Bruno Dubois jaagt zich op: 'In een Franstalige krant las ik zelfs al eens iets over een voetballer die zijn volgende cape zou behalen. Waar had die man het over? Over mantels? Zelfs sommige journalisten weten blijkbaar niet meer dat we spreken over een cap en dat dat het Engelse woord is voor pet.' Dubois is voorzitter van Foot 100, een vzw die zich verdiept in de geschiedenis van het Belgische voetbal. 'Vanaf de eerste officiële match van België, in 1904, ontving elke Rode Duivel een cap - een echte pet dus - per interland waarin hij had meegespeeld. Dat gebruik waaide over uit Engeland.'

Mutske met etoillekes

Dat petje raakte ik intussen kwijt, daar heb ik spijt van.

Jan Ceulemans

Vorig jaar kwam de fysieke cap voor het eerst sinds lang nog eens onder de aandacht in België toen Jan Vertonghen tegen Portugal zijn honderdste wedstrijd voor de Rode Duivels speelde. Voor de gelegenheid kreeg hij daarbij nog eens zo'n ouderwets petje cadeau van de voetbalbond. Zijn moeder overhandigde het hem. Enkele maanden later ontving ook Axel Witsel voor zijn honderdste cap zo'n petje.

Vóór de huldigingen van Vertonghen en Witsel was het 29 jaar geleden dat zo'n fysieke cap publiekelijk de aandacht trok: bij de match die de Rode Duivels op 23 augustus 1989 tegen Denemarken speelden. Die dag gaf Paul Van Himst de fakkel van recordinternational door aan Jan Ceulemans. Toen kreeg de Caje zijn petje uit de handen van Michel D'Hooghe, de toenmalige bondsvoorzitter. Op de klep van de pet stond: 1977, het jaar van de eerste interland van Sterke Jan. Erboven waren 82 sterretjes geborduurd, één per gespeelde interland. Ceulemans herinnert zich die overhandiging nog. 'Maar dat petje raakte ik intussen kwijt, daar heb ik spijt van.' Ook alle herinneringen aan hoe het systeem met de petjes vroeger precies werkte, is hij kwijt. En blijkbaar is Ceulemans niet de enige ex-international die weinig kan vertellen over de cap-traditie. Danny Veyt, die 12 caps verzamelde in de jaren tachtig, hoort het in Keulen donderen: 'Waar kon je die petjes krijgen? Het zegt me niks.' Franky Van der Elst, 86-voudig international: 'Of ik er zelf ooit één gekregen heb? Ik durf niet ja of nee te zeggen.'

Van Himst herinnert zich zijn cap wel nog. Maar enthousiasme ontlokt die pet hem niet: 'Ik denk dat ze hier ergens in een kast ligt. Of ik daar als speler waarde aan hechtte? Bah ja, wat erbij kwam, kwam erbij.' Pas de vijfde ex-international die zijn telefoon opneemt, gaat de lyrische toer op. Het is Georges Heylens, 67-voudig Rode Duivel in de jaren zestig en zeventig. 'Mijn mutske met die etoillekes heeft altijd in mijn sportwinkel gestaan, zodat de klanten het konden zien. Nu blinkt het hier in mijn salon. Van mijn periode bij de nationale ploeg heb ik bijna niets meer, al mijn truitjes gaf ik weg, maar dat mutske heb ik gehouden. In de jaren zestig moesten wij het elk jaar opsturen naar de bond, om er sterren te laten bijzetten. Wat later mochten alle internationals naar een feest in Brussel; daar kregen we onder luid applaus ons bijgewerkte mutske terug van de bondsvoorzitter.'

