Het is een prachtige morgen in het Waasland, de habitat van Aimé Anthuenis. De wind gaat stevig te keer en het is koud, maar de begroeting is hartelijk en de handdruk stevig. In de tuin, omzoomd door de eikenbomen, probeert mevrouw de hópen bladeren bij elkaar te harken. Een strijd die niet te winnen valt, beseft ze al snel. 'Nog te nat.' Mevrouw serveert koffie, even later komt een doos pralines op tafel. Gastvrijheid in het Waasland. Anthuenis, in jeanshemd en op sloefen, houdt het bij 'een glazeke' water.
...

Het is een prachtige morgen in het Waasland, de habitat van Aimé Anthuenis. De wind gaat stevig te keer en het is koud, maar de begroeting is hartelijk en de handdruk stevig. In de tuin, omzoomd door de eikenbomen, probeert mevrouw de hópen bladeren bij elkaar te harken. Een strijd die niet te winnen valt, beseft ze al snel. 'Nog te nat.' Mevrouw serveert koffie, even later komt een doos pralines op tafel. Gastvrijheid in het Waasland. Anthuenis, in jeanshemd en op sloefen, houdt het bij 'een glazeke' water. Op 21 december wordt hij 75 jaar, maar dat is hem niet aan te zien. Hij zucht. 'In elk interview vraag ik om mijn leeftijd niet te vermelden, maar nu moet het zeker? Ik spreek daar niet graag over. Ik hoorde onlangs Chris Lomme, 80 jaar, over haar leeftijd praten. Als je een lintmeter van 100 hebt en beseft dat je aan die 100 niet zal geraken, dan moet je er al een stuk afknippen. En aan 75 blijft er in dat geval maar een klein stompje meer over. Een paar jaar geleden dacht ik daar totaal niet aan, de laatste maanden steeds meer. Hoe lang nog? Hoe? Wat? Maar anderzijds geeft mijn leeftijd me ook een gevoel van vrijheid. Als ik tot negen uur in bed wil liggen, dan doe ik dat.'In de woonkamer of keuken is er niets dat naar voetbal verwijst. 'Daarvoor moet je op de zolder zijn. ( lacht) In mijn bureau staan ook wel een paar dingetjes, zoals de drie trofeeën van Trainer van het Jaar. Niet dat ik het niet apprecieer, maar er is zo veel. In het seizoen dat ik met VK Ertvelde, toen nog als speler-trainer, kampioen werd in derde provinciale, vierde ik ook de titel met de reserven en de juniores. En voor elk kampioenschap kreeg je een aandenken. Maar het is niet omdat het van een klein clubje was, dat het geen waarde heeft. Je mag nooit vergeten hoe het begonnen is. Hadden ze mij, toen ik zelf nog voetbalde, gezegd dat ik ooit trainer van Anderlecht en de nationale ploeg zou worden, dan was ik op mijn knieën naar Brussel gekropen.' Een monoloog.'In mijn jeugd waren er voor de gewone mens maar twee sporten: voetbal en wielrennen. De rest, zoals tennis, was elitair. Mijn ouders waren conciërges in een spinnerij, waar 300 man werkte. Ik zie het nog zo voor mij. Grote magazijnen met glazen daken, van afzuigsystemen was nog geen sprake. Stof, stof, stof... Wij konden goed leven en kenden geen armoede, maar wat die arbeiders voor een paar luttele franken moesten doen - 45 uur per week - heb ik nooit vergeten. Dat heeft me, toen misschien nog onbewust, gevormd. 'Ik was maniakaal met voetbal bezig. Uren met een bal geshot, tegen de muren van een magazijn of op straat. Ik was een jaar of elf toen ik bij Racing Lokeren ging voetballen. En als je voelt dat je wat talent hebt, dan doe je dat graag. In de zomer koerste ik, ook omdat er toen drie of vier maanden niet gevoetbald werd. Ik kon redelijk mijn plan trekken op de fiets, op een bepaalde leeftijd heb ik zelfs nog getwijfeld om coureur te worden. Maar voetballer worden was een kinderdroom. 