Deze foute bewering is gebaseerd op een simplistische en eenzijdige geografische studie, in de stijl van:

Een profclub heeft een hinterland van minimaal 2000 m2 nodig, België is maar 30 600 m2 groot, en 30 600 gedeeld door 2000 is 15,3 en dat is kleiner dan 18.

Dit geografisch simplisme gaat volledig voorbij aan elke ernstige financieel-economische analyse van sporteconomen. Het aantal profclubs dat financieel kan overleven in België hangt ook af van de bevolkingsdichtheid, het welvaartsniveau en van de populariteit van voetbal (de vraagzijde), en van het management van de clubs (de aanbodzijde).

In België is voetbal populairder dan in de grote vijf voetballanden; Engeland, Duitsland, Spanje, Italië en Frankrijk. Op basis van het gemiddeld aantal toeschouwers per capita en per wedstrijd in hoogste klasse doen enkel Schotland, Zwitserland en enkele Scandinavische landen beter dan België.

Even kortzichtig is het om het aantal financieel leefbare profclubs in België te bepalen op basis van de financiële problemen van de Belgische profclubs. Op basis van deze maatstaf moeten ook verlieslatende en met schulden overladen clubs als Manchester United, Atlético Madrid, Valencia, Benfica, AC Milan en AS Roma terug naar het amateurvoetbal !

België te klein voor 18 clubs? Fake news.

De financiële toestand van een club hangt ook af van de kwaliteit, of het gebrek aan kwaliteit, van het clubmanagement. Voetbalmanagers geven meer geld uit dan zij ter beschikking hebben, vooral door de betaling van veel te hoge spelerslonen in de ratrace voor het behoud of de aanwerving van de beste spelers. Het gemiddeld bruto jaarloon van een Belgische voetballer in hoogste klasse is meer dan 330.000 euro per jaar! Dat is hoger dan het loon van de eerste minister of van de Franse president.

Het is wetenschappelijk aangetoond dat voetballers in België overbetaald zijn, hetgeen betekent dat hun loon veel hoger is dan hun productiviteit (zie Kesenne, 2010). De spelers kan je dit niet kwalijk nemen, het zijn de clubmanagers, gedreven door emotie in plaats van gezond verstand, die deze onverantwoord hoge lonen betalen, en dus verantwoordelijk zijn voor de financiële problemen.

Eenvoudig de tering naar de nering zetten, zoals elke goede huisvader moet doen met zijn gezinsinkomen, blijkt echter voor Belgische clubmanagers te moeilijk, ook al beschikken bijna alle Belgische profclubs over een jaarlijks budget van minstens vijf miljoen euro.

De financiële toestand van een club hangt ook af van de kwaliteit, of het gebrek aan kwaliteit, van het clubmanagement.

Een eenvoudige berekening leert dat een profclub met een jaarlijks budget van vijf miljoen euro financieel leefbaar is. Met een team van 26 profvoetballers, die gemiddeld een brutoloon van 120.000 euro per jaar wordt betaald, kom je uit bij een jaarlijkse spelerskost van zowat 3,2 miljoen euro. Rekening houdend met een gezonde loon/budget ratio (wage-turnover ratio) van 67 % is een profclub financieel leefbaar met een jaarlijks budget van 4,7 miljoen euro.

Met een ratio van 67 % zijn we dan heel lief voor het clubmanagement, want zowat alle Belgische profclubs hebben, dankzij verborgen overheidssubsidies, een veel hogere loon/budget ratio, tot zelfs 90 %. In dat geval zou zelfs een budget van 3,5 miljoen voldoende zijn. Er lopen ongetwijfeld meer dan genoeg voetballers rond die voor 120.000 euro per jaar profvoetballer willen worden, maar Lionel Messi of Kevin De Bruyne kan je daarmee niet strikken.

Het is een illusie dat Belgische voetbalclubs kunnen concurreren met clubs van de Premier League, de Bundesliga of de Spaanse liga. Bij die realiteit moeten kleine landen zich helaas neerleggen, zolang de UEFA niets onderneemt zoals een doorgedreven internationale opbrengstendeling of de creatie van een open Europese productmarkt voor voetbal na de opening van de Europese spelersmarkt door Bosman in 1995 (zie Kesenne, 2007).

Sporteconomen hebben ook reeds aangetoond dat een reguliere competitie met 20 profclubs in België de sociaal-optimale competitievorm is, waarbij de totale opbrengsten van de profliga maximaal zijn.

Er lopen ongetwijfeld meer dan genoeg voetballers rond die voor 120.000 euro per jaar profvoetballer willen worden.