Een lelijke bal

Ex-bondsmedewerkers die de caps nog van nabij meemaakten, zijn blijkbaar zeldzaam geworden. Een lange zoektocht leidt uiteindelijk naar Christian Vandenborne. Hij werkte van 1975 tot 1994 bij de bond, een grote tijd als afgevaardigde van de Rode Duivels. Feestelijke uitreikingen van de caps waren er in de jaren zeventig en tachtig niet meer, vertelt hij, maar Vandenborne hield de petjestraditie naar eigen zeggen wel secuur in ere. 'In augustus liet ik de petjes maken voor de nieuwe internationals van het voorbije seizoen. Naar de jongens die eerder al international geweest waren, verzond ik een brief met de vraag om bij de eerste training van het nieuwe seizoen hun petje mee te brengen of om het op te sturen. Met de petjes die ik kreeg, trok ik naar een winkel in Brussel die het juiste aantal sterretjes erop zette.' Vreemd dat mannen als Ceulemans en Van der Elst zich daar niks van herinneren. Vandenborne: 'Tja, als speler focus je vaak op andere zaken. Maar als zulke gasten na vijf jaar hun petje dan toch eens meebrachten, liet ik het volledig à jour zetten; dan kwamen er soms 25 sterren in één keer bij.'

Jan Vertonghen wordt gefeliciteerd op zijn honderdste cap op 2 juni 2018, Belga
Jan Vertonghen wordt gefeliciteerd op zijn honderdste cap op 2 juni 2018 © Belga

De textielwinkel die zich met de caps bezighield, ligt in de Gailletstraat in Brussel. Daar kraakt het geheugen van de dame die de telefoon opneemt. Maar na enkele minuten herinnert ze zich de caps. 'Die klakken werden gemaakt in de Hoogstraat, in La Chapellerie Raymond. Ik borduurde de bal en de sterren erop. Maar die bal was erg moche; je zag amper dat het een bal was. Ik stelde eens een ander, duidelijker model voor, maar de bond wilde de traditie niet veranderen.'

Cap op kist

Vandenborne blijft vooral de cap van Ludo Coeck bij. 'Toen die in 1985 was verongelukt, kwam de familie zijn petje brengen om het volledig in orde te laten zetten. Ze wilden zijn cap op de kist leggen. Bij verscheidene voetballers zag ik ook hoe ze achteraf meer belang hechtten aan dat petje dan toen ze nog speelden; het gebeurde meer dan eens dat spelers na hun carrière plots met dat petje afkwamen. Ik liet er dan alle verdiende sterren opzetten, want ze hadden daar recht op.' Dat recht stond zelfs gebeiteld in het bondsreglement.

Wanneer de traditie met de fysieke petten ophield, blijkt niet makkelijk te achterhalen. Vandenborne zegt dat hij ermee bezig bleef tot hij stopte als afgevaardigde, in 1994. 'De traditie van de caps is ook doorgegeven aan mijn opvolgers.' Maar de eerste opvolger van Vandenborne sukkelt zo met zijn gezondheid dat een interviewtje onmogelijk is en zijn tweede opvolger is al overleden. De volgende afgevaardigde werd Piet Erauw, de man die nu team manager is bij de Rode Duivels. 'Mij is nooit iets gevraagd over die petten,' zegt hij. In 2001 is er wel zeker nog een gemaakt voor Michel D'Hooghe, die dat jaar afzwaaide als bondsvoorzitter. 'Ik kreeg een cap met veertien sterren cadeau,' zegt hij, 'want ik was veertien jaar bondsvoorzitter geweest.'

