Een paar weken geleden ging ik samen met mijn zoon Sven een pintje drinken in 't Hoekske, een gezellig cafeetje in Zaventem. Op het terras zat ook Michel Alliance, een Belgische ondernemer. Hij heeft een bedrijf met een vijftigtal werknemers in Hongarije. Michel is een vriend van mijn zoon en wij werden dan ook uitgenodigd aan zijn tafel. Er werd over koetjes en kalfjes gepraat maar zoals altijd eindigde het gesprek met voetbal. Michel Alliance vroeg mij of ik Attila Ladinsky gekend had, een Hongaarse voetballer die nog bij Anderlecht had gespeeld?

Natuurlijk kende ik Attila, ik heb nog ettelijke jaren met hem samen gespeeld bij Anderlecht en later bij FC Toulouse. Hij was bij paars-wit aangetrokken om Jan Mulder als midvoor te vervangen, die naar Ajax was getrokken. Hij was volgens mij zeker zo goed als Jan, maar leefde minder voor zijn sport als de Nederlander. En dat is dan nog zachtjes uitgedrukt. Tijdens mijn Anderlechtperiode heb ik veel rare snuiters zien passeren maar Attila Ladinsky hoort absoluut bij de top drie.

Ik liet mij ontvallen dat ik Attila wel eens zou willen terugzien. Mijn statement viel niet in dovemansoren, want Michel zei: 'Dan doen we dat toch gewoon. Als hij in Hongarije zit, vind ik hem wel!'

In een mum van tijd was alles geregeld. Op zondag 11 september om 13 uur had ik een afspraak met 'le Gitan' in het Marriott Hotel in Boedapest. Ik viel bijna van mijn stoel van verbazing toen ik hem iets aanbood om te drinken. Hij zei: 'Ik drink de laatste twee jaar nog alleen water en limonade en ook met roken ben ik op hetzelfde tijdstip gestopt. Ik heb vroeger te veel met mijn krachten gewoekerd. Het was van moeten. Mijn hartfunctie bedroeg nog 24 procent. Ik kon niet meer platliggen op mijn rug, want dan kon ik niet meer ademen. Gelukkig is het nu weer 46 procent, maar nog steeds veel te weinig. Goed zal het nooit meer worden, het is constant oppassen en de vingers kruisen!'

In Hongarije ben je op je achttiende begonnen in eerste klasse bij Tatabánya.

Atilla Ladinsky 'Ja, het was de ploeg van de mijnwerkers. Het enige wat je in dat gat kon doen was achter de meisjes lopen. Ik was vrij succesvol in die discipline, want ik verdiende als voetballer het dubbele van wat de mijnwerkers kregen. Maar het dubbele van niks is nog niet veel. (lacht)

'In Tatabánya speelde ik teruggetrokken op de linkse flank. Daarna ben ik naar Vasas Boedapest gegaan. Hetzelfde liedje, daar moest ik ook op links spelen. Die trainers hadden nog niet door dat mijn beste plaats midvoor was, ze waren blind. Het is pas later dat Ernst Happel, toen trainer van Feyenoord, van mij een zuivere spits maakte.'

Communisme kotsbeu

België heeft een grote rol gespeeld in je leven, je werd er een politiek vluchteling in 1971.

'Ik moest met de beloften van Hongarije in Luik een vriendschappelijke wedstrijd spelen tegen de Belgische beloften. Ik was het communisme kotsbeu, ik wilde absoluut naar het Westen. Ik heb dan beslist om in België te blijven. Na de match ben ik weggelopen uit het hotel en heb ik me tien dagen verstopt bij een vriend in Brussel. Mannen van de Hongaarse veiligheidsdienst waren mij aan het zoeken, maar ze hebben mij niet gevonden. Gelukkig maar, want anders vloog ik direct voor drie jaar in den bak. Ik heb dan contact opgenomen met een Hongaarse voetbalmakelaar die in 1956 was ontsnapt. Hij ging uitkijken naar een club voor mij.'

Waar ben je dan verzeild geraakt?

