarrière aan de kant. Zoals veel voetballers trekt Swartenbroeks naar Flanders Fields. Hij verzeilt in Calais, waar hij gewonde soldaten verzorgt in rudimentaire omstandigheden. Voor veel strijders, vaak even jong als hij, kan hulp niet meer baten. Het voetbal verzeilt in die ellendige context helemaal naar de achtergrond. Maar lang duurt dat niet. Zowel in bezet België als achter de frontlinie wordt het voor zowel burgers als voor soldaten algauw een hulpmiddel om de miserie even te vergeten.Vanaf 1915 komen er internationale matchen tussen militaire ploegen. Zo is er op 18 april een wedstrijd tussen een Belgisch legerelftal en een Franse selectie. Aan Belgische zijde treden verscheidene soldaten aan die vóór de oorlog het mooie weer maakten bij Union, zoals Emile Hanse. Swartenbroeks is nog niet van de partij, hij heeft dienst. Op 6 februari 1916 volgt opnieuw een match tegen de Fransen. Wéér winnen de Belgen. Het is het startpunt van een team dat een poëtische naam krijgt: de Front Wanderers, zij die langs het front zwerven. Enkele van 's lands beste voetballers vinden hun weg naar het team, zoals Oscar Verbeeck (Union) en Swartenbroeks. De Front Wanderers gaan met hun wedstrijden geld inzamelen ten voordele van Belgische oorlogsvluchtelingen. Maar wanneer ook Louis Van Hege bij de ploeg komt, krijgen de matchen echte interlandallures. Vóór de oorlog scoorde Luigi bij Milan FC 98 keer in 91 matchen. In 1917 en 1918 toeren de Wanderers door Italië en Groot-Brittannië. Overal krijgen ze een hartelijke ontvangst en lokken hun matchen duizenden nieuwsgierigen. In totaal spelen ze tijdens de oorlog een paar tientallen matchen, met daarbij nederlagen op Milan FC (6-4) en Chelsea (4-1), maar ook zeges in Everton (1-2) en Aston Villa (1-4). Tijdens een van de tournees door Groot-Brittannië begeleidt adjudant-vlieger Victor Boin de Wanderers. Hij gaat er op zoek naar een mascotte voor de ploeg, zo staat in het boek Armand. Boin komt terug met een veelkleurige pop met kroezelhaar. Omdat verscheidene spelers sukkelen met een druipneus, krijgt de pop als naam Snotteke. Een volgende tournee van de Front Wanderers door Groot-Brittannië vervalt wanneer op het Europese vasteland de geweren eind 1918 eindelijk zwijgen. De Rode Duivels pikken de draad van hun interlandparcours weer op, maar de traditie van de militaire matchen gaat door. Medio 1919 komen er in Frankrijk een soort van Olympische Spelen voor militairen, de Intergeallieerde Spelen. Daar treft België in zijn eerste match Tsjechoslovakije, een pas ontstaan land. Prompt bewijzen de Tsjechoslovaken een aardig potje te kunnen sjotten. Vóór de oorlog zijn een paar Schotse voetballers in Praag neergestreken. Zij hebben het vuur aan de lont gestoken bij de clubs Slavia en Sparta. De Belgische militairen krijgen een 4-1-rammeling. De Tsjechoslovaken winnen later het toernooi. Intussen zijn enkele Antwerpse rijken erin geslaagd de organisatie binnen te rijven van de Olympische Spelen van 1920. Epicentrum van de gebeurtenissen wordt de infrastructuur van het dan nog elitaire Beerschot. In de aanloop naar de Spelen wacht de Duivels nog eens een confrontatie met Engeland. Swartenbroeks is de enige op het veld die zes jaar eerder de 1-8 meemaakte. Maar nu triomfeert hij: 3-1. Deze keer bestaat de tegenstander uit amateurs, maar toch is het een hoopgevend resultaat. Profs mogen niet deelnemen aan de Spelen en de Britten pakten met een amateurteam - dus niet eens de beste voetballers van het land - goud op de Spelen van 1908 en 1912. Ze zijn dus de olympische titelverdediger, want de editie van 1916 is door de oorlog geannuleerd. In de maand voor de Spelen zorgt de voetbalbond ervoor dat trainer William Maxwell, een Schot, zijn Duivels drie keer per week ter beschikking krijgt. Na elke training spoort Swartenbroeks huiswaarts, net als de andere Duivels. Om hun verplaatsingen te financieren krijgen de spelers een onkostenvergoeding, die vaak niet volstaat: een schamele 10 frank per dag (25 eurocent). Maar daar maalt Swartenbroeks niet om. Hij is een fervent aanhanger van het amateurisme. Spelen voor de Duivels betekent voor hem: spelen voor volk en vaderland. Vandaar ook zijn fair play, met loepzuivere tackles. Wanneer op 28 augustus 1920 het voetbaltoernooi