Het zijn drukke dagen voor Bob Browaeys (49). De nationale jeugdcoach zit in de laatste rechte lijn richting een nieuw eindtoernooi met zijn poulains. Ondanks de drukke agenda, kon hij tijd vrijmaken voor een koffie en een babbel over de verwachtingen over Ierland na het brons op het WK in Chili 2015, de verkeerde perceptie over een gouden generatie en het 'kathedraaldenken'. Browaeys gelooft rotsvast in de kwaliteiten van een spelersgroep die hopelijk verder geniet van de goeie flow.
...

Het zijn drukke dagen voor Bob Browaeys (49). De nationale jeugdcoach zit in de laatste rechte lijn richting een nieuw eindtoernooi met zijn poulains. Ondanks de drukke agenda, kon hij tijd vrijmaken voor een koffie en een babbel over de verwachtingen over Ierland na het brons op het WK in Chili 2015, de verkeerde perceptie over een gouden generatie en het 'kathedraaldenken'. Browaeys gelooft rotsvast in de kwaliteiten van een spelersgroep die hopelijk verder geniet van de goeie flow. Bob Browaeys: 'In de eerste plaats zal het voor elke speler een unieke ervaring zijn. Het is een kampioenschap puur voor de lichting van een specifiek geboortejaar, 2002. Alle voetballers van die leeftijd streven naar het bereiken van zo'n doel. Dus ik push hen om vooral te genieten. Daarnaast staat het natuurlijk mooi op je voetbal-cv en kun je die ervaring meenemen naar de U19, U21 en mogelijk zelfs de A-kern. Ierland zal een leermoment zijn, gecombineerd met een gezonde dosis ambitie. Dit is het topje van de ijsberg, pure jeugdtopsport. 'Als staf heb je naast het leiden van de trainingen de rol om vooral die juiste mindset op punt te zetten. Rust brengen in de hoofden, iets wat even belangrijk is als voetballen op zich. Maar de weg naar Ierland verliep positief. We haalden tweemaal negen op negen, en - belangrijk - we deden dat met weinig tot geen gele kaarten. Zo zaten we in pot A en ontweken we kleppers bij de loting. We spelen in theorie dus tegen haalbare kaarten, al is zoiets relatief bij de jeugdformules. Alles leunt zo dicht tegen elkaar. Op een EK begin je eigenlijk van nul. Dat is iets wat ze hier ook leren. Omgaan met over- en onderschatting, want een gemakkelijke of moeilijke match bestaat niet. Dat is de grootste fout die een trainer kan maken: in de hoofden van je spelers prenten dat een match moeilijk/gemakkelijk zal zijn. Nee, voetbal is een spel waar alles kan. Speel met de wil om te winnen, altijd en overal. Dat is een cruciale gedachte voor die jonge gasten. 'Zo'n buitenlandse ervaring inspireert wel. Zestien landen in één hotel waar alle faciliteiten aanwezig zijn en de UEFA die alles dirigeert. Na die ervaring zijn de spelers altijd en allemaal een winnaar. Je boekt sowieso vooruitgang, niemand die dat van hen kan afnemen. De kern bleef wel vrij cool bij de kwalificatie. Alsof wij van de staf euforischer waren dan zij. Een soort bewuste nuchterheid, want ze zijn er zeker mee bezig. 'De halve finale en daaropvolgende bronzen medaille op het WK 2015 in Chili gebruiken we als motivatie. Gelukkig zitten er ook vier jongens in de kern die vorig jaar al een EK meemaakten: Tibo Persyn, Maarten Vandevoordt, Jeremy Doku en Killian Sardella. Ze haalden daar de halve finale ( België werd uitgeschakeld door Italië, dat in de finale verloor van Nederland, nvdr) en brengen de nodige rust bij hun leeftijdsgenoten.' 