'In Duitsland bij Rot-Weis Essen. Ik heb er alleen getraind gedurende zes maanden, want ik had nog geen licentie van de UEFA en mocht dus nog geen wedstrijden spelen. Ik heb er wel Karin leren kenen, met wie ik ben getrouwd. Mijn eerste jaar bij Anderlecht was ze er nog bij, maar toen ging het al slecht in onze relatie.'

Toen je thuiskwam van een Europabekermatch in Zürich, wachtte je een onaangename verrassing.

'Dat mag je wel zeggen! Ik kwam thuis in een leeg appartement. Alle meubels waren weg, zelfs mijn kleren waren verdwenen. Bovendien was mijn bankrekening geplunderd. Ik moest in Anderlecht een voorschot op mijn salaris gaan vragen om te kunnen leven. In die periode zag ik 's nachts mijn bed niet. 's Morgens voor de training ging ik vlug een proper hemd kopen om geen argwaan te wekken in de kleedkamer. Het oude smeet ik gewoon in de vuilnisbak. Ik sliep soms een uur en ging dan gewoon keihard trainen. Ik moet god bedanken dat hij mij zo een sterk lichaam heeft gegeven. Eén ding kon ik niet: alleen zijn. Dus ging ik elke nacht op jacht.

'Gelukkig leerde ik Chantal kennen, mijn grote liefde. Samen met haar moeder baatte ze een café uit in Brussel. Er kwam weer regelmaat in mijn leven en ik werd in het seizoen 1973/74 topschutter van België met 28 doelpunten.'

Je eerste match voor Anderlecht speelde je in 1973, de finale van de beker van België tegen Standard.

'Daar heb ik een risico genomen. Als Anderlecht de beker verloren had en ik raakte bij wijze van spreken geen bal, dan zou ik misschien als een miskoop bestempeld zijn geweest, nog voor het seizoen 1973/74 moest beginnen. Maar alles is goed afgelopen: we wonnen met 2-1 en ik maakte de twee doelpunten. Dat was ongelooflijk. Ik kon niet meer normaal over straat lopen, overal werd er gezongen: 'Un, deux, trois. Attila est là.' Het was alsof het wonderkind was aangekomen!'

'Ik heb geen uitkering of pensioen, mijn inkomsten zijn nul.'

Attila Ladinsky

Toch eindigde het jaar dat je topschutter werd in mineur.

'Tot mijn grote verbazing werd ik door trainer Urbain Braems niet opgesteld voor de beslissende wedstrijd van het kampioenschap, uit tegen Beveren. Ik zat zelfs niet op de bank. Vraag mij niet waarom, want ik weet het zelf niet. Braems heeft mij geen uitleg gegeven en ik heb het hem ook niet gevraagd.'

Ik heb het hem wél gevraagd. Hij zei dat hij je niet had opgesteld omdat je een drankprobleem had en dat er te veel andere geruchten de ronde deden.

'We waren de dag voor de match in afzondering. Ik had dus niet gedronken en wat hij voor de rest bedoelde, dat weet ik niet, dat zweer ik op het hoofd van mijn dochter.'

Na de match op Beveren waren we kampioen en was er een groot feest in het Hilton Hotel in Brussel.

'Ik was diep ontgoocheld en had geen zin om mee te gaan feesten, maar heb het toch gedaan voor de andere jongens. Iedereen had behoorlijk gedronken. Ik besloot nog eens de stad in te duiken. En toen heb ik veel geluk gehad. Ten eerste: ik had morsdood kunnen zijn. Met 150 kilometer per uur raakte ik een andere wagen en ik vloog door de voorruit. Ten tweede was de jongen die ik had aangereden niet zwaar gewond, hij had een arm en enkele ribben gebroken. Ten derde verbood de noodarts de politie om mijn bloed af te nemen omdat ik in levensgevaar was. Ten vierde trok het slachtoffer, die een Anderlechtsupporter was, zijn klacht in. En ten vijfde zat mijn vriendin Chantal niet in de wagen, anders was zij waarschijnlijk dood geweest. God heeft dus goed op mij gepast die dag. Ik was serieus toegetakeld in mijn gezicht. Toen ik voor de eerste keer de kleedkamer binnenkwam, dachten sommige spelers dat er een nieuwe aankoop was gebeurd. Ze herkenden mij niet direct! (lacht)

Verliefd op Sevilla

Het tweede jaar bij Anderlecht was niet veel soeps: slechts vijf doelpunten.

