Er is geen andere Belgische derby die zulke heftige emoties oproept als Antwerp-Beerschot. Dat beweert Danny Geerts, persmedewerker en 'huisjournalist' van Beerschot. Het is een derby die soms omschreven wordt als een stammenoorlog, het noordoosten tegen het zuidwesten, rood-wit tegen paars-wit.
...

Er is geen andere Belgische derby die zulke heftige emoties oproept als Antwerp-Beerschot. Dat beweert Danny Geerts, persmedewerker en 'huisjournalist' van Beerschot. Het is een derby die soms omschreven wordt als een stammenoorlog, het noordoosten tegen het zuidwesten, rood-wit tegen paars-wit. De aanhangers van de ene club dragen met trots de bijnaam Kielse ratten en beschouwen hun tegenstanders als rooie honden. Die gaan dan weer prat op hun stamnummer 1, de Great Old, en beschouwden de aartsrivaal uit het zuiden twintig jaar lang niet als Beerschot maar als een fusieclub, Ekeren of Wilrijk. Het is een strijd die van in het begin al kwaad bloed zette, die een vredevolle periode kende maar ook gebukt ging onder geweld. Met altijd die typische saus van - vaak bijtende - Antwerpse humor. Al merk je dat het de laatste jaren toch weer vrij bitsig geworden is, zegt Michel Schepers, die twee jaar geleden voor het clubblad van Antwerp de historiek van de derby neerpende.De felle rivaliteit tussen de beide clubs is niet verwonderlijk als je weet dat de allereerste derby al onder een slecht gesternte werd gespeeld. Dat had alles te maken met de manier waarop multisportclub Beerschot in 1899 werd opgericht. De grondlegger was Alfred Grisar, ex-doelman van Antwerp. Hij had een groot deel van zijn voormalige ploegmaats overtuigd om naar de nieuwe club over te stappen. Het was dus met een gedecimeerde ploeg dat de Great Old op 9 september 1900 de allereerste derby aanvatte. Beerschot won moeiteloos met 6-1. In de jaren 20 van vorige eeuw beleefde het Antwerpse voetbal een glorieperiode. De legendarische sportjournalist Pol Jacquemyns schrijft in 1942 in zijn boek Onze voetbalfiguren over ' den opgang der Antwerpsche clubs in 't algemeen, clubs die een zoo hoogen graad van verfijning bij het voetbalspel invoerden, dat spoedig in heel het land de loftrompet geblazen werd'. Misschien niet toevallig speelden beide clubs in een nieuw stadion, Beerschot sinds 1920 in het stadion waar de Olympische Spelen hadden plaatsgevonden, Antwerp vanaf 1923 in de Bosuil. De grote rivalen dongen tijdens het Interbellum mee om de titel en vooral Beerschot was succesvol. Het werd met de broers Pierre en Raymond Braine landskampioen in 1922, 1924, 1925, 1926 en 1928, en toen Raymond terugkeerde van Sparta Praag ook nog in 1938 en 1939. Drie keer werd het vicekampioen (1923, 1929, 1937). Antwerp moest het met wat minder stellen. Het behaalde meer tweede plaatsen (1925, 1930, 1932, 1933, 1940) maar speelde slechts twee keer kampioen, in 1929 ( zie kader) en in 1931. Na de Tweede Wereldoorlog stonden de derby's in het teken van de broederstrijd tussen Vic Mees (Antwerp) en Rik Coppens (Beerschot), tegenstanders op het veld maar goeie vrienden erbuiten. Die kameraadschap straalde ook af op de tribunes. Rode petten en paarse sjaals zaten zij aan zij op de houten banken. Supporters van beide clubs plaagden elkaar graag, maar gingen ook samen een pint pakken. En wanneer zwette Jef, de snoepverkoper, zijn koopwaar aanbood beneden op de atletiekpiste, daalden de vijffrankstukken van hand tot hand de tribune af en gingen de snoepjes op dezelfde manier naar boven. Beerschot- of Antwerphanden, dat maakte geen verschil. De weinige agenten die op de goede orde moesten toezien, konden rustig