Kort na de eeuwwisseling zakte de interesse van de Rode Duivels voor de petjes helemaal weg, volledig in navolging van de prestaties van de nationale ploeg. Voetbalhistoricus Dirk Willocx ving op dat een bondsmedewerker in die periode een telefoontje zou gekregen hebben van Rode Duivel Emile Mpenza. Die zou hem iets toegesnauwd hebben in de trant van: 'Weten jullie wel hoeveel ik in Duitsland verdien? Met dat geld kan ik elke dag een massa klakskes kopen.' Ook Michaël Bellon verwijst naar die anekdote in zijn boek Tricolore Truien. Maar geen enkele ex-bondsmedewerker kan dat verhaal vandaag bevestigen, dus blijft onduidelijk of Mpenza voor de spreekwoordelijke druppel zorgde. Dubois houdt het bij een simpelere uitleg: 'Men is er gewoon mee opgehouden omdat de fabriek die de caps maakte haar deuren sloot.' La chapellerie Raymond ging dicht in maart 2004. De dame van de textielwinkel in de Brusselse Gailletstraat is intussen eens in haar boekhouding gedoken. Zij zegt dat ze de laatste sterretjes op de cap van een Rode Duivel zette in juni 2006. Grappig genoeg bleef de passage over de caps wel tot 2014 in het bondsreglement staan.

Men is er gewoon mee opgehouden omdat de fabriek die de caps maakte haar deuren sloot.

Michaël Bellon

Gouden cap

In tegenstelling tot België reiken Engeland en Schotland nog altijd caps uit. De gewoonte om per interland een nieuwe ster op dezelfde cap te zetten, kennen de Engelsen niet; een international krijgt er elk jaar enkele nieuwe caps bij. Vandaar ook de uitdrukking dat een speler x caps heeft. Toch vond men ook aan de andere kant van het Kanaal een manier om geld te besparen: bij EK's en WK's geeft men nog maar één cap voor het hele toernooi. Maar wanneer een international in Engeland de kaap van de honderd caps rondt, mag het dan weer wél wat kosten: de zogenaamde centurions krijgen een gouden cap in een glazen kist. Ook de Europese voetbalbond UEFA introduceerde in 2011 weer de uitreiking van een cap voor spelers die de kaap van de 100 caps overschrijden.

'De meeste landen in de wereld gebruiken de benaming caps, maar hadden nooit de connectie met een echt petje,' zegt voetbalhistoricus Willocx. 'België wel. Daarom is het extra jammer dat de cap hier verdwenen is. Stel je voor dat al onze huidige Rode Duivels nog eens samen zouden kunnen poseren met zo'n petje. Met één beeld zouden ze aan de hele wereld uitleggen waar de term cap vandaan komt. Dat zou toch een fantastische stunt zijn?'

De geschiedenis van de cap

Brits historicus Guy Oliver, verbonden aan het museum van de wereldvoetbalbond FIFA, keert voor het begin van het capsverhaal terug naar het midden van de 19e eeuw en naar de public schools, de prestigieuze privéscholen, waar een pet bij het uniform hoorde. 'De cap komt in 1845 al voor in de voetbalregels van de Rugby School (kostschool in het plaatsje Rugby, nvdr). Op zulke scholen waren de leerlingen verdeeld in verschillende houses. Iedereen droeg hetzelfde uniform; alleen de pet verschilde per house. Als twee houses in een sportwedstrijd tegen mekaar speelden, kon je aan de pet zien wie bij welk team hoorde.'

Maar de cap was niet enkel iets van de elite, benadrukt Richard McBrearty, curator van het Scottish Football Museum: 'In de jaren veertig en vijftig van de 19e eeuw was er ook de British League of Juvenile Abstainers, een organisatie die jonge mensen uit de lagere klassen ervan wou weerhouden om alcohol te drinken. Als daar twee teams tegen mekaar voetbalden, droeg de ene ploeg petjes en de andere niet. Je zag de caps dus evengoed bij jongens van de werkende klasse.'

In de beginperiode van het club- en interlandvoetbal bleef de cap een hulpmiddel om te zien wie bij welk team hoorde; het was toen nog niet zo dat spelers van eenzelfde voetbalteam per definitie eenzelfde outfit droegen. Ook op tekeningen van de eerste interland die ooit gespeeld werd volgens de regels van de Football Association, in 1872, is te zien dat Engelse spelers een pet dragen, terwijl de Schotse spelers staan afgebeeld met een traditionele monnikskap. Peter Holme, collections officer in het Engelse National Football Museum, gaat er wel van uit dat rond die tijd de gewoonte is verdwenen om een hoofddeksel te dragen tíjdens een voetbalmatch, vanwege de intrede van het koppen op de bal.