'Ik had geen vertrouwen meer in Urbain Braems, hij kon mij niet meer motiveren. Hij heeft mij zelfs eens uitgenodigd bij hem thuis in Zottegem. Hij stak een hele preek af. Ik moest zogezegd mijn levensstijl veranderen, zelfs zijn vrouw begon tegen mij te zagen. Ik ben nooit zo veel op stap geweest als na dit gesprek.

'Ook had ik problemen met 'de dochter van Hitler', zoals ik mijn Duitse vrouw noemde. Zij had bekomen dat ik haar elke maand 750 euro onderhoudsgeld moest betalen, wat veel geld was in die tijd.

'Ik wilde dus weg uit België. Als ik had geweten dat Braems zou vertrekken op het einde van het seizoen en ik niet meer moest betalen aan Karin, dan was ik zeker in Anderlecht gebleven. In de Spaanse kranten stond dat Atlético Madrid interesse had in mij. Szusza, een Hongaar die ik nog gekend had bij Vasas Boedapest en die nu werkte voor Betis Sevilla, had dat ook gelezen en kwam naar Brussel. Hij deed mij een voorstel. Ik zou er veel meer verdienen dan bij paars-wit en, belangrijk voor mij, ik hoefde die Duitse niet meer te betalen. (lacht) Ik ben een week naar Sevilla gegaan, werd verliefd op de stad en tekende voor Betis.'

In Betis was je razend populair. Nochtans waren je cijfers niet zo denderend: 17 doelpunten in 59 matchen in drie jaar. Of vergis ik mij?

'Dat is juist, maar ik maakte belangrijke goals. Ik maakte het enige doelpunt tegen Real Madrid in Bernabéu. Zo won Betis na vijftig jaar nog eens in Madrid met 0-1. Ik maakte als enige speler ooit drie goals in de stadsderby tegen FC Sevilla, Betis won met 3-1. Daar houden de Spaanse supporters van. Zo word je in Andalusië een legende. Ik ken topschutters die alleen maar scoren tegen kleine clubs en het liefst thuis.' (lacht)

Na drie jaar ben je vertrokken bij Betis. Waarom?

'In het seizoen 1977/78 ben ik er weggegaan, ja. De club was gedegradeerd naar tweede klasse. Ik was 29 jaar en vond mij nog te jong om op dat niveau te gaan spelen. Ik vreesde voor een leegloop, maar die is er niet gekomen. Iedereen is toen gebleven, behalve ik. Dat was nu niet bepaald de slimste zet uit mijn carrière, want na één seizoen speelde Betis opnieuw in de Primera División en ik bij Kortrijk.' (lacht)

Inderdaad, wat deed je in godsnaam bij Kortrijk?

'Dat kwam door Georges Heylens, die er trainer was. Ik moest een testmatch spelen met RWDM vooraleer ik een contract zou tekenen bij de Brusselaars. Heylens was daar aanwezig. Hij zei dat ik absoluut naar Kortrijk moest komen, want hij ging van Kortrijk een topclub maken en hij had mij daarvoor nodig. Ik heb hem geloofd en ben met hem vertrokken. Ik had direct gezien dat ze een slechte ploeg hadden. Na vijftien wedstrijden is Heylens dan ook buitengevlogen. Ik wilde het ook aftrappen, maar Georges raadde mij dat af, want anders zou ik mijn geld op mijn buik mogen schrijven.'

'Dat ook...' (lacht)

Gratis schoonmoeder

Via Valenciennes ben je dan naar Toulouse gegaan.

