Op de cover van het eerste Panini-album prijkt een foto uit de EK-kwalificatie-interland Italië-België uit april 1972 waarop doelman Christian Piot de bal pakt. Na dat EK in eigen land beginnen zestien clubs aan de competitie in eerste klasse, met voor het eerst vier clubs uit de hoofdstad. Een volwaardige profcompetitie wordt echter pas in 1974/75 opgericht, nadat in februari 1974 Standardvoorzitter Roger Petit voorzitter wordt van de liga betaald voetbal, met Germain Landsheere van SV Waregem als penningmeester. Vóór 1974 moeten eersteklassers minstens veertien voetballers met een niet-amateurcontract hebben.
...

Op de cover van het eerste Panini-album prijkt een foto uit de EK-kwalificatie-interland Italië-België uit april 1972 waarop doelman Christian Piot de bal pakt. Na dat EK in eigen land beginnen zestien clubs aan de competitie in eerste klasse, met voor het eerst vier clubs uit de hoofdstad. Een volwaardige profcompetitie wordt echter pas in 1974/75 opgericht, nadat in februari 1974 Standardvoorzitter Roger Petit voorzitter wordt van de liga betaald voetbal, met Germain Landsheere van SV Waregem als penningmeester. Vóór 1974 moeten eersteklassers minstens veertien voetballers met een niet-amateurcontract hebben. In dat eerste album van 1972/73 staan bij elke eersteklasseclub het embleem, de ploegfoto en dertien spelers. Van de trainers geen spoor. Zij krijgen pas in de volgende editie een plaats, op een aparte dubbele pagina. Vanaf 1973/74 is er ook plek voor de tweedeklassers met elk twaalf spelers. Wel is er bij de 360 stickers plaats voor de logo's van de toenmalige grote Europese clubs (naast Barcelona en Real Madrid onder meer Torino, Dukla Praag en Dynamo Berlijn), de Zuid-Amerikaanse clubs en 30 wereldvedetten: Eusébio, Pélé, Sandro Mazzola, FerencPuskás, Johan Cruijff en ... Barry Hulshoff. Het voorwoord is van Paul Van Himst, de nieuwe recordinternational die net Antwerpkapitein Vic Mees met zijn 68 caps is voorbijgestoken. 'Het mooiste wat het voetbal me schonk, blijft de vreugde van het spel zelf', schrijft hij. 'Ik hoop dat jullie allen, welke sport je ook beoefent, nooit zullen nalaten respect aan de dag te leggen voor de jongeren die tegenover u staan. Indien je een ploegsport beoefent, denk dan meer aan de anderen dan aan jezelf.' We bladeren door het album dat de clubs in alfabetische volgorde presenteert. Paars-wit is kampioen geworden met evenveel punten als Club Brugge. Jan Mulder is net weg. Hij wilde niet meer met George Kessler werken maar liever bij Ajax met Johan Cruijff voetballen. Rob Rensenbrink, nog maar vijf keer international voor Oranje, was een jaar eerder bij Club Brugge weggehaald in ruil voor veel geld en twee spelers, Wilfried Puis en Johnny Velkeneers. Anderlecht is één van de twee eersteklassers met twee doelmannen bij de dertien: de Nederlanders Leen Barth en Jan Ruiter, die nog werd gehaald als invaller voor Barth, maar al gauw de voorkeur kreeg. Barth week in 1975 uit naar Union, waar hij het naar zijn zin had maar in 1976 dan toch naar Club vertrok; hem was gezegd dat Birger Jensen weg zou gaan. Dat deed de Deen ook, maar pas dertien jaar later: in 1988. Nog bij paars-wit: Ludo Coeck, een jaar eerder op zijn zestiende bij Berchem weggehaald om Paul Van Himst op te volgen. Een beetje voorbarig. Coeck moest flink wennen aan de omschakeling van twee trainingen per week naar twee per dag, en werd naar de reserven verwezen. 