'Wij gaan progressief te werk met de spelers. De bond heeft een talentdetectiesysteem vanaf de U14 dat goed functioneert. Het EK voor de U17 vormt eigenlijk het einde van de eerste cyclus van een drieluik. Nadien volgen U18-U19 en U20-U21. Voordelig, want je moet niet telkens herbeginnen. Het is eerder het inwerken van specifieke accenten per leeftijd op een basis die in de voorgaande cyclus werd vastgelegd. Zo werken we bij de U16 vooral rond eigen spelprincipes. Het creëren van een teamidentiteit. Daarna, wanneer er ook wedstrijden en toernooien de revue passeren, dompelen we de spelers onder in de wereld van analyses over de tegenstander. Zowel individueel als collectief, zonder door te drammen. Je merkt op die leeftijd al dat iedereen een wedstrijd op z'n eigen manier voorbereidt, bewust of onbewust. 'Ik heb één mantra: de regel van 100 procent. Alles wat je doet, doe het aandachtig en met overtuiging: rusten aan 100 procent, trainen aan 100 procent, de tactische bespreking volgen aan 100 procent, ... Alleen zo kun je je perfect voorbereiden op een wedstrijd. Die mindset moet dagelijks ingeoefend worden. Spelers moeten elkaar daarin durven inspireren. Voortrekkers die de hele groep of teamgenoten op sleeptouw nemen. 'Via individuele gesprekken levert de staf daar ook zijn bijdrage. Een soort ownership dat je net als een profspeler met je moet meedragen. Want uiteindelijk ben je nog altijd zelf je beste trainer: je moet jezelf blijven uitdagen en gestimuleerd worden door je omgeving. Ik hamer daarom ook op onderlinge coaching. Je moet elkaar positief kunnen stimuleren. 'Het stoort me ook wanneer spelers door externe factoren hun volledige potentieel niet benutten. De impact van makelaars, trainers die er niet in geloven, et cetera. 'Geef die jongen eens een kans', denk ik dan, maar ik moet de opstelling van specifieke clubs niet beginnen maken natuurlijk. Een stap terugzetten kan in zo'n situatie vruchtbaar blijken op lange termijn. Je speelt beter wekelijks bij FCV Dender, dan ergens als twintigjarige op de bank te verkommeren. Met wat geluk pikt een talentscout je op of promoveer je richting profvoetbal.' 'Talentdetectie en -ontwikkeling zijn mijn stokpaardjes. Anders dan in landen als Duitsland, Frankrijk, Spanje en Engeland, is het opmerken van potentieel in België broodnodig. Ik reken Nederland daar eigenlijk ook bij, terwijl Portugal zowat op ons niveau zitten qua balans kwaliteit-kwantiteit. Want cru gesteld: als wij één talent hebben, staan er in Duitsland tien klaar. Geen enkele begenadigde voetballer mag dus verloren gaan. Daarom hameren we sinds eind jaren 90 op een goed functionerende werking, gebaseerd op een nieuw idee: Visie 2000, waarbij clubs en federatie nauw samenwerken. 'Alles staat of valt dan ook met een visie en een structuur. Het idee groeide sinds het tweeluik EK 1998 en WK 2000. Er ontbrak een soort creatieve impuls binnen de nationale ploeg. Je had wel Luc Nilis en Marc Degryse, maar dat was te mager om aansluiting te maken met de top. Een herbronning was nodig. De eerste stenen voor de piramide werden toen gelegd. Onze buurlanden Nederland en Frankrijk speelden toonaangevend voetbal, dus natuurlijk gingen we bij hen gluren. Vanuit een tabula rasa creëerden we een Belgisch DNA, waar de Rode Duivels nu een voorbeeld van zijn. De focus kwam terug te liggen op de liefde voor de bal. Veel contact, veel dribbelen, je comfortabel voelen in balbezit. 'Met een kwalitatieve werking kun je kwalitatieve spelers afleveren. Ambities kaderen in het grotere geheel. Daarom zul je me nooit uitspraken zoals 'over vijftien jaar wil ik opnieuw bovenaan de FIFA-ranglijst staan' zien doen. Als klein land moet een juist beleid primeren op sportieve excellentie. Al werkt het één normaal het ander in de hand. Ik hou van het 'wij-imago'. De KBVB, Voetbal Vlaanderen, het Waalse ACFF, de Pro League en de amateurclubs bevinden zich het best op dezelfde golflengte. Je kan het als een soort kathedraaldenken ( een term die verwijst naar het bouwen van kathedralen in de middeleeuwen, nvdr) zien. De architect tekent de grote lijnen uit en de zet de structuur op papier, maar uiteindelijk zal hij nooit het eindresultaat zien. Het langetermijnplan primeert op het persoonlijk belang. 