begint, zijn Swartenbroeks en co helemaal klaar. Maar ze hoeven hun borst niet meteen nat te maken, omdat Polen, de eerste tegenstander van de Duivels, afhaakt. Zo krijgt België een vrijgeleide naar de kwartfinales. Intussen laten de Britten zich in de eerste ronde verrassen door de Noren en mag de titelverdediger meteen inpakken, want er is van bij de start een knock-outsysteem. Nóg een slachtoffer van de eerste ronde: Egypte. Omdat dat het enige niet-Europese land is onder de veertien deelnemers, is het wereldse karakter van het evenement beperkt. De nog frisse Belgen treffen op 29 augustus 1920 Spanje, dat een dag eerder heeft moeten spelen tegen Denemarken. Bij de Spanjaarden verschijnt de latere legende Ricardo Zamora onder de lat. Maar de Barcelonadoelman en zijn ploegmaats doen langs de Schelde pas hun eerste interlandervaring op, terwijl de Duivels al meer dan vijftien jaar internationale wedstrijden afwerken. Bovendien speelt de Belgische ploeg op eigen bodem. Maar tegen Spanje kantelt dat thuisvoordeel in een nadeel. Wanneer de Duivels het veld betreden, blijkt de ploeg traditiegetrouw erg Brussels getint. Een deel van de 18.000 toeschouwers - vermoedelijk veel Antwerpenaren - ontsteekt in woede. Zij hebben al even in de gaten hoe de Antwerpse clubs het zwaartepunt van het Belgische voetbal aan het verleggen zijn, maar daarvan is in de basiself niks te merken. Vooral de Belgische linkervleugel, met oudere spelers als Fernand Nisot van Léopold CB en Georges Hebdin van Union, krijgt de volle laag van het publiek. Maxwell ontsnapt aan de hoon, want in die tijd mag een trainer nog niet zelf zijn ploeg opstellen. Dat doet een selectiecomité van de bond. Ten tijde van de Spelen is het hoge woord daarin voor graaf Joseph d'Oultremont, een ex-speler van Léopold Club. Het fluitconcert is dus ook aan hem gericht. Al die trammelant brengt Robert Coppée niet van zijn melk. De voorspeler van Union verslaat Zamora drie keer. De Spanjaarden kunnen enkel de eer redden. België mag naar de halve finales. Het laatste obstakel op weg naar de finale is Nederland. Tot 1914 speelden de Duivels jaarlijks twee keer vriendschappelijk tegen Oranje, maar sinds de oorlog zit er ruis op de relatie tussen beide landen. Nederland stelde zich tijdens de oorlog neutraal op, terwijl België vier jaar lang ontbering onderging. Bovendien heeft België na de oorlog geopperd om Zeeuws-Vlaanderen en Nederlands Limburg te annexeren, een voorstel dat aan de overzijde slecht is gevallen. En er zijn nog meer fricties, maar dan binnen de delegatie van Oranje. Aan boord van het marineschip Hollandia slapen de Nederlandse sporters in miserabele omstandigheden, terwijl de Nederlandse officials genieten van een keurig onderkomen aan wal. In die context ontstaat het verhaal waarin de Nederlandse spelersgroep een grammofoonplaat van een official insmeert met confituur en in de Schelde zwiept. Aan Belgische zijde is de boosheid over de basiself van de baan. D'Oultremont laat voor deze tweede match Nisot en Hebdin aan de kant. Antwerpspeler Désiré Bastin, een hazewind van 20, mag het veld op. En met Beerschotspeler Henri - Rik - Larnoe posteert de graaf nog een tweede Antwerpse jongeling in de voorste linie. Voor de ogen van zijn vertrouwde publiek, dat het team nu uitzinnig aanvuurt, jaagt Larnoe al snel de 1-0 tegen de netten. Van Hege verdubbelt de score, terwijl Hanse, nog een Front Wanderer, zich opwerkt tot man van de match. Nederland gaat de boot in met 3-0. Twee dagen na de halve finale zet het Kiel zich schrap voor de match om het goud. Al weken kampen de Spelen met een gênant gebrek aan belangstelling, maar het voetbal lokt wél veel volk. Op 2 september 1920 loopt het Kiel vol als nooit tevoren. Hoeveel mensen er precies opdagen - 35.000 of 50.000 - valt niet te achterhalen. In ieder geval veel meer dan er tickets zijn. Een bende jongelingen graaft een put onder een omheining. Langs daar stromen duizenden mannen naar binnen. Soldaten moeten de mensenzee van het speelveld houden. 