'Daar was ik iedere keer de slechtste man op het veld.' Toch mocht hij half november zijn debuut maken met het eerste. Tegen Standard werd hij man van de match, maar een week later liep op De Klokke alles verkeerd en riep de Brugse spionkop: 'Coeck-Coeck, Coeck-Coeck!' Dé sterspeler bij den Antwerp is de Oostenrijkse spits Karl Kodat, meer nog dan de snelle Deense spits Flemming Lund en de Roemeen Dan Coe, die met zijn nationale ploeg op het WK 1970 voetbalde. Bij Beerschot is de aanvoerder van de Finse nationale ploeg Arto Tolsa dé vedette van een ploeg met negen nieuwe spelers, onder wie Walter Meeuws en de Hongaarse doelman István Kenderesi die in 1969 uit zijn land was gevlucht en via FC Twente bij Beerschot belandde. Daar stond hij wel in het Panini-album maar niet in de basiself waar André Laurijssen de voorkeur kreeg. Nieuw was ook Jos Heyligen, die tot zijn verbazing na twee jaar Beerschot opgebeld werd door voorzitter Eddy Wauters van concurrent Antwerp. 'Ik zei dat ik me goed voelde bij Beerschot, tot hij me meldde dat ik niet op de lijst van de beschermde spelers stond, en dus vrij was.' In dat eerste album prijkt amper één ploeg met een shirtsponsor: Berchem Sport met Bell. Een jaar later staat Bell op de truitjes van de drie Antwerpse eersteklassers.Het regende die dag, en dus staan op de foto's de spelers met natte haren, herinnert Julien Cools zich nog. Hij was bij Beringen een moderne linksback die door trainer Jef Vliers op de snelste tegenspeler geplakt werd. 'Flemming Lund van Antwerp was een moeilijke tegenstander, ook heel snel. Tegen Johny Thio had ik het makkelijk, die liep amper. Rensenbrink bezorgde me een kater. De trainer maakte me toen af op tv, maar de kranten namen het voor me op.' Toen hij bij Beringen kwam, werkte Cools nog als postbode, de laatste jaren kreeg hij een job bij een boekhouder. 'We trainden al 's middags om drie uur. Behalve onze drie Duitsers, van wie Manfred Rabe wel een heel goeie was, werkte iedereen in de mijn, maar wel in goeie jobs. Niemand kwam met een zwart gezicht trainen.' Club Brugge haalde na dat seizoen 1972/73 Cools als moderne linksback. 'Al gauw merkte Club dat ik met mijn loopvermogen efficiënter kon zijn op het middenveld.' Eigenlijk kon Cools al een jaar eerder naar Club. 'Ik mocht gaan testen, maar ik vond me toen nog niet goed genoeg en had heimwee naar de Kempen; we hadden toen ook ons eerste kindje. Toen Club bleef aandringen, ging ik een jaar later wel en bleek ik dat niveau wel aan te kunnen.' ( lacht) Naast Fernand Goyvaerts, een jaar eerder teruggekeerd na een succesvolle buitenlandse carrière bij Barcelona, Real, Elche en Nice, staan twee jonge Denen afgebeeld die furore zullen maken bij RWDM en Anderlecht: Benny Nielsen en Morten Olsen. Die laatste mag amper op zijn favoriete plaats van rechtsmidden staan waarna men per toeval in een Brugse derby ontdekt dat hij ook kan verdedigen. Trainer Han Grijzenhout was het jaar voordien bij Ajax assistent van Rinus Michels. Na het seizoen wordt Cruijff getransfereerd van Ajax naar Barcelona en wie wordt uitgenodigd om in september 1973 in Camp Nou de openingsmatch te spelen? Cercle. Maar het wordt wel gevraagd niet te hard in te gaan op de nieuwe vedette en verliest met 6-0. Trots poseren de spelers van Club op De Klokke. Nijdig om het missen van de titel heeft Club flink ingekocht om de titel te halen waarop men al vijftig jaar wacht: linkshalf Ulrik le Fèvre bij Borussia Mönchengladbach, Ruud Geels van Go Ahead Eagles én Georges Leekens. Leekens kon een jaar eerder naar Anderlecht, maar paste. 'Ik wilde eerst mijn studies afmaken. Toen hebben ze Hugo Broos gehaald bij Humbeek.' Bij Club maakte Leekens zijn eindwerk voor zijn studies kinesitherapie met de hulp van de jonge dokter van Club, Michel D'Hooghe. Club was een profclub, maar met lage basislonen en goeie premies. Zo'n 20.000 frank basisloon (500 euro) kreeg Leekens per maand. Johny Thio en Pierre Carteus waren de gangmakers van een olijke bende, Henk Houwaart bracht à la Ruud Vormer pit in het spel en Nico Rijnders was de organisator voor de verdediging. Tot hij midden november op het veld van Club Luik met hartproblemen ineen zakte. Na Nieuwjaar haalde Club Rolf Rüssmann die als speler van Schalke in Duitsland geschorst was wegens matchfixing. Trainer Leo Canjels hield die voor die tijd kwalitatief sterke groep goed samen waardoor Club die titel vierde waar het al lang naar snakte. 