Kan iemand die de zestig voorbij is nog een fashion victim worden? Arsène Wenger vindt van wel. Nadat hij al zijn successen in Londen bouwde op een onverzettelijke back four, volgde de Elzasser in het seizoen 2016/17 de nieuwe wind die door de Premier League waaide. Op 17 april 2017 pakte Arsenal het op verplaatsing bij Middlesbrough aan met drie centrale verdedigers. Moesten die dag de bressen dichten: Laurent Koscielny, Gabriel en de jonge Rob Holding. Meteen werden de Gunners de zeventiende (!) ploeg bij de Engelse elite die experimenteerde met die tactische aanpak sinds de start van het seizoen.
...

Kan iemand die de zestig voorbij is nog een fashion victim worden? Arsène Wenger vindt van wel. Nadat hij al zijn successen in Londen bouwde op een onverzettelijke back four, volgde de Elzasser in het seizoen 2016/17 de nieuwe wind die door de Premier League waaide. Op 17 april 2017 pakte Arsenal het op verplaatsing bij Middlesbrough aan met drie centrale verdedigers. Moesten die dag de bressen dichten: Laurent Koscielny, Gabriel en de jonge Rob Holding. Meteen werden de Gunners de zeventiende (!) ploeg bij de Engelse elite die experimenteerde met die tactische aanpak sinds de start van het seizoen. Negentig minuten en drie punten later werd het schema goed bevonden voor dienst en de vaste aanpak van Wenger die dat seizoen bij Arsenal eindigde met een bekerzege. Tegenstander die dag was uitgerekend het Chelsea van Antonio Conte, de bezieler van die Engelse trend. Hij had zijn ploeg dat seizoen laten voetballen in een 3-4-2-1 en overvleugelde er het kampioenschap mee. Wenger legde zijn bekering later uit met deze eenvoudige woorden: 'Mijn spelers hadden nood aan geloof in iets nieuws.' Geloof in iets nieuws ligt ook aan de basis van de Belgische 'revolutie' die Roberto Martínez afkondigde na de nederlaag tegen Spanje in wat zijn debuut als bondscoach van de Rode Duivels was. De Catalaan dook met de vaststellingen die hij die avond maakte in zijn verleden en keerde terug naar het jaar 2012, toen de 3-4-3 die hij zijn Wigan liet spelen iedereen verraste, zorgde voor een golf aan goeie resultaten en hem de titel van manager van de maand april opleverde. Martínez klonk in die dagen vastberaden en deed een profetische uitspraak: 'Geloof me, binnen enkele jaren gaan veel ploegen op deze manier voetballen.' Het was een idee - ere wie ere toekomt - dat hij haalde bij Johan Cruijff, de inspiratiebron van de Catalaan. De Nederlander liet Barcelona in het begin van de jaren negentig op die manier voetballen. Met drie achterin. Vaste bezoekers van Camp Nou maakten er toen ook al veel misbaar over. Misbaar dat het legendarische nummer 14 laconiek van tafel veegde: 'Bekritiseerd worden omdat ik met drie achterin speel, dat is het meest idiote dat ik al hoorde.' Roberto Martínez is veel te beleefd om de kritiek op dezelfde manier de mond te snoeren, maar het scepticisme rond de opstelling van de Belgen is er daarom niet minder om. Ook niet na zaterdag, toen Tunesië geregeld voor gevaar zorgde. Alles is al gedaan en uitgevonden in het voetbal, herhaalde Martínez in Rusland al een paar keer. De tactische geschiedenis van het spelletje is een permanente dialoog met het verleden, dat een onuitputtelijke bron is voor oplossingen in de toekomst. In 1986 werd Argentinië wereldkampioen met een schema waarin drie verdedigers (of vijf, afhankelijk van hoe je het analyseert) met twee echte 'stoppers' de twee aanvallers van de tegenstanders met een mandekking opzadelden. Dat werd een populaire aanpak, die duurde tot het zonevoetbal van Arrigo Sacchi ze vermorzelde. Incontournable in de jaren die volgden op het succes van zijn Milan werd de 4-4-2. Zelfs toen een decennium later de 4-3-3 van Pep Guardiola begon te regeren, kon die de aanpak van Sacchi niet uit de geesten verdrijven. Meer en meer ploegen gingen in balbezit 4-2-3-1 spelen, en keerden in balverlies terug naar 4-4-2, omdat die opstelling hen de grootste zekerheid bood om de eigen helft het best te beschermen. Zij die met de bal de wereld willen veroveren, zoeken daar een oplossing tegen. In België was het Hein Vanhaezebrouck die de zijne al lang geleden vond. In tweede klasse al liet hij KV Kortrijk balanceren tussen een 3-4-3 en een 3-5-2. Daarover zei de huidige coach van Anderlecht toen: 'Mijn bedoeling was niet om met drie