'Op televisie zag ik eind de jaren vijftig Real Madrid met Puskás, Di Stéfano, Gento of Raymond Kopa, die met Roger Piantoni nog bij het grote Stade Reims had gespeeld. Ik kon de ploegen van Club Brugge en Anderlecht uit het hoofd aframmelen. Kranten, radio, de prentjes van Panini... Altijd maar voetbal, tot in het absurde. Ik was zestien toen ik in de eerste ploeg van Racing debuteerde, aan de zijde van de legendarische Jean Mbuyu - vader van Didier en Dimitri -, de eerste Congolese voetballer in de stad. 'Racing was liberaal-socialistisch, aan de andere kant van de stad speelde het katholieke Standaard Lokeren. Door een gebrek aan middelen was de fusie in 1970 onvermijdelijk, al heb ik samen met mijn broer wel nog slogans tégen de fusieploeg op de muur gekalkt. ( lacht) Achteraf bekeken is de fusie in Lokeren de meest succesrijke uit het Belgische voetbal gebleken. Twee seizoenen na mekaar kampioen, in bevordering en derde klasse, vier jaar na de fusie stond Sporting in eerste klasse. Dat de twee clubs het moeilijk hadden, was een voordeel. Niemand voelde zich beter dan de andere club. En: ze wilden verhuizen naar Daknam, waar een stadion met tribune stond dat alleen door de politie en de brandweer werd gebruikt en waar in de zomer races voor windhonden werden georganiseerd. ( lacht) 'Ik was oorspronkelijk een binnenspeler, in een 2-3-5, pas later schoof ik achteruit - voorstopper en libero. Ik was kapitein van de ploeg die in derde kampioen werd - met onder anderen Jef Jurion, Jozef Vacenovsky en Stany Rogiers -, maar op de laatste speeldag van het seizoen ging ik door mijn knie. Dubbele meniscus, 28 jaar. In twee seizoenen geen vijftien wedstrijden meer gespeeld. Een zware klap waar ik enorm van afgezien heb. Lokeren zou een profclub worden, maar ik had een goede job op de administratie van de Gentse universiteit en besefte dat ik dat niet mocht laten schieten. 'Ik heb nog vier mooie seizoenen beleefd in Eeklo, in bevordering, en bij Ertvelde kon ik geleidelijk de stap van speler naar trainer zetten. Dat lag me en ik wilde het absoluut maken als coach, in die mate dat ik op de universiteit een promotie weigerde. Niet getwijfeld, want ik kon in Lokeren de UEFA's trainen. In die tijd was dat prestige. Fantastische lichtingen gehad, met onder anderen doelman Dannie D'Hondt, Angelo Nijskens en de twee Mbuyu's. 'Ik was toen ook een tijdje jeugdcoördinator, maar dat was niets voor mij. Ik had een ploeg nodig, wat later ook bleek toen ik bij Germinal Beerschot technisch directeur werd. Dat ging niet. De mensen die mij op 't Kiel aanstelden, hadden er wellicht ook meer van verwacht. En: van alle clubs waar ik heb gewerkt, waren de Antwerpse het moeilijkste. Moeilijk uit te leggen waarom, al heeft het wellicht voor een deel met de resultaten te maken. Met Lierse speelden we wel kampioen in de tweede klasse, niet slecht, maar een paar maanden erna zat ik buiten.' 'Mijn grote geluk was dat ik een paar jaar mocht scouten voor Robert Waseige, toen trainer van Lokeren, van wie ik veel heb geleerd. Gérer le vestiaire, zei hij altijd. De kleedkamer kunnen beheersen, een gouden raad. Lokeren had in die tijd geweldige spelers: Grzegorz Lato, Preben Elkjaer Larsen, Bob Hoogenboom en W?odek Luba?ski, de Johan Cruijff van het Oostblok. ( lacht) Met de steun van ambitieuze bedrijfsleiders uit de regio kon de club uitgroeien tot een ploeg die Europees speelde, maar die in België nooit de prijzen pakte die het eigenlijk had moeten halen. Maar ja, de Grote Drie - Anderlecht, Club en Standard - hadden in die tijd nog de scheidsrechters mee. 