'Toen hebben we wel drie maanden aan een stuk gefeest, wat Canjels het seizoen nadien de kop kostte,' zegt Leekens nu met enig schuldbesef. Met de verkoop van Leekens (vijf miljoen frank) en van Károly Krémer aan Club Luik (zeven miljoen) kreeg Crossing zo'n 300.000 euro in de altijd lege kas. Nieuw was het enfant terrible van het Belgische voetbal: de 31-jarige Roger Claessen. Die speelde het jaar voordien amper bij Beerschot, maar stond in het bonte gezelschap van Crossing 29 van de 30 matchen op het veld, al was hij niet langer de topper van bij Standard en Alemannia Aachen. De Antwerpse doelman Jos Smolders, die aan zijn transfer van Beerschot naar Crossing een job bij de de Brusselse brandweer overhield, zei over hem: 'Roger was meestal zijn wedstrijdpremie al kwijt voor hij de gemeente Schaarbeek uit was. Hij trakteerde iedereen die hij tegenkwam.' Later zei Claessen daar zelf in Sport'80 over: 'Als mensen mij kwalijk namen dat ik het leven en het voetbal als een spel heb opgevat, zeg ik hen: ik heb misschien veel gezondigd, maar er zal me ook veel vergeven worden, want ik heb ook veel bemind.' Claessens komst volstond niet om de degradatie af te wenden. Zo zakte het bonte allegaartje na vier jaar definitief uit eerste klasse. De ploeg was opgericht in Molenbeek, groot geworden in Ganshoren, terug verhuisd naar Molenbeek en in 1969 in het Schaarbeekse Josaphatpark beland na een fusie met eersteprovincialer Cercle Schaarbeek. Van die ploeg prijkt in het eerste Panini-album nog één speler: Roland Danesin. Crossing zakte verder tot het in 1983 laatste werd in vierde klasse en de naam en het stamnummer verkocht aan eersteprovincialer Elewijt. Na de renovatie van het stadion smolten twee clubs uit de buurt samen tot een nieuw Crossing Schaarbeek dat sinds dit seizoen opnieuw in de nationale afdelingen (derde nationale amateurs) uitkomt. FC Diest speelde negen jaar in de hoogste klasse. Voor het eerst in 1961 en voor het laatst in 1974/75. In 1972/73 waren vijf van de dertien Paninispelers afkomstig van Diest zelf. Zij voetbalden met de Duitsers Manfred Müller en Ferdinand Heidkamp en met de Paraguayaan Agustín Riveros. Jos Heyligen verhuisde op de laatste dag van de transferperiode naar Beerschot, dat Diest in ruil drie spelers gaf, plus geld. Hij debuteerde daar op zijn zeventiende tegen Lierse op Allerheiligen. 'Ik speelde zo goed dat de kranten 's anderdaags titelden: Aller-Heyligen. ' Heyligen bediende als spelmaker de Paraguayaanse smaakmaker Riveros. ' De Gust, zoals we hem noemden. Fijne kerel. Heeft me erg geholpen, door mijn passes en voorzetten in doelpunten om te zetten. Achteraf bekeken ben ik iets te lang bij Diest gebleven. We onderhandelden een paar keer met Anderlecht, mijn favoriete club en de club die het best bij me zou hebben gepast , maar Diest wilde me niet laten gaan. Anderlecht nam me een paar keer mee naar het buitenland voor een zomertoernooi. Zo klopten we ooit Juventus in Turijn, en de Italiaanse kranten titelden: Heyligen en Van Himst, de beste Anderlechtspelers. Terwijl ik niet eens van Anderlecht was.' Op de laatste dag van de transferperiode in 1972 wist Beerschot Heyligen toch los te wrikken bij Diest. In 1974 zakte Diest en gleed verder af tot het in 2006 failliet ging. Het begon opnieuw van onderuit, om dit jaar weer in het nationale voetbal te belanden. Op de foto's: de Duitse verdediger Werner Biskup, Francis Nicolay - de voormalige vedette van Seraing die later de fameuze jeugdschool van Seraing zou uitbouwen - en de jonge verdediger (toen nog zonder baard) Louis Philips, waar als bijschrift bij stond: universitair. Een verzameling bonte vogels en een warme familieclub, noemt Paul Courant de Luikse club waar hij negen jaar voetbalde en die hem op zijn achttiende weghaalde bij RC Tienen. Courant staat als speler, net als Morten Olsen, veertien jaar naeen in de Panini-albums: (vier keer met FC Luik, zes keer met Club Brugge, drie keer met Cercle en één keer met Union). Bij FC Luik was hij nog geen prof. 