de wedstrijd volgen. Wat opviel in die eerste halve eeuw: thuisvoordeel bestond niet. De bezoekers trokken even vaak aan het langste eind als de gastheren. Een ander opmerkelijk feit: de club die in een bepaald seizoen het best presteerde, had het net lastiger in de derby's. Alsof de andere ploeg extra hard wilde bewijzen dat zij niet hoefde onder te doen. Antwerp behaalde nog twee titels (1944 en 1957) maar vanaf de jaren 60 begon het tij te keren voor het Antwerpse voetbal. In 1965 stond Beerschot voor het laatst op het podium, als derde, en vanaf dan zijn beide clubs even vaak in de rechter- als de linkerkolom van het klassement terug te vinden. Waar de derby voorheen een gebeurtenis was voor het hele land, vergelijkbaar met de toppers tussen Anderlecht, Standard en Club Brugge, werd het meer en meer een regionale aangelegenheid. De Antwerpenaren compenseerden dat door hun eigen derby op te kloppen tot mythische proporties. Hoe minder relevant de derby werd op nationaal vlak, hoe meer het belang ervan toenam in 't Stad. De kameraadschap verdween, na-ijver kwam in de plaats. Filip Boen, Beerschotfan en auteur van het boek Iedereen supporter? heeft het over het ontstaan van een echt wij-zijgevoel. Eind jaren 70 was het opkomende hooliganisme, rechtstreeks overgewaaid vanuit Engeland, olie op het vuur. Supporters begonnen plots te knokken, gratuit, alsof het zo hoorde. Ook de sportieve malaise zette zich verder door, ondanks een opflakkering van Antwerp eind jaren 80 tot de Europabekerfinale in 1993. Even graag als de eigen spaarzame successen te vieren dansten de beide supportersclans vilein op elkanders graf. Wat de Antwerpfans betreft, werd het graf van Beerschot gedolven in 1991, toen paars-wit naar derde klasse moest zakken na een sportieve degradatie en financiële problemen. De zerk werd erop gezet in 1999, toen stamnummer 13 verdween. Germinal Ekeren gooide toen een reddingsboei om de naam Beerschot te laten overleven. In 2013 deed KFCO Wilrijk hetzelfde. Op de website RAFC Museum staat als laatste derby dan ook die van 1991 genoteerd (1-2-winst op het Kiel). Maar opmerkelijk: de wedstrijden van dit seizoen staan er óók op aangegeven. Sinds 2019, toen Beerschot weer met het teruggekochte stamnummer 13 mocht spelen, wordt het blijkbaar weer als het 'echte' Beerschot beschouwd. De voorbije decennia noemden Antwerpsupporters de aartsrivaal consequent 'Ekeren' of 'Wilrijk'. Het woord 'dertien' is trouwens taboe bij rood-wit. Zo zal een echte Antwerpfan zeggen dat zijn club 'twaalf plus één' jaar in tweede klasse heeft gespeeld (van 2004 tot 2017).De heisa over het stamnummer is maar één van de vele schimpscheuten die doorheen de jaren over en weer zijn gegaan. Soms waren ze bijzonder humoristisch, soms ook beschamend. Zo kreeg de Belgisch-Congolese Beerschotspeler Paul Beloy eind jaren 70 een banaan naar zijn hoofd gegooid toen hij een inworp wilde nemen. Beloy reageerde rustig, legde de banaan aan de kant en wierp in. Ook coaches gingen al eens over de schreef. Michel Schepers vertelt over de strapatsen van Barry Hughes, de trainer die ook bekend was als zanger van carnavalshits. Het was eind jaren 80, toen Antwerp beduidend sterker was dan Beerschot. Hughes plezierde de paars-witte fans door de gedistingeerde Antwerpcoach George Kessler te ambeteren. Tijdens de derby dook Hughes opeens op aan de bank van de Great Old, met een afrollend carnavalsfluitje om Kessler op te schrikken. Na de wedstrijd ging hij echter danig over de schreef door de persconferentie te beginnen met een ' Sieg Heil!' in de richting van zijn Duitse collega. Dan pakte Marc Brys het subtieler aan. Danny Geerts doet het verhaal van de 'kabouterderby' in 2003. Germinal Beerschot had toen de kleinste ploeg in eerste klasse, met pocketspelers als Dickson, Steve Cooreman, Tim Reigel en Kristof Snelders. In de week voor de derby strooide Brys tussen zijn spelers het gerucht rond dat ze bij Antwerp de spot dreven met hun gestalte. Bij aankomst op de Bosuil sloop teammanager Eric Verhoeven, die mee in het complot van Brys zat, de kleedkamer binnen en zette er een tuinkabouter neer. 