In welke sport de cap voor het eerst opdook, is onduidelijk. Oliver gokt op cricket, 'de belangrijkste sport in Engeland in de 19e eeuw.' Maar de leerlingen op de public schools kwamen vaak uit aristocratische families. 'En daarin had paardrennen een prominente plaats. Mogelijk was er ook een invloed uit die hoek.'

Op public schools ontstond al vroeg het gebruik om speciale caps toe te kennen aan sporters die uitblonken, geeft Holme nog mee. Zo ontstond ook het idee om spelers een cap te geven als erkenning omdat ze hun land vertegenwoordigden. McBrearty: 'Voor zover we weten, waren de Schotten de eersten die dat deden, in 1882.' Vier jaar later werd de traditie ook in Engeland ingevoerd, op aansturen van N. Lane Jackson. Hij was de oprichter van de Corinthians, dé amateurvoetbalclub toen, waar spelers ook een clubcap hadden.

Dat de cap overwaaide naar België, is niet onlogisch: de Engelsen introduceerden hier het voetbal. In de eerste interlands van België speelden zelfs Engelsen mee aan de zijde van België. In 1901 vond de eerste officieuze interland plaats, tegen Nederland. Op een foto van het 'Belgische' elftal van die dag is de Engelsman Herbert Potts de enige die een cap draagt. Spelers waren in die tijd bijzonder fier op caps die ze hadden ontvangen en pronkten er dus graag mee. Op de ploegfoto die bij de tweede officieuze interland hoort - in 1902, weer tegen Nederland - dragen plots bijna alle spelers een cap. Een traditie is geboren, eigenlijk dus nog vóór België zijn eerste officiële interland speelde.

Dit is een bewerking van een verhaal dat op 17 mei 2018 is verschenen in een special van Sport/Voetbalmagazine over de Rode Duivels.