'Daar ben ik Gille Van Binst tegengekomen. (lacht) In het begin van het seizoen heb ik brute pech gehad. Ik raakte geblesseerd aan mijn rechtervoet en was bijna drie maanden out. De topvorm heb ik daarna nooit meer gehaald. Ik moet eerlijk zijn en toegeven dat ik in die periode ook niet honderd procent voor mijn sport heb geleefd. Het Franse avontuur eindigde tijdens een receptie op het stadhuis van Toulouse. Ik had een hevige discussie met een topfunctionaris van de stad, de tweede in rang als ik mij het nog goed herinner. Het heeft niet veel gescheeld of ik had zijn bek dichtgetimmerd. Een paar dagen later werd onder druk van la mairie (het gemeentehuis, nvdr) beslist dat mijn contract niet werd verlengd en dat ik mijn huis zo vlug mogelijk moest verlaten.'

Je ging uitbollen bij Amarante FC in de Portugese Segunda Divisão.

'Amarante ligt in de buurt van Porto. Men speelde daar nog op zand. (lacht) De natuur was er prachtig, de mensen waren er vriendelijk, het eten was er goed. Het was er dus aangenaam om te leven, maar het voetbal was er slecht! Het was tijd om te stoppen. In 1983 heb ik er een punt achter gezet en ben ik teruggekeerd naar Sevilla, waar ik een bar heb geopend.'

Welk soort bar?

'Niet wat jij denkt, Gille.' (lacht)

Daar is het serieus misgelopen.

'Dat is het minste wat je erover kan zeggen. Daar heb ik mijn leven verwoest door mijn eigen domme fout. Chantal was gaan shoppen in de stad, maar was vroeger terug dan verwacht. Toen ze binnenkwam, lag ik te rollebollen met de babysitter - ik kende niet eens haar naam. Chantal heeft haar valiezen gepakt en is samen met mijn dochter Cindy naar Brussel vertrokken. Daar zat ik dan alleen in Sevilla. Ik heb nog geprobeerd het goed te maken, maar dat ging niet meer. Bijna dagelijks denk ik er nog aan terug.

'Ik werd de beste klant in mijn eigen bar. Dagelijks dronk ik twintig pinten bier en 's nachts anderhalve fles J&B. Daarbij rookte ik drie pakken sigaretten. Die doffe ellende heeft vier jaar geduurd!'

Je hebt daarna nog een restaurant gehad in Brussel.

'Ja, aan het Flageyplein, 'La maison d'Hongrie, chez Attila'. Na Chantal had ik Judit leren kennen, een Hongaarse. Samen openden we dat restaurant. Het was geen goudmijn, maar we trokken onze plan. Vijf jaar heb ik die zaak gehad. We serveerden een twintigtal dagschotels per dag. Dan is de vader van Judit plotseling overleden en haar moeder van tachtig jaar bleef alleen achter in Hongarije. Ik stelde voor dat ze naar België zou overkomen, maar dat wilde die oude niet. Judit wilde terug naar Boedapest. Het restaurant hebben we te goedkoop verkocht, want alles moest veel te snel gaan.

'Met het geld kochten we een klein huisje in Boedapest. Ik kreeg er natuurlijk de schoonmoeder gratis bij. Dat oude kreng moeide zich met van alles en nog wat. Op een moment was ik het kotsbeu en schreeuwde naar Judit: 'Als die oude taart nu haar smoel niet houdt, dan ga ik een pistool kopen en schiet haar een kogel door het hoofd. In de gevangenis zal ik in elk geval rust hebben.' Judit pakte haar moeder onder haar arm en verdween uit mijn leven.'

Wat doe je nu?

'Niks. Ik heb geen uitkering of pensioen, mijn inkomsten zijn nul. Ik woon nu al zeventien jaar samen met Agnes, die een kleine kledingboetiek heeft in Boedapest. Daar moeten we het mee doen, het is niet gemakkelijk, maar ik ben gelukkig. Mocht ik die vrouw niet hebben gehad, dan was ik nu al gestorven van de honger.' (lacht)

Voor wie heb jij gesupporterd tijdens de match België-Hongarije op het EK?