'Dat ik na het ontslag van Dimitri Davidovic ( februari 1985, nvdr) de eerste ploeg mocht trainen, was verrassend. 41 jaar en zelf nooit op het hoogste niveau gespeeld... Na amper een paar maanden overleed Aloïs Derycker, de man die de talenten binnenhaalde en voor een club met weinig financiële middelen enorm belangrijk was. Daardoor moest ik meedenken met het bestuur en anticiperen op het vertrek van onze beste spelers. Dat was het lot van Lokeren, elk jaar verkopen om te overleven. Zoals na mijn derde seizoen, toen we een Europees ticket pakten en Stephen Keshi en Kari Ukkonnen naar Anderlecht vertrokken. 'Zonder pretentie durf ik te zeggen dat ik in mijn eerste jaren als coach tachtig procent van de spelers kende, van eerste tot en met vierde klasse. Er waren weekends dat ik drie matchen zag. We haalden Patrick en, een jaar erna, Bruno Versavel weg bij Diest, in tweede klasse. Drie miljoen frank ( 75.000 euro, nvdr) voor de twee, een paar jaar erna betaalde KV Mechelen zestig miljoen ( 1,5 miljoen euro, nvdr). 'Goede spelers halen en voor veel geld doorverkopen, dat is jaren later de basis voor het succes in Genk geweest. Jacky Peeters, Davy Oyen of Bart Goor, voor één miljoen frank ( 25.000 euro, nvdr) overgenomen van Geel en een jaar later voor meer dan vijftig miljoen ( 1,25 miljoen euro, nvdr) aan Anderlecht verkocht. De eerste keer dat ik in Genk kwam, zat er waarschijnlijk zestig man in de vergadering. ( lacht) Maar dat werd snel herleid naar drie, vier mensen. Door die korte lijnen werd er vooral snel op de bal gespeeld. 'Het seizoen dat we de beker wonnen - de eerste prijs in Genk - en tweede werden, wisten we dat Philippe Clement naar Coventry zou vertrekken. We speelden een van onze laatste matchen tegen Harelbeke, waar zowel Pierre Denier als ik enorm onder de indruk waren van Mike Origi. 'Pak die!' Voor hetzelfde geld lag hij nog vijf jaar onder contract, maar vrijwel meteen na de match hoorden we van ons bestuur dat hij transfervrij was. Op twee dagen geregeld, hé. Zo'n speler. ( steekt de duim omhoog) Centrale middenvelder die ook in de spits kon spelen, sterk met de kop...' 'De mensen vragen me soms waar ik het liefst heb gewerkt. Onmogelijk te zeggen. Toen ik in Genk arriveerde, kreeg ik van voorzitter Remi Fagard een dik boek met getuigenissen van bedrijfsleiders. 'Dit moet je eens lezen.' Heel mooi. Ik hoorde geregeld dat Limburg een boerenprovincie was, maar uit de visie van die jonge commerciële gasten bleek net de rijkdom. Tien jaar vooruit! 'Genk was ook anders, in die zin dat je als trainer nog meer inbreng had en de ploeg zelf kon vormen door spelers te halen of jongens die er al waren op een andere positie te zetten. Een rechterflankaanvaller omvormen tot rechtsback, voorbeelden genoeg, dat is een transfer binnen de ploeg die niets kost. Daar is in vier seizoenen toch iets neergezet. Promotie naar eerste klasse, twee jaar erna beker van België en in het laatste seizoen de titel, terwijl ik verwachtte dat het na die bekerwinst een moeilijk seizoen zou worden. 'En: we hadden een heel herkenbare stijl. Drie verdedigers, waar de laatste jaren zo veel spel van wordt gemaakt, al werd ik in de media een verdedigende trainer genoemd. Zever! De doelpuntensaldo's bewijzen dat. Als ik nu kijk naar het voetbal dat Philippe Clement met Genk brengt, dan valt vooral op dat de zogenaamde vedetten in balverlies positioneel óók hun werk doen. Verdedigend voetbal... ( zucht) Dat zijn zo van die clichés... In Genk werd ik door sommige spelers Papa genoemd, terwijl ik mezelf hoegenaamd géén vaderfiguur vond. 