Bruno Dubois jaagt zich op: 'In een Franstalige krant las ik zelfs al eens iets over een voetballer die zijn volgende cape zou behalen. Waar had die man het over? Over mantels? Zelfs sommige journalisten weten blijkbaar niet meer dat we spreken over een cap en dat dat het Engelse woord is voor pet.' Dubois is voorzitter van Foot 100, een vzw die zich verdiept in de geschiedenis van het Belgische voetbal. 'Vanaf de eerste officiële match van België, in 1904, ontving elke Rode Duivel een cap - een echte pet dus - per interland waarin hij had meegespeeld. Dat gebruik waaide over uit Engeland.'Vorig jaar kwam de fysieke cap voor het eerst sinds lang nog eens onder de aandacht in België toen Jan Vertonghen tegen Portugal zijn honderdste wedstrijd voor de Rode Duivels speelde. Voor de gelegenheid kreeg hij daarbij nog eens zo'n ouderwets petje cadeau van de voetbalbond. Zijn moeder overhandigde het hem. Enkele maanden later ontving ook Axel Witsel voor zijn honderdste cap zo'n petje. Vóór de huldigingen van Vertonghen en Witsel was het 29 jaar geleden dat zo'n fysieke cap publiekelijk de aandacht trok: bij de match die de Rode Duivels op 23 augustus 1989 tegen Denemarken speelden. Die dag gaf Paul Van Himst de fakkel van recordinternational door aan Jan Ceulemans. Toen kreeg de Caje zijn petje uit de handen van Michel D'Hooghe, de toenmalige bondsvoorzitter. Op de klep van de pet stond: 1977, het jaar van de eerste interland van Sterke Jan. Erboven waren 82 sterretjes geborduurd, één per gespeelde interland. Ceulemans herinnert zich die overhandiging nog. 'Maar dat petje raakte ik intussen kwijt, daar heb ik spijt van.' Ook alle herinneringen aan hoe het systeem met de petjes vroeger precies werkte, is hij kwijt. En blijkbaar is Ceulemans niet de enige ex-international die weinig kan vertellen over de cap-traditie. Danny Veyt, die 12 caps verzamelde in de jaren tachtig, hoort het in Keulen donderen: 'Waar kon je die petjes krijgen? Het zegt me niks.' Franky Van der Elst, 86-voudig international: 'Of ik er zelf ooit één gekregen heb? Ik durf niet ja of nee te zeggen.' Van Himst herinnert zich zijn cap wel nog. Maar enthousiasme ontlokt die pet hem niet: 'Ik denk dat ze hier ergens in een kast ligt. Of ik daar als speler waarde aan hechtte? Bah ja, wat erbij kwam, kwam erbij.' Pas de vijfde ex-international die zijn telefoon opneemt, gaat de lyrische toer op. Het is Georges Heylens, 67-voudig Rode Duivel in de jaren zestig en zeventig. 'Mijn mutske met die etoillekes heeft altijd in mijn sportwinkel gestaan, zodat de klanten het konden zien. Nu blinkt het hier in mijn salon. Van mijn periode bij de nationale ploeg heb ik bijna niets meer, al mijn truitjes gaf ik weg, maar dat mutske heb ik gehouden. In de jaren zestig moesten wij het elk jaar opsturen naar de bond, om er sterren te laten bijzetten. Wat later mochten alle internationals naar een feest in Brussel; daar kregen we onder luid applaus ons bijgewerkte mutske terug van de bondsvoorzitter.'Ex-bondsmedewerkers die de caps nog van nabij meemaakten, zijn blijkbaar zeldzaam geworden. Een lange zoektocht leidt uiteindelijk naar Christian Vandenborne. Hij werkte van 1975 tot 1994 bij de bond, een grote tijd als afgevaardigde van de Rode Duivels. Feestelijke uitreikingen van de caps waren er in de jaren zeventig en tachtig niet meer, vertelt hij, maar Vandenborne hield de petjestraditie naar eigen zeggen wel secuur in ere. 'In augustus liet ik de petjes maken voor de nieuwe internationals van het voorbije seizoen. Naar de jongens die eerder al international geweest waren, verzond ik een brief met de vraag om bij de eerste training van het nieuwe seizoen hun petje mee te brengen of om het op te sturen. Met de petjes die ik kreeg, trok ik naar een winkel in Brussel die het juiste aantal sterretjes erop zette.' Vreemd dat mannen als Ceulemans en Van der Elst zich daar niks van herinneren. Vandenborne: 'Tja, als speler focus je vaak op andere zaken. Maar als zulke gasten na vijf jaar hun petje dan toch eens meebrachten, liet ik het volledig à jour zetten; dan kwamen er soms 25 sterren in één keer bij.' De textielwinkel die zich met de caps bezighield, ligt in de Gailletstraat in Brussel. Daar kraakt het geheugen van de dame die de telefoon opneemt. Maar na enkele minuten herinnert ze zich de caps. 