'Ik ben een realist. Voor de wedstrijd wist ik al dat de Hongaren kansloos waren tegen België. Maar ik blijf een Magyar in mijn hart, nochtans zie ik jullie Belgen ook heel graag!'

Gille Van Binst

Een paar weken geleden ging ik samen met mijn zoon Sven een pintje drinken in 't Hoekske, een gezellig cafeetje in Zaventem. Op het terras zat ook Michel Alliance, een Belgische ondernemer. Hij heeft een bedrijf met een vijftigtal werknemers in Hongarije. Michel is een vriend van mijn zoon en wij werden dan ook uitgenodigd aan zijn tafel. Er werd over koetjes en kalfjes gepraat maar zoals altijd eindigde het gesprek met voetbal. Michel Alliance vroeg mij of ik Attila Ladinsky gekend had, een Hongaarse voetballer die nog bij Anderlecht had gespeeld? Natuurlijk kende ik Attila, ik heb nog ettelijke jaren met hem samen gespeeld bij Anderlecht en later bij FC Toulouse. Hij was bij paars-wit aangetrokken om Jan Mulder als midvoor te vervangen, die naar Ajax was getrokken. Hij was volgens mij zeker zo goed als Jan, maar leefde minder voor zijn sport als de Nederlander. En dat is dan nog zachtjes uitgedrukt. Tijdens mijn Anderlechtperiode heb ik veel rare snuiters zien passeren maar Attila Ladinsky hoort absoluut bij de top drie. Ik liet mij ontvallen dat ik Attila wel eens zou willen terugzien. Mijn statement viel niet in dovemansoren, want Michel zei: 'Dan doen we dat toch gewoon. Als hij in Hongarije zit, vind ik hem wel!' In een mum van tijd was alles geregeld. Op zondag 11 september om 13 uur had ik een afspraak met 'le Gitan' in het Marriott Hotel in Boedapest. Ik viel bijna van mijn stoel van verbazing toen ik hem iets aanbood om te drinken. Hij zei: 'Ik drink de laatste twee jaar nog alleen water en limonade en ook met roken ben ik op hetzelfde tijdstip gestopt. Ik heb vroeger te veel met mijn krachten gewoekerd. Het was van moeten. Mijn hartfunctie bedroeg nog 24 procent. Ik kon niet meer platliggen op mijn rug, want dan kon ik niet meer ademen. Gelukkig is het nu weer 46 procent, maar nog steeds veel te weinig. Goed zal het nooit meer worden, het is constant oppassen en de vingers kruisen!' In Hongarije ben je op je achttiende begonnen in eerste klasse bij Tatabánya. Atilla Ladinsky 'Ja, het was de ploeg van de mijnwerkers. Het enige wat je in dat gat kon doen was achter de meisjes lopen. Ik was vrij succesvol in die discipline, want ik verdiende als voetballer het dubbele van wat de mijnwerkers kregen. Maar het dubbele van niks is nog niet veel. (lacht) 'In Tatabánya speelde ik teruggetrokken op de linkse flank. Daarna ben ik naar Vasas Boedapest gegaan. Hetzelfde liedje, daar moest ik ook op links spelen. Die trainers hadden nog niet door dat mijn beste plaats midvoor was, ze waren blind. Het is pas later dat Ernst Happel, toen trainer van Feyenoord, van mij een zuivere spits maakte.' België heeft een grote rol gespeeld in je leven, je werd er een politiek vluchteling in 1971. 'Ik moest met de beloften van Hongarije in Luik een vriendschappelijke wedstrijd spelen tegen de Belgische beloften. Ik was het communisme kotsbeu, ik wilde absoluut naar het Westen. Ik heb dan beslist om in België te blijven. Na de match ben ik weggelopen uit het hotel en heb ik me tien dagen verstopt bij een vriend in Brussel. Mannen van de Hongaarse veiligheidsdienst waren mij aan het zoeken, maar ze hebben mij niet gevonden. Gelukkig maar, want anders vloog ik direct voor drie jaar in den bak. Ik heb dan contact opgenomen met een Hongaarse voetbalmakelaar die in 1956 was ontsnapt. Hij ging uitkijken naar een club voor mij.' Waar ben je dan verzeild geraakt? 