'Voetballend baseerden we ons toen op de Cruijffschool. Opbouwen van achteruit en hoge pressing, met de 4-3-3 eerder als middel dan vastgeroest spelsysteem en een cruciale rol voor kleinere clubs. Zij zorgen namelijk voor de rekrutering van zesjarige voetballertjes. En het valt niet te ontkennen dat ze op die leeftijd egocentrisch zijn. Ze willen lekker dribbelen. We hebben daarop verder gebouwd met spelsituaties twee tegen twee. Later groeit dat naar een drie tegen drie, vijf tegen vijf, acht tegen acht en uiteindelijk een elf tegen elf met aandacht voor de ruitvorm, die diagonale passing en rechtstreekse duels toelaat. Met een focus op de tegenaanval leid je geen opleiding. 'Nederland heeft intussen dat idee overgenomen. We mogen daar trots op zijn, zonder te beginnen slabakken. Ook al weet je niet hoe voetbal er over een kleine tien jaar zal uitzien, je kunt dat deels in de hand werken met een visie richting 2025 en zelfs 2030. Als federatie heb je daarbij een dubbelzijdige rol. Enerzijds geld je als inspiratie voor de clubs, terwijl het luisterend oor voor nieuwe ideeën altijd op actief moet staan. Net zoals de wisselwerking met topsportscholen. Het grote wij-verhaal, zoals ik al zei.' 'Als je alle neuzen in dezelfde richting wil krijgen, heb je ook een bepaalde gelijkheid nodig. Iedereen verdient een kans om zich te ontplooien in het voetbal, of die persoon nu veel talent heeft of niet. Dat hangt samen met een basisethiek. In essentie draait het in het voetbal nog altijd meer om plezier dan om het halen van sportief succes. Daarom vormen initiatieven zoals het G-voetbal en damesvoetbal een meerwaarde binnen de federaties. 'In lijn met die gelijke kansen ligt de opstart van het Future Team-project, waar we Dries Mertens als voorbeeld namen. Hij is het prototype van een laatrijpe voetballer. Tijdens zijn opleiding aan de topsportschool merkte je meteen zijn branie, dus het latere ontbolsteren kwam niet als een verrassing. Maar het was iemand die fysiek lange tijd moest wachten om door te groeien. We merkten dat daarvoor nog niet de nodige begeleiding bestond en daarom begonnen we met de Future Teams, waar ook spelers als Maarten Martens en Yannick Carrasco hun kans kregen. 'Uiteindelijk bleek dat een volgende stap in het opleiden van meer creatieve spelers. ' Le retour des petits', noemde de FIFA dat. De types zoals Lionel Messi, Xavi en Andrés Iniesta. Laatrijpe spelers zijn van nature creatiever. Als een soort survival of the fittest boksen ze vaak op tegen fysiek sterkere spelers, dus zoeken ze oplossingen in het slimmer zijn. Ze vormden de basis van de nieuwe voetbalevolutie. Technisch begaafd, dominant spel over de grond, monopoliseren van de bal. Intussen bestaat er een Future Team U16-toernooi met daarrond een colloquium waaraan verschillende landen deelnemen. Je maakt daar echter moeilijk een balans van op, want wie weet lukt het die spelers ook om door te breken zonder die extra ondersteuning. Maar goed, we kregen ondertussen al Denemarken, Tsjechië en Nederland mee in het verhaal, dus het slaat zeker aan. Ierland had het minder goed begrepen. Die kwamen met een team van shadows op de proppen, eigenlijk een puur B-elftal. 'Maar spelers met potentieel worden in 90 procent van de gevallen al vroeg gespot. Thomas Meunier werd dan misschien pas iets later opgemerkt, hij genoot zijn opleiding wel grotendeels bij Standard. Wanneer een speler daarna een niveau lager gaat spelen, dan verdwijnt hij ietwat van de radar. Het systeem is dus zeker niet onfeilbaar, maar we doen hard ons best om spelers zoals Meunier niet zomaar uit het oog te verliezen.' Nick Vandierendonck