'Die klakken werden gemaakt in de Hoogstraat, in La Chapellerie Raymond. Ik borduurde de bal en de sterren erop. Maar die bal was erg moche; je zag amper dat het een bal was. Ik stelde eens een ander, duidelijker model voor, maar de bond wilde de traditie niet veranderen.'Vandenborne blijft vooral de cap van Ludo Coeck bij. 'Toen die in 1985 was verongelukt, kwam de familie zijn petje brengen om het volledig in orde te laten zetten. Ze wilden zijn cap op de kist leggen. Bij verscheidene voetballers zag ik ook hoe ze achteraf meer belang hechtten aan dat petje dan toen ze nog speelden; het gebeurde meer dan eens dat spelers na hun carrière plots met dat petje afkwamen. Ik liet er dan alle verdiende sterren opzetten, want ze hadden daar recht op.' Dat recht stond zelfs gebeiteld in het bondsreglement. Wanneer de traditie met de fysieke petten ophield, blijkt niet makkelijk te achterhalen. Vandenborne zegt dat hij ermee bezig bleef tot hij stopte als afgevaardigde, in 1994. 'De traditie van de caps is ook doorgegeven aan mijn opvolgers.' Maar de eerste opvolger van Vandenborne sukkelt zo met zijn gezondheid dat een interviewtje onmogelijk is en zijn tweede opvolger is al overleden. De volgende afgevaardigde werd Piet Erauw, de man die nu team manager is bij de Rode Duivels. 'Mij is nooit iets gevraagd over die petten,' zegt hij. In 2001 is er wel zeker nog een gemaakt voor Michel D'Hooghe, die dat jaar afzwaaide als bondsvoorzitter. 'Ik kreeg een cap met veertien sterren cadeau,' zegt hij, 'want ik was veertien jaar bondsvoorzitter geweest.'Kort na de eeuwwisseling zakte de interesse van de Rode Duivels voor de petjes helemaal weg, volledig in navolging van de prestaties van de nationale ploeg. Voetbalhistoricus Dirk Willocx ving op dat een bondsmedewerker in die periode een telefoontje zou gekregen hebben van Rode Duivel Emile Mpenza. Die zou hem iets toegesnauwd hebben in de trant van: 'Weten jullie wel hoeveel ik in Duitsland verdien? Met dat geld kan ik elke dag een massa klakskes kopen.' Ook Michaël Bellon verwijst naar die anekdote in zijn boek Tricolore Truien. Maar geen enkele ex-bondsmedewerker kan dat verhaal vandaag bevestigen, dus blijft onduidelijk of Mpenza voor de spreekwoordelijke druppel zorgde. Dubois houdt het bij een simpelere uitleg: 'Men is er gewoon mee opgehouden omdat de fabriek die de caps maakte haar deuren sloot.' La chapellerie Raymond ging dicht in maart 2004. De dame van de textielwinkel in de Brusselse Gailletstraat is intussen eens in haar boekhouding gedoken. Zij zegt dat ze de laatste sterretjes op de cap van een Rode Duivel zette in juni 2006. Grappig genoeg bleef de passage over de caps wel tot 2014 in het bondsreglement staan. In tegenstelling tot België reiken Engeland en Schotland nog altijd caps uit. De gewoonte om per interland een nieuwe ster op dezelfde cap te zetten, kennen de Engelsen niet; een international krijgt er elk jaar enkele nieuwe caps bij. Vandaar ook de uitdrukking dat een speler x caps heeft. Toch vond men ook aan de andere kant van het Kanaal een manier om geld te besparen: bij EK's en WK's geeft men nog maar één cap voor het hele toernooi. Maar wanneer een international in Engeland de kaap van de honderd caps rondt, mag het dan weer wél wat kosten: de zogenaamde centurions krijgen een gouden cap in een glazen kist. Ook de Europese voetbalbond UEFA introduceerde in 2011 weer de uitreiking van een cap voor spelers die de kaap van de 100 caps overschrijden. 'De meeste landen in de wereld gebruiken de benaming caps, maar hadden nooit de connectie met een echt petje,' zegt voetbalhistoricus Willocx. 'België wel. Daarom is het extra jammer dat de cap hier verdwenen is. Stel je voor dat al onze huidige Rode Duivels nog eens samen zouden kunnen poseren met zo'n petje. Met één beeld zouden ze aan de hele wereld uitleggen waar de term cap vandaan komt. Dat zou toch een fantastische stunt zijn?' Dit is een bewerking van een verhaal dat op 17 mei 2018 is verschenen in een special van Sport/Voetbalmagazine over de Rode Duivels.