'In Duitsland bij Rot-Weis Essen. Ik heb er alleen getraind gedurende zes maanden, want ik had nog geen licentie van de UEFA en mocht dus nog geen wedstrijden spelen. Ik heb er wel Karin leren kenen, met wie ik ben getrouwd. Mijn eerste jaar bij Anderlecht was ze er nog bij, maar toen ging het al slecht in onze relatie.'Toen je thuiskwam van een Europabekermatch in Zürich, wachtte je een onaangename verrassing. 'Dat mag je wel zeggen! Ik kwam thuis in een leeg appartement. Alle meubels waren weg, zelfs mijn kleren waren verdwenen. Bovendien was mijn bankrekening geplunderd. Ik moest in Anderlecht een voorschot op mijn salaris gaan vragen om te kunnen leven. In die periode zag ik 's nachts mijn bed niet. 's Morgens voor de training ging ik vlug een proper hemd kopen om geen argwaan te wekken in de kleedkamer. Het oude smeet ik gewoon in de vuilnisbak. Ik sliep soms een uur en ging dan gewoon keihard trainen. Ik moet god bedanken dat hij mij zo een sterk lichaam heeft gegeven. Eén ding kon ik niet: alleen zijn. Dus ging ik elke nacht op jacht. 'Gelukkig leerde ik Chantal kennen, mijn grote liefde. Samen met haar moeder baatte ze een café uit in Brussel. Er kwam weer regelmaat in mijn leven en ik werd in het seizoen 1973/74 topschutter van België met 28 doelpunten.' Je eerste match voor Anderlecht speelde je in 1973, de finale van de beker van België tegen Standard. 'Daar heb ik een risico genomen. Als Anderlecht de beker verloren had en ik raakte bij wijze van spreken geen bal, dan zou ik misschien als een miskoop bestempeld zijn geweest, nog voor het seizoen 1973/74 moest beginnen. Maar alles is goed afgelopen: we wonnen met 2-1 en ik maakte de twee doelpunten. Dat was ongelooflijk. Ik kon niet meer normaal over straat lopen, overal werd er gezongen: 'Un, deux, trois. Attila est là.' Het was alsof het wonderkind was aangekomen!' Toch eindigde het jaar dat je topschutter werd in mineur. 'Tot mijn grote verbazing werd ik door trainer Urbain Braems niet opgesteld voor de beslissende wedstrijd van het kampioenschap, uit tegen Beveren. Ik zat zelfs niet op de bank. Vraag mij niet waarom, want ik weet het zelf niet. Braems heeft mij geen uitleg gegeven en ik heb het hem ook niet gevraagd.' Ik heb het hem wél gevraagd. Hij zei dat hij je niet had opgesteld omdat je een drankprobleem had en dat er te veel andere geruchten de ronde deden. 'We waren de dag voor de match in afzondering. Ik had dus niet gedronken en wat hij voor de rest bedoelde, dat weet ik niet, dat zweer ik op het hoofd van mijn dochter.'Na de match op Beveren waren we kampioen en was er een groot feest in het Hilton Hotel in Brussel.'Ik was diep ontgoocheld en had geen zin om mee te gaan feesten, maar heb het toch gedaan voor de andere jongens. Iedereen had behoorlijk gedronken. Ik besloot nog eens de stad in te duiken. En toen heb ik veel geluk gehad. Ten eerste: ik had morsdood kunnen zijn. Met 150 kilometer per uur raakte ik een andere wagen en ik vloog door de voorruit. Ten tweede was de jongen die ik had aangereden niet zwaar gewond, hij had een arm en enkele ribben gebroken. Ten derde verbood de noodarts de politie om mijn bloed af te nemen omdat ik in levensgevaar was. Ten vierde trok het slachtoffer, die een Anderlechtsupporter was, zijn klacht in. En ten vijfde zat mijn vriendin Chantal niet in de wagen, anders was zij waarschijnlijk dood geweest. God heeft dus goed op mij gepast die dag. Ik was serieus toegetakeld in mijn gezicht. Toen ik voor de eerste keer de kleedkamer binnenkwam, dachten sommige spelers dat er een nieuwe aankoop was gebeurd. Ze herkenden mij niet direct! (lacht) Het tweede jaar bij Anderlecht was niet veel soeps: slechts vijf doelpunten. 