'Zie je wel, ze lachen jullie uit', zei Brys toen de spelers de kabouter aantroffen. 'Laat eens zien dat jullie geen kleine ploeg zijn!' Kokend van woede liepen ze het veld op. De list van Brys slaagde. Beerschot won met 0-4 en de spelers voerden na afloop gezamenlijk de Kabouterdans op. Het kadert in de Antwerpse humor die op het Kiel toch wat beter uit de verf komt dan op de Bosuil. 'Beide clans hebben inderdaad een iets andere humor, dat klopt', geeft Schepers toe. 'Die van Beerschot is vaak wat spitsvondiger.' 'Wij zijn dan ook langer dan school gegaan', grijnst Geerts. Hij haalt daarmee het oude onderscheid tussen de twee clubs boven: Antwerp de arbeiders, Beerschot het chiquere volk. Lang geleden was dat zo, maar een recente wetenschappelijke studie toonde aan dat die verschillen grotendeels zijn uitgevlakt. Er wonen nog steeds iets meer Antwerpsupporters in wijken met lagere inkomens, maar daar kunnen amper conclusies uit getrokken worden. 'De laatste tijd is het zelfs eerder andersom', zegt Schepers. 'Het Kiel is een echte volkswijk geworden terwijl er meer mensen van standing naar Antwerp komen.' Zelfs het deftigste volk vergeet al eens zijn opvoeding wanneer het derby is. Geerts was zelf in zijn jonge jaren lid van de harde kern van Beerschot en verbergt niet dat er toen ook al narigheid werd uitgehaald. 'In de jaren 70 speelde ik bij een club in Deurne. Driekwart van de ploeg was voor Antwerp, de rest voor Beerschot, maar we gingen samen naar de derby. En wij wilden de wedstrijd op verplaatsing wel bijwonen, maar we gunden Antwerp de inkomsten niet. Dus zorgden we voor een 'nuloperatie': als een ticket 40 of 50 frank kostte, dan richtten we voor evenveel geld wat kleine schade aan. We sloegen een wc-bril of een ruitje kapot. Maar dat was geen hooliganisme, hé!' Een anekdote uit diezelfde periode: aan de vooravond van een derby op Antwerp drong een groep Beerschotaanhangers de Bosuil binnen om de oude houten doelpalen door te zagen. 'Maar dat werd 's morgens vroeg al ontdekt, zodat ze het nog konden herstellen', aldus Geerts. De voorbije decennia sneuvelden niet alleen doelpalen en wc-brillen maar geregeld ook oogkassen en voortanden. Dan is de humor ver te zoeken. Zo zouden Antwerp en Germinal Beerschot in de zomer van 2010, na zes jaar zonder derby, nog eens een dubbel vriendschappelijk duel spelen. Antwerp won de eerste match met 1-0, maar nadien liep het uit de hand tussen de supportersgroepen, zodat GBA-voorzitter Patrick Vanoppen de tweede wedstrijd afblies. Zo ver zal het zondag niet komen, want de coronamaatregelen houden het gros van de supporters thuis. Dat is erg jammer nu de Bosuil voor het eerst sinds de 'kabouterderby' weer het toneel is van een Antwerps onderonsje in eerste klasse - daar zijn Geerts en Schepers het roerend over eens. 'De enigen die daar blij om zijn, dat zijn de ordediensten', klinkt het in koor. De fans kunnen zich wel - coronaproof en zonder gevaar voor lijf en leden - op de sociale media uitleven. Daar gingen de memes de voorbije dagen al vlot over een weer. Met al dan niet spitsvondige humor.