'Ik probeerde spelers wel vertrouwen te geven, ook als het even niet liep. Er wordt in Genk nog altijd gesproken over het duo Souleymane Oulare- Branko Strupar, maar de eerste maanden vonden die twee elkaar totaal niet. Niet op en niet naast het veld. Tomasz Radzinski en Jan Koller wel, al had Jan het in de voorbereiding heel moeilijk. Een dure speler - drie miljoen euro - die in zijn eerste weken tijdens afwerkingsvormen de ballen tot op het dak van de sporthal schoot. En er stond geen keeper in de goal. ( schatert) Maar: spectaculair verbeterd, hé. IJzersterk, nooit geblesseerd en na twee jaar voor een pak geld ( 10,5 miljoen euro, nvdr) aan Borussia Dortmund verkocht. 'Zulke spitsenduo's liepen in de kijker, maar als trainers heb je ook spelers nodig die met één actie een wedstrijd kunnen beslissen. Bij Lokeren had ik Ferenc Mészáros, een Hongaar die je soms drie matchen niet zag maar in die periode ( 1988-1993, nvdr) de enige speler was die iets kon forceren. We speelden heel vaak met tien en ik kan me voorstellen dat de supporters zich soms afvroegen waarom ik er hem niet afhaalde, maar soms moet je durven te wachten. Ik werkte graag met gasten als Elos Elonga Ekakia of Aruna Dindane die de ploeg én de trainer, wanneer ik in de stront zat, over de streep trokken. Er zijn trainers die denken dat ze het voetbal hebben uitgevonden, maar ik durf toe te geven dat ik in sommige wedstrijden door zulke gasten ben geholpen. 'Bij Anderlecht moest je niet aan het seizoen beginnen om vierde te worden. Kampioen of, in het slechtste geval, tweede. En, heel gevaarlijk voor een trainer: de Europese voorrondes waren de eerste grote test. Je was amper bezig en je moest al meteen presteren. Maar ik was meteen verwend. Op het middenveld kon ik kiezen tussen Baseggio, Soetaers, Scifo, Jatsjoek, Goor of Zetterberg... Als trainer móést je daar iets van maken.' 'Ik ben altijd in Lokeren, later in Waasmunster, blijven wonen. Niet gemakkelijk. Op weg naar Genk moest ik er steeds voor zorgen dat ik om zeven uur door de Kennedytunnel was, waardoor ik dus om zes uur moest opstaan. Soms bleef ik er slapen, zeker als er 's avonds nog vergaderd werd, maar ik keerde toch liever terug. Enorm veel kilometers gereden, maar als je in een flow van winnen zit, dan rijdt de auto met jou hé. Maar in mindere periodes waren het lange kilometers... 'Hoeveel trainers hebben de kans gekregen om coach in eerste klasse te worden op 200 meter van hun voordeur? Aan de universiteit kon ik loopbaanonderbreking of verlof zonder wedde krijgen, dat was mijn grote vangnet, want als trainer kon je na drie maanden buitengesmeten worden. Je hebt soms wat geluk nodig, maar in mijn carrière heb ik heel veel zelf kunnen bepalen. De trein passeerde en ik moest alleen beslissen of ik er wel of niet op sprong. Terwijl de meeste trainers moesten pakken wat ze konden. 'Ik ben ontslagen, ja. Onder anderen in Waregem en Lierse, telkens een paar maanden nadat we kampioen in tweede klasse waren geworden. Dat vond ik telkens een persoonlijke nederlaag, wellicht een typische reactie voor een Belgische trainer. Nederlanders bekijken dat anders, die zeggen: 'Ik krijg een oprotpremie en ga lekker naar huis.' Ik kon het nooit loslaten, ook niet als ik thuis was. De mooiste periode van het jaar voor een trainer is de vakantie en de zes weken voorbereiding. Jan Ceulemans zei ooit eens: 'Dat zou het hele jaar zo moeten zijn.'...' ( schatert)