'Ik had geen vertrouwen meer in Urbain Braems, hij kon mij niet meer motiveren. Hij heeft mij zelfs eens uitgenodigd bij hem thuis in Zottegem. Hij stak een hele preek af. Ik moest zogezegd mijn levensstijl veranderen, zelfs zijn vrouw begon tegen mij te zagen. Ik ben nooit zo veel op stap geweest als na dit gesprek. 'Ook had ik problemen met 'de dochter van Hitler', zoals ik mijn Duitse vrouw noemde. Zij had bekomen dat ik haar elke maand 750 euro onderhoudsgeld moest betalen, wat veel geld was in die tijd. 'Ik wilde dus weg uit België. Als ik had geweten dat Braems zou vertrekken op het einde van het seizoen en ik niet meer moest betalen aan Karin, dan was ik zeker in Anderlecht gebleven. In de Spaanse kranten stond dat Atlético Madrid interesse had in mij. Szusza, een Hongaar die ik nog gekend had bij Vasas Boedapest en die nu werkte voor Betis Sevilla, had dat ook gelezen en kwam naar Brussel. Hij deed mij een voorstel. Ik zou er veel meer verdienen dan bij paars-wit en, belangrijk voor mij, ik hoefde die Duitse niet meer te betalen. (lacht) Ik ben een week naar Sevilla gegaan, werd verliefd op de stad en tekende voor Betis.' In Betis was je razend populair. Nochtans waren je cijfers niet zo denderend: 17 doelpunten in 59 matchen in drie jaar. Of vergis ik mij? 'Dat is juist, maar ik maakte belangrijke goals. Ik maakte het enige doelpunt tegen Real Madrid in Bernabéu. Zo won Betis na vijftig jaar nog eens in Madrid met 0-1. Ik maakte als enige speler ooit drie goals in de stadsderby tegen FC Sevilla, Betis won met 3-1. Daar houden de Spaanse supporters van. Zo word je in Andalusië een legende. Ik ken topschutters die alleen maar scoren tegen kleine clubs en het liefst thuis.' (lacht) Na drie jaar ben je vertrokken bij Betis. Waarom? 'In het seizoen 1977/78 ben ik er weggegaan, ja. De club was gedegradeerd naar tweede klasse. Ik was 29 jaar en vond mij nog te jong om op dat niveau te gaan spelen. Ik vreesde voor een leegloop, maar die is er niet gekomen. Iedereen is toen gebleven, behalve ik. Dat was nu niet bepaald de slimste zet uit mijn carrière, want na één seizoen speelde Betis opnieuw in de Primera División en ik bij Kortrijk.' (lacht) Inderdaad, wat deed je in godsnaam bij Kortrijk? 'Dat kwam door Georges Heylens, die er trainer was. Ik moest een testmatch spelen met RWDM vooraleer ik een contract zou tekenen bij de Brusselaars. Heylens was daar aanwezig. Hij zei dat ik absoluut naar Kortrijk moest komen, want hij ging van Kortrijk een topclub maken en hij had mij daarvoor nodig. Ik heb hem geloofd en ben met hem vertrokken. Ik had direct gezien dat ze een slechte ploeg hadden. Na vijftien wedstrijden is Heylens dan ook buitengevlogen. Ik wilde het ook aftrappen, maar Georges raadde mij dat af, want anders zou ik mijn geld op mijn buik mogen schrijven.' 'Dat ook...' (lacht) Via Valenciennes ben je dan naar Toulouse gegaan. 