'Men omzoomt de pelouse met een boord van khakimannetjes', staat daags nadien in de Gazet van Antwerpen. Scheidsrechter John Langenus schrijft in zijn boek Voetbal, van hier en overal: 'Rondom het speelveld, aan die thans verdwenen colonnades en aan de boomen, hingen de kijklustigen als trossen.' Tegenstander in de finale is Tsjechoslovakije. Dat land komt voort uit Oostenrijk-Hongarije, dat tijdens de oorlog meevocht aan de zijde van Duitsland. Om die reden zijn Oostenrijk en Hongarije, net als Duitsland, niet uitgenodigd in Antwerpen. Maar veel Tsjechoslovaakse soldaten streden mee met het Franse leger en dus mag Tsjechoslovakije, net als op de Intergeallieerde Spelen een jaar eerder, wel aantreden. Toch melden sommige bronnen dat enkele toeschouwers de oorlogscontext aangrijpen om de Tsjechoslovaken verwijten naar het hoofd te slingeren. En dat is niet het enige tumult. De Tsjechoslovaken zijn ontstemd omdat de Brit John Lewis de finale gaat fluiten. Hij is al 65 jaar. Bovendien werd Lewis in Praag ooit belaagd door Tsjechische fans. De Oost-Europeanen vrezen dat hij wraak zal willen nemen. Ten slotte sakkeren de Tsjechoslovaken ook omdat er afgeweken wordt van de regels die op dat moment nog zeggen dat elk team zelf een lijnrechter mag aanduiden. Bij deze finale krijgt Lewis twee Britse lijnrechters. In de beginfase van de wedstrijd maakt Tsjechoslovakije zijn favorietenrol waar. Langenus: 'Dank zij hunne preciese voorzetten waren zij werkelijk in de meerderheid.' Gaandeweg prikken ook de Belgen, onder anderen via Bastin. Het Belgische gevaar kan volgens Langenus op een gegeven moment enkel nog door een hands worden afgewend. Lewis kent België een strafschop toe. Coppée - weer hij - schiet die binnen. Rond het halfuur komt de bal nog eens bij Larnoe. Achteraf zegt die over dat moment: 'Ik loste daar een patat waaraan dien Tsjech niet bij kon. Los onder de lat!' 2-0 dus, en nog wel dankzij een goal van een speler van het Kiel. Langenus: 'Geen pen kon de dan losbrekende geestdrift beschrijven.' De potige Tsjechoslovaken bewegen hemel en aarde, maar Swartenbroeks en Verbeeck plooien niet. Langenus: 'En toen gebeurde het beslissende incident. Twee minuten voor de rust was Coppée doorgebroken en back Steiner stopte hem met een vrijwilligen trap op 't bovenlichaam. Steiner werd door den scheidsrechter uitgesloten. Al de andere Tsjechische spelers volgden hun makker naar de kleedkamers. Daarmede was de wedstrijd geëindigd. (...) Het volk overstroomde letterlijk het veld, jubelde als nooit tevoren.' Met dat feestgedruis nog op de achtergrond pennen Tsjechoslovaken een klacht neer, maar een internationale jury verwerpt al hun argumenten. Bij gebrek aan videobeelden valt honderd jaar na de feiten weinig te zeggen over de zuiverheid waarmee de Duivels hun enige toernooiwinst tot nog toe behaalden. Hoe dan ook huldigt het Franse magazine Le Miroir des Sports de Duivels na het toernooi met de kop: ' Les Belges Champions Du Monde De Football'. Anno 1920 bestaat er geen mondialer voetbaltoernooi dan dat op de Spelen, want WK's zijn er nog niet. Dus geldt België als de officieuze wereldkampioen. Verscheidene waarnemers linken het toenmalige succes ook nu, een eeuw later, nog altijd gretig aan de Front Wanderers. Maar Filip Janssens van het magazine Catenaccio stipt aan dat de ervaringen van die Wanderers zeker niet de enige succesfactor waren. Slechts vijf van hen kwamen in actie tijdens de Spelen. Vier Wanderers speelden elke wedstrijd. Het was een belangrijke factor, aldus Janssens, maar dat de Duivels ook vier Unionspelers in hun rangen telden, die voor de oorlog al samen voetbalden, droeg waarschijnlijk evenzeer bij aan de triomf, net als de opmars van het Antwerpse voetbal. Na hun olympische titel hebben Swartenbroeks en zijn collega-Duivels het moeilijk om de sportieve lijn door te trekken. Toch laten de dokter en zijn ploegmaats eind 1923, bij de inhuldiging van het Antwerpstadion in Deurne, wéér een historische uitslag optekenen. Die dag komen de Engelse profs op bezoek. Tegen de crème de la crème op noppen slepen de Duivels een 2-2-draw uit de brand. Larnoe, de held van de olympische finale, laat zich achteraf ontvallen dat die draw hem nog meer waard is dan de olympische titel. In 1924, bij de volgende Spelen, sneuvelt België al in de eerste ronde. Een dartel Zweden veegt de vloer aan met de Duivels, bij wie mannen als Swartenbroeks en Verbeeck intussen niet meer van de jongsten zijn. Uruguay neemt de fakkel van olympisch kampioen over.