verdedigers te spelen, het doel was vooral om achterin iemand weg te halen en die hogerop in het veld te plaatsen.' In een interview een paar jaar geleden met de Franstalige krant La Dernière Heure, preciseerde de coach die redenering als volgt: 'Het idee was om manieren te vinden om betere posities op het veld in te nemen zodat we op die manier zeer moeilijke situaties voor de tegenstander konden creëren. Maximaal profiteren van de mogelijkheden, zonder té afhankelijk te zijn van individuele kwaliteiten.' Het was zijn manier om uit de duels te blijven die een 4-2-3-1 vaak opleverde. Zijn vaststelling was vaak dat de ploeg die het meeste duels tussen buitenspeler en flankverdediger wonnen, de wedstrijd uiteindelijk in zijn voordeel besliste. Om het verschil te maken, vertrekken de apostelen van een verdediging met drie vanuit de opbouw. Tegenover de meest vooruitgeschoven lijn in een 4-4-2 zette Pep Guardiola de door Ricardo La Volpe ontwikkelde opbouw (zie schema). La Volpe was tijdens het WK van 2006 bondscoach van Mexico, een tornooi waar Guardiola aanwezig was als analist. La Volpe haalde de twee centrale verdedigers uit elkaar en liet een derde man, zijn verdedigende middenvelder, terugzakken, op het moment dat zijn doelman in balbezit kwam. Dankzij dit trio ontstond een manmeersituatie tegenover de twee aanvallers bij de tegenstander. Op die manier kon de bal achterin worden rond getikt, tot er een middenvelder kon worden bereikt. De twee vleugelbacks konden naar voren en de 4-2-3-1 op papier werd in de realiteit een 3-3-3-1. Een paar jaar later gingen coaches die de verdediging met drie verder wilden lanceren, nog een stapje verder. Er kwam een vaste derde man, meestal eentje die technisch veel kwaliteiten had, zodat aan de beginopstelling niet te veel moest worden veranderd. Gian Piero Gasperini was een van de eerste coaches die de 3-4-3 systematiseerde in een van de grote competities. Hij deed het in het midden van de jaren 2000 al bij Genoa en nu bij Atalanta. Zijn evolutie naar die manier van voetballen legde hij ooit als volgt uit aan kandidaat-trainers op de prestigieuze Italiaanse voetbalschool van Coverciano, zetel van de Italiaanse voetbalbond: 'In het midden van de jaren negentig trainde ik de jeugd van Juventus. Op dat moment speelde 90 procent van Italië in een 4-4-2. Iedereen imiteerde Sacchi. In Europa zag ik echter andere dingen. Met name het Ajax van Louis van Gaal, dat het fantastisch deed. Zij speelden een 3-4-3, en hun spelers leken te dansen. Toen ik dat zag, ben ik het ook beginnen te doen. En de aanvallers van de tegenstanders zagen plots geen bal meer.' 'Het belangrijkste voordeel van dit systeem is dat je in balverlies altijd drie man achterin houdt', analyseert Christian Gourcuff, een paar jaar geleden de trainer achter het succes van Lorient. Een en ander bevestigt Roberto Martínez, die dat aanhaalt als een van de redenen waarom hij het bij Wigan invoerde. 'In een 4-3-3 reken je heel veel op de buitenspelers om hoog op het veld te staan. Dat betekent dat je naar compromissen op zoek moet. Als je in die opstelling offensief wil spelen, moeten de buitenspelers diep doorduwen, wat inhoudt dat je achterin maar twee verdedigers over houdt. Nu staan we er altijd met drie.' Hun gelijk wordt bevestigd door wat Duitsland tegen Mexico overkwam. Uit evenwicht gebracht door de simultane offensieve impulsen van Joshua Kimmich en Marvin Plattenhardt, werd de verdediging met vier van een ultraoffensief Duitsland afgestraft door de snelle Mexicanen. Dedryck Boyata haalde het in zijn interview aan: de rol van wing back is in dit systeem de moeilijkste. Fysiek zeker de zwaarste. Er is al veel inkt gevloeid over de fysieke inspanningen die jongens als Yannick Carrasco (links) en Thomas Meunier (rechts) moeten leveren in het systeem van de Duivels. Maar zijn de afstanden die ze zouden moeten afleggen niet nog groter als de Belgen met vier achterin zouden spelen? Het was Carlo Ancelotti zelf die wees op deze belangrijke beperking van een kerstboomopstelling (4-3-2-1, zie kader) die hem in staat stelde om met zijn Milan in het begin van de 21e eeuw te domineren. De Italiaan had in die periode geen echte buitenspelers. Hij loste dat op door twee spelmakers wat naar binnen te trekken, tussen de lijnen, om daar bij de tegenstand voor verwarring te zorgen. Ze