De redenering gaat als hierbij volgt: met n clubs telt een reguliere competitie n(n-1) wedstrijden. Gesteld dat de aantrekkelijkheid van een kampioenschap met veel kleine clubs en veel oninteressante wedstrijden sterk afneemt, dan daalt ook de gemiddelde opbrengst per wedstrijd (y). Als deze afname verloopt volgens de formule y = 150 - 5 n , dan betekent dit dat y = 100 is met 10 clubs, 30% lager met 16 clubs, en zelfs 50% lager met 20 clubs. De totale opbrengst van de liga (Z) is dan het product van het aantal wedstrijden en de gemiddelde opbrengst per wedstrijd, Z = n(n-1)(150-5n) = 155n2 -5n3-150n

Een liga, die tracht de gemiddelde opbrengst per club te optimaliseren, hetgeen vooral in het voordeel is van de grote clubs, zoekt het aantal clubs waarbij Z/n = 155n-5n2-150 maximaal is. Dit aantal kan gevonden worden met behulp van de eerste orde-voorwaarde voor een maximum: d(Z/n)/dn = 155 -10 n = 0 zodat n* = 15.5 Afgerond naar het dichts bijgelegen even aantal clubs is n* = 16.

Dit is precies het aantal clubs waarvoor de profliga in België een paar jaar geleden opteerde.

Op basis van dit zeer nadelig effect van meer kleine clubs in hoogste klasse, kunnen we ook peilen naar het sociaal-economisch optimum, d.i. het aantal clubs dat de totale opbrengst van de liga (Z) maximaliseert. Hierbij wordt niet alleen rekening gehouden met de belangen van de (grote) clubs, maar ook met het consumentensurplus van supporters. Uiteindelijk zijn het toeschouwers die voor de middelen zorgen waarmee het profvoetbal kan overleven.

De voorwaarde voor een maximum is nu dat d(Z/n)/dn = 310n-15n2-150 = 0. De oplossing van deze kwadratische functie is dat n* = 20. Bij meer of minder clubs is de totale opbrengst van de profliga lager (zie Kesenne, 2009).

Bijgevolg is 20 profclubs in een reguliere competitie, en dat zonder play-offs, optimaal voor het Belgisch voetbal. Play-offs creëren immers voetbaldynastieën met steeds dezelfde grote clubs die jarenlang de competitie domineren. Het is ook al aangetoond dat het bestaan van deze voetbaldynastieën de publieke belangstelling sterk reduceert (zie Kesenne, 2020).

Referenties

- Kesenne S. (2007), "The Peculiar International Economics of Professional Football in Europe", Scottish Journal of Political Economy 54(3), 388-400

- Kesenne S. (2009) "The Optimal size of a Sports League." International Journal of Sport Finance 4(4), 264-270.

- Kesenne S. (2010) "The Financial Situation of Football Clubs in de Belgian Jupiler League; Are Players Overpaid in a Win-maximization League?" International Journal of Sport Finance 5(1), 67-71.

- Kesenne S. (2020) "Do Football Spectators like Dynasties? Long-term uncertainty and stadium attendances" in: Placido Rodriguez, Stefan Kesenne, Brad Humphreys (eds), Outcome Uncertainty in Sporting Events, Winning, Losing and Competitive Balance, Northampton, Mass, E. Elgar Publ. p. 135-40.