'De trainingen bij Luik waren om half vijf, maar mijn studies duurden vaak tot vijf uur. Dus trainde ik op die dagen met de reserven om 18 uur. Maar toch speelde ik elk weekend in het eerste.'In competitie was Luik toen een middenmoter in de schaduw van Standard, al daagden er voor de derby en de match tegen Anderlecht 30.000 toeschouwers op in het Stade Vélodrome dat in 1997 gesloopt werd en omgebouwd tot bioscoopcomplex Kinepolis. In zijn nieuwe stadion, een paar kilometer van het oude, mikt de club in de eerste amateurklasse dit jaar voluit op de promotie naar 1B. In het allereerste Panini-album staat maar één speler met een bril. Het is Kamiel Van Damme, icoon bij KV Mechelen, die afgebeeld staat met de Luikse doelman Guy Léonard, Robert Stevens en Birger Pedersen. Een jaar later staat Van Damme in het album, maar zonder bril. Omdat dat jaar ook de spelers van tweede afdeling een foto krijgen, is het geen bril-loos album, met dank aan Lokerens speler-trainer Jef Jurion. 'Eén van de zeven profs' luidt het bijschrift bij Neel De Ceulaer, die met Lierse zijn laatste seizoen afwerkte nadat hij het jaar daarvoor het miraculeuze Europese seizoen mee beleefde waarin Lierse tot de halve finales van de UEFA Cup reikte. In de zomer van 1972 was er ook de fusie tussen Lierse en Lyra, maar ontevreden Lyrasupporters startten een nieuwe ploeg op die herbegon in vierde provinciale. Vedette bij Lierse was toen spelverdeler Frans Vermeyen, die een jaar later naar Antwerp zou verhuizen. De buitenlanders waren Dimitri Davidovic, de Deense spits Peter Dahl en de Hongaarse verdediger Tamás Krivitz, die nog altijd in België woont. De Ceulaer vertrok na dat seizoen naar tweedeklasser Boom omdat hij geen prof wilde blijven. 'Ik had een goeie job in de Antwerpse haven en was enkel prof geworden omdat ik twee jaar verlof zonder wedde kreeg. Maar een prof verdiende toen, behalve bij de topclubs, niet veel, zeker niet als je weinig won. In een slechte maand verdiende ik minder dan met mijn job in de haven: zo'n 15.000 frank per maand ( 375 euro, nvdr).' De ambitieuze Brusselse club is net vierde geworden en heeft een topploeg die in 1972/73 derde zal worden en bijna in zijn geheel zal overstappen naar een nieuwe club. RWDM is het resultaat van een fusie met tweedeklasser Daring Molenbeek. Nico de Bree komt van NEC, de Deen Kresten Bjerre, ex-PSV, is de kapitein van Denemarken. Linksachter Maurice Martens zal dat jaar de Gouden Schoen winnen. Net als Anderlecht heeft STVV twee keepers in zijn Paniniselectie, onder wie Toni Tosini, afkomstig van Charleroi. Naast Tosini, twee Oostenrijkers en de Duitser Karl-Heinz Wissmann zijn het allemaal Limburgers met als boegbeeld Odilon Polleunis, die na dat seizoen naar RWDM verhuist. Eén van de Oostenrijkers, Alfred Riedl, wordt topschutter in eerste klasse met zestien goals, ex aequo met Rob Rensenbrink. De Duitser Wolfgang John was dat seizoen de nieuwe rood-witte midvoor, afkomstig van Blau-Weiss Berlin. Meer impact hadden Sylvester Takac, Léon Semmeling, doelman Christian Piot, Leon Dolmans, Nico Dewalque en Waaslander Wilfried Van Moer. De laatste voegde in 1969 en 1970 bij Standard twee Gouden Schoenen toe aan die ene die hij al bij Antwerp won. Tot zijn dood bleef Kichie een fan van de Rouches, al meed hij in coronatijden Sclessin. 'Omdat ze het daar niet kunnen laten je te kussen.' In Unions laatste jaar in eerste klasse was de Limburger Paul Schraepen kapitein. Hij zou de ploeg trouw blijven na de degradatie, net als negen andere van de dertien afgebeelde spelers, onder wie de Deense spits Römer Larsen. Doelman Jean Trappeniers trok naar Antwerp samen met trainer Guy Thys. Van het Britse spitsenduo James Graham (een Noord-Ier) en Patrick Lowrey werd niets meer gehoord. Logisch, gezien hun prestaties.