'Daar ben ik Gille Van Binst tegengekomen. (lacht) In het begin van het seizoen heb ik brute pech gehad. Ik raakte geblesseerd aan mijn rechtervoet en was bijna drie maanden out. De topvorm heb ik daarna nooit meer gehaald. Ik moet eerlijk zijn en toegeven dat ik in die periode ook niet honderd procent voor mijn sport heb geleefd. Het Franse avontuur eindigde tijdens een receptie op het stadhuis van Toulouse. Ik had een hevige discussie met een topfunctionaris van de stad, de tweede in rang als ik mij het nog goed herinner. Het heeft niet veel gescheeld of ik had zijn bek dichtgetimmerd. Een paar dagen later werd onder druk van la mairie (het gemeentehuis, nvdr) beslist dat mijn contract niet werd verlengd en dat ik mijn huis zo vlug mogelijk moest verlaten.' Je ging uitbollen bij Amarante FC in de Portugese Segunda Divisão. 'Amarante ligt in de buurt van Porto. Men speelde daar nog op zand. (lacht) De natuur was er prachtig, de mensen waren er vriendelijk, het eten was er goed. Het was er dus aangenaam om te leven, maar het voetbal was er slecht! Het was tijd om te stoppen. In 1983 heb ik er een punt achter gezet en ben ik teruggekeerd naar Sevilla, waar ik een bar heb geopend.' Welk soort bar? 'Niet wat jij denkt, Gille.' (lacht) Daar is het serieus misgelopen. 'Dat is het minste wat je erover kan zeggen. Daar heb ik mijn leven verwoest door mijn eigen domme fout. Chantal was gaan shoppen in de stad, maar was vroeger terug dan verwacht. Toen ze binnenkwam, lag ik te rollebollen met de babysitter - ik kende niet eens haar naam. Chantal heeft haar valiezen gepakt en is samen met mijn dochter Cindy naar Brussel vertrokken. Daar zat ik dan alleen in Sevilla. Ik heb nog geprobeerd het goed te maken, maar dat ging niet meer. Bijna dagelijks denk ik er nog aan terug. 'Ik werd de beste klant in mijn eigen bar. Dagelijks dronk ik twintig pinten bier en 's nachts anderhalve fles J&B. Daarbij rookte ik drie pakken sigaretten. Die doffe ellende heeft vier jaar geduurd!' Je hebt daarna nog een restaurant gehad in Brussel. 'Ja, aan het Flageyplein, 'La maison d'Hongrie, chez Attila'. Na Chantal had ik Judit leren kennen, een Hongaarse. Samen openden we dat restaurant. Het was geen goudmijn, maar we trokken onze plan. Vijf jaar heb ik die zaak gehad. We serveerden een twintigtal dagschotels per dag. Dan is de vader van Judit plotseling overleden en haar moeder van tachtig jaar bleef alleen achter in Hongarije. Ik stelde voor dat ze naar België zou overkomen, maar dat wilde die oude niet. Judit wilde terug naar Boedapest. Het restaurant hebben we te goedkoop verkocht, want alles moest veel te snel gaan. 'Met het geld kochten we een klein huisje in Boedapest. Ik kreeg er natuurlijk de schoonmoeder gratis bij. Dat oude kreng moeide zich met van alles en nog wat. Op een moment was ik het kotsbeu en schreeuwde naar Judit: 'Als die oude taart nu haar smoel niet houdt, dan ga ik een pistool kopen en schiet haar een kogel door het hoofd. In de gevangenis zal ik in elk geval rust hebben.' Judit pakte haar moeder onder haar arm en verdween uit mijn leven.' Wat doe je nu? 'Niks. Ik heb geen uitkering of pensioen, mijn inkomsten zijn nul. Ik woon nu al zeventien jaar samen met Agnes, die een kleine kledingboetiek heeft in Boedapest. Daar moeten we het mee doen, het is niet gemakkelijk, maar ik ben gelukkig. Mocht ik die vrouw niet hebben gehad, dan was ik nu al gestorven van de honger.' (lacht)Voor wie heb jij gesupporterd tijdens de match België-Hongarije op het EK?'Ik ben een realist. Voor de wedstrijd wist ik al dat de Hongaren kansloos waren tegen België. Maar ik blijf een Magyar in mijn hart, nochtans zie ik jullie Belgen ook heel graag!' Gille Van Binst