Deze foute bewering is gebaseerd op een simplistische en eenzijdige geografische studie, in de stijl van:Een profclub heeft een hinterland van minimaal 2000 m2 nodig, België is maar 30 600 m2 groot, en 30 600 gedeeld door 2000 is 15,3 en dat is kleiner dan 18.Dit geografisch simplisme gaat volledig voorbij aan elke ernstige financieel-economische analyse van sporteconomen. Het aantal profclubs dat financieel kan overleven in België hangt ook af van de bevolkingsdichtheid, het welvaartsniveau en van de populariteit van voetbal (de vraagzijde), en van het management van de clubs (de aanbodzijde).In België is voetbal populairder dan in de grote vijf voetballanden; Engeland, Duitsland, Spanje, Italië en Frankrijk. Op basis van het gemiddeld aantal toeschouwers per capita en per wedstrijd in hoogste klasse doen enkel Schotland, Zwitserland en enkele Scandinavische landen beter dan België.Even kortzichtig is het om het aantal financieel leefbare profclubs in België te bepalen op basis van de financiële problemen van de Belgische profclubs. Op basis van deze maatstaf moeten ook verlieslatende en met schulden overladen clubs als Manchester United, Atlético Madrid, Valencia, Benfica, AC Milan en AS Roma terug naar het amateurvoetbal !De financiële toestand van een club hangt ook af van de kwaliteit, of het gebrek aan kwaliteit, van het clubmanagement. Voetbalmanagers geven meer geld uit dan zij ter beschikking hebben, vooral door de betaling van veel te hoge spelerslonen in de ratrace voor het behoud of de aanwerving van de beste spelers. Het gemiddeld bruto jaarloon van een Belgische voetballer in hoogste klasse is meer dan 330.000 euro per jaar! Dat is hoger dan het loon van de eerste minister of van de Franse president. Het is wetenschappelijk aangetoond dat voetballers in België overbetaald zijn, hetgeen betekent dat hun loon veel hoger is dan hun productiviteit (zie Kesenne, 2010). De spelers kan je dit niet kwalijk nemen, het zijn de clubmanagers, gedreven door emotie in plaats van gezond verstand, die deze onverantwoord hoge lonen betalen, en dus verantwoordelijk zijn voor de financiële problemen. Eenvoudig de tering naar de nering zetten, zoals elke goede huisvader moet doen met zijn gezinsinkomen, blijkt echter voor Belgische clubmanagers te moeilijk, ook al beschikken bijna alle Belgische profclubs over een jaarlijks budget van minstens vijf miljoen euro.Een eenvoudige berekening leert dat een profclub met een jaarlijks budget van vijf miljoen euro financieel leefbaar is. Met een team van 26 profvoetballers, die gemiddeld een brutoloon van 120.000 euro per jaar wordt betaald, kom je uit bij een jaarlijkse spelerskost van zowat 3,2 miljoen euro. Rekening houdend met een gezonde loon/budget ratio (wage-turnover ratio) van 67 % is een profclub financieel leefbaar met een jaarlijks budget van 4,7 miljoen euro. Met een ratio van 67 % zijn we dan heel lief voor het clubmanagement, want zowat alle Belgische profclubs hebben, dankzij verborgen overheidssubsidies, een veel hogere loon/budget ratio, tot zelfs 90 %. In dat geval zou zelfs een budget van 3,5 miljoen voldoende zijn. Er lopen ongetwijfeld meer dan genoeg voetballers rond die voor 120.000 euro per jaar profvoetballer willen worden, maar Lionel Messi of Kevin De Bruyne kan je daarmee niet strikken. Het is een illusie dat Belgische voetbalclubs kunnen concurreren met clubs van de Premier League, de Bundesliga of de Spaanse liga. Bij die realiteit moeten kleine landen zich helaas neerleggen, zolang de UEFA niets onderneemt zoals een doorgedreven internationale opbrengstendeling of de creatie van een open Europese productmarkt voor voetbal na de opening van de Europese spelersmarkt door Bosman in 1995 (zie Kesenne, 2007).Sporteconomen hebben ook reeds aangetoond dat een reguliere competitie met 20 profclubs in België de sociaal-optimale competitievorm is, waarbij de totale opbrengsten van de profliga maximaal zijn.De redenering gaat als hierbij volgt: met n clubs telt een reguliere competitie n(n-1) wedstrijden. Gesteld dat de aantrekkelijkheid van een kampioenschap met veel kleine clubs en veel oninteressante wedstrijden sterk afneemt, dan daalt ook de gemiddelde opbrengst per wedstrijd (y). Als deze afname verloopt volgens de formule y = 150 - 5 n , dan betekent dit dat y = 100 is met 10 clubs, 30% lager met 16 clubs, en zelfs 50% lager met 20 clubs. De totale opbrengst van de liga (Z) is dan het product van het aantal wedstrijden en de gemiddelde opbrengst per wedstrijd, Z = n(n-1)(150-5n) = 155n2 -5n3-150nEen liga, die tracht de gemiddelde opbrengst per club te optimaliseren, hetgeen vooral in het voordeel is van de grote clubs, zoekt het aantal clubs waarbij Z/n = 155n-5n2-150 maximaal is. Dit aantal kan gevonden worden met behulp van de eerste orde-voorwaarde voor een maximum: d(Z/n)/dn = 155 -10 n = 0 zodat n* = 15.5 Afgerond naar het dichts bijgelegen even aantal clubs is n* = 16. Dit is precies het aantal clubs waarvoor de profliga in België een paar jaar geleden opteerde. Op basis van dit zeer nadelig effect van meer kleine clubs in hoogste klasse, kunnen we ook peilen naar het sociaal-economisch optimum, d.i. het aantal clubs dat de totale opbrengst van de liga (Z) maximaliseert. Hierbij wordt niet alleen rekening gehouden met de belangen van de (grote) clubs, maar ook met het consumentensurplus van supporters. Uiteindelijk zijn het toeschouwers die voor de middelen zorgen waarmee het profvoetbal kan overleven.De voorwaarde voor een maximum is nu dat d(Z/n)/dn = 310n-15n2-150 = 0. De oplossing van deze kwadratische functie is dat n* = 20. Bij meer of minder clubs is de totale opbrengst van de profliga lager (zie Kesenne, 2009).Bijgevolg is 20 profclubs in een reguliere competitie, en dat zonder play-offs, optimaal voor het Belgisch voetbal. Play-offs creëren immers voetbaldynastieën met steeds dezelfde grote clubs die jarenlang de competitie domineren. Het is ook al aangetoond dat het bestaan van deze voetbaldynastieën de publieke belangstelling sterk reduceert (zie Kesenne, 2020).