voetbalden te ver van doel om met een mandekker te kunnen worden opgevangen. De twee ( Clarence Seedorf en Kaká in de beste jaren van dat systeem) konden op die manier voor een overtal zorgen in de as van het veld, zonder dat ze echt werden gehinderd door de flankverdedigers van de andere ploeg. Als de ploeg moest worden uitgerokken, waren er de diepe sprints van Cafu en Marek Jankulovski. Dat kostte wel veel krachten en bleek wat kwetsbaarheid in te houden. Soms werden die twee verrast, als hun oprukken te gedurfd was of de tegenstander de perfecte counter uitvoerde. Ook daar moet evenwel een verdediging met drie een oplossing bieden, als een bal in de ruimte achter de wing backs wordt gespeeld. Op die manier is een 3-4-2-1 eigenlijk maar een lichte aanpassing van de kerstboomtactiek uit de tijden van Milan. Zo krijgt Eden Hazard de kans om tussen de lijnen te voetballen en te ontsnappen aan duels langs de lijn. En kan hij meer dan ooit uitblinken in de ruimte die hij vindt tussen verdediging en middenveld van de tegenstander. 'Drie verdedigers stellen je in staat om andere mensen hoger op het veld te krijgen', legde Martínez uit in zijn tijd bij Wigan. De wing backs zijn geen buitenspelers die lager moeten staan, om van daaruit aan te vallen en voor de man meer te zorgen. Ze staan op posities waarop ze de twee rollen een beetje beter kunnen doen.' Thomas Meunier, zaterdag met een assist aan Romelu Lukaku op de rand van de zestien, bevestigde dat. 'Persoonlijk hou ik van een systeem met drie achterin, omdat ik graag een beetje alles doe, ook in de zestien meter. Ik probeer in balbezit altijd iets aan het spel van de Rode Duivels toe te voegen en dat kan dankzij dit systeem.' Zoals elke medaille, heeft ook deze een keerzijde. In België was Felice Mazzu de eerste die systematisch de code van Hein Vanhaezebrouck kraakte. De Zebra's profiteerden van de tijd die de Gentenaars nodig hadden om in balverlies om te schakelen van een verdediging met drie naar een defensie met vier. Het was rechtsachter Thomas Foket die steevast terug achteruit moest. Want om echt alle ruimtes met een verdediging te coveren, gaat er niks boven vier man op een lijn, 'de meest rationele bezetting van het veld', volgens Christian Gourcuff. In het plan van de Carolo's moest dan ook, eens in balbezit, de bal zo snel mogelijk diep langs de lijn, richting Clément Tainmont. Dat was de troef in de anti-3-4-2-1 die geregeld zand strooide in de machine van Hein. We zien het ook bij de Rode Duivels. Als de tegenstanders ons een mes in de rug willen planten, gebeurt dat letterlijk met diepe ballen op de flanken. Dat maakt dat Meunier of Carrasco, die naar voor zijn gegaan om daar voor een man meer te zorgen naar achter spurten, om er de schade te beperken. Carrasco haalde het woensdag op een persmoment in de tuin van de Moscow Country Club aan: 'Het is waar, onze ploeg valt enorm aan. Daarom hebben wij vleugelspelers het soms moeilijk om terug te keren. Maar Diego Simeone zei bij Atlético altijd: alles wat op de flank doorgaat, is minder gevaarlijk. Dan moet er nog een goeie center volgen en moeten de spitsen ook nog goed koppen. Martínez denkt hetzelfde.' Zijn we daar kwetsbaar? Het lijkt zo, maar anderzijds praten de statistieken een andere taal. Sinds Martínez overschakelde naar een verdediging met drie slikten de Belgen 17 doelpunten in 21 wedstrijden. Dat is een gemiddelde van 0,8 goals per match. Dat cijfer is lager dan in de periode onder Wilmots (0,9 tegengoals per wedstrijd gemiddeld). Het klopt, de bal wordt vaak in de rug van de Belgische vleugelspelers gedropt. Maar zelden volgt daar ook een winnende voorzet op. Slechts vijf van de twaalf doelpunten uit open play die de Belgen slikten, komen uit zo'n situatie. Dat is 42 procent. Kijken we dan naar de tegengoals onder Wilmots, en zijn verdediging met vier, door Martínez nog gebruikt tegen Spanje, dan blijkt dat 22 van de 35 geïncasseerde doelpunten uit open play (spelhervattingen zijn dus niet inbegrepen), ontstonden na een bal in de rug van een van de flankverdedigers. Veertien keer gebeurde dat in de rug van Jan Vertonghen, waarbij vaak ook met het vingertje naar Eden Hazard werd gewezen, omdat die zijn verdedigende werk niet deed. Dat is een percentage van 63 procent. Conclusie: misschien ligt het probleem elders, niet bij het systeem?