Kwalificatie voor een EK of WK betekent dat er sprake is van een beloftevolle lichting. Geregeld, en in verschillende jeugdcategorieën, een eindronde halen is een bewijs dat er goed gewerkt wordt met de jeugd. Spanje, Duitsland en de jongste jaren ook Engeland zijn vaste waarden op de grote jeugdtoernooien.

Veel verrassender is dat dit ook geldt voor Zwitserland en vooral Nederland. Landen die min of meer vergelijkbaar zijn met België. Zij doen het beter dan wij. Dat is niet de schuld van de voetbalbond, die de twee laatste decennia goed werk levert, maar slechts een beperkte inbreng heeft. De nationale jeugdteams trainen nauwelijks samen.

Als de federatie internationaal de successen van de huidige generatie op zijn hoed steekt, is dat een lichte aanfluiting van de werkelijkheid. Bijna de helft van de huidige kern kwam in Nederland ( Vertonghen, Alderweireld, Vermaelen, Dembélé, Chadli, Mertens) of Frankrijk ( Eden Hazard) tot ontluiking. De rest van de selectie werd opgeleid bij Anderlecht en vooral Standard en KRC Genk.

Bij nationale jeugdploegen zijn niet resultaten maar het aantal Rode Duivels dat ze produceren van tel.

Er moet echter gevreesd worden dat er toevallig een gouden generatie klaarstond, want geen van deze clubs lijkt in staat de lijn van supertalenten te kunnen doortrekken. Een Ajax hebben we nog steeds niet. De reden dat ons jeugdvoetbal achterop hinkt, moet bij de clubs worden gezocht. Er wordt meer dan ooit de voorrang gegeven aan een buitenlander van tweede of derde rang en de eigen jeugd krijgt te weinig kansen en krediet.

Daar zal niet meteen verandering in komen, want onze voetballeiders weigeren om het roer om te gooien en de politiek laat betijen. Belgische clubs zijn interessante prooien voor buitenlanders die hier graag (buitenlands) talent stallen, omdat de minimumsalarissen in geen enkele vergelijkbare competitie zo laag zijn en de overheid buitengewoon interessante fiscale voordelen biedt. Ronduit bedenkelijk is dat na twintig jaar er nog steeds geen akkoord is om de jeugdelftallen van de profclubs te laten aantreden in de amateurliga's, zoals dat in Spanje, Frankrijk, Duitsland en Nederland het geval is. Bondscoach Roberto Martínez betreurde dit vorige week in Italië nog.

Dat de jeugdwerking ver van perfect is, blijkt vooral uit het feit dat kleinere clubs er nauwelijks in slagen jonge spelers te laten doorbreken. Grote talenten worden (te) snel weggesnoept door de toppers en te veel jonge spelers denken dat ze best zo vroeg mogelijk de stap naar het buitenland wagen. Dat clubs uit play-off 2 geen Rode Duivels kunnen klaarstomen is begrijpelijk, maar ze zouden in staat moeten zijn om hun eerste elftal voor de helft te vullen met eigen opgeleid spelersmateriaal.

Of er Rode Duivels uit de selectie van Johan Walem op het EK U21 komen, is zeer de vraag. Dodi Lukebakio heel misschien - Yari Verschaeren is nog te jong om in te schatten - en mogelijk de geblesseerden Landry Dimata en Zinho Vanheusden. Vooral deze laatste maakt een kans, omdat de laatste lijn van onze A-ploeg binnenkort aan vervanging toe is.

Of dit EK in Italië een succes is geweest, hangt af van hun grote doorbraak. In 2007 bereikten de jonge Duivels de halve finales van het EK U17, maar veel belangrijker was dat we er Christian Benteke en vooral Eden Hazard aan overhielden. Een klein voetballand als België heeft geen overvloed aan potentiële toppers en kan het zich niet veroorloven talent verloren te laten gaan. Van de U17 die in 2015 brons behaalde op het WK in Chili bleven alleen Orel Mangala, Wout Faes en Jens Teunckens over op dit EK.

Van de drie goudhaantjes van de lichting van 1996 wordt overigens nauwelijks nog iets vernomen. Walem liet Charly Musonda junior en Zakaria Bakkali zelfs thuis. Alleen Andreas Pereira kan nog op een grote carrière hopen en dat is doodjammer.

Kwalificatie voor een EK of WK betekent dat er sprake is van een beloftevolle lichting. Geregeld, en in verschillende jeugdcategorieën, een eindronde halen is een bewijs dat er goed gewerkt wordt met de jeugd. Spanje, Duitsland en de jongste jaren ook Engeland zijn vaste waarden op de grote jeugdtoernooien. Veel verrassender is dat dit ook geldt voor Zwitserland en vooral Nederland. Landen die min of meer vergelijkbaar zijn met België. Zij doen het beter dan wij. Dat is niet de schuld van de voetbalbond, die de twee laatste decennia goed werk levert, maar slechts een beperkte inbreng heeft. De nationale jeugdteams trainen nauwelijks samen. Als de federatie internationaal de successen van de huidige generatie op zijn hoed steekt, is dat een lichte aanfluiting van de werkelijkheid. Bijna de helft van de huidige kern kwam in Nederland ( Vertonghen, Alderweireld, Vermaelen, Dembélé, Chadli, Mertens) of Frankrijk ( Eden Hazard) tot ontluiking. De rest van de selectie werd opgeleid bij Anderlecht en vooral Standard en KRC Genk. Er moet echter gevreesd worden dat er toevallig een gouden generatie klaarstond, want geen van deze clubs lijkt in staat de lijn van supertalenten te kunnen doortrekken. Een Ajax hebben we nog steeds niet. De reden dat ons jeugdvoetbal achterop hinkt, moet bij de clubs worden gezocht. Er wordt meer dan ooit de voorrang gegeven aan een buitenlander van tweede of derde rang en de eigen jeugd krijgt te weinig kansen en krediet. Daar zal niet meteen verandering in komen, want onze voetballeiders weigeren om het roer om te gooien en de politiek laat betijen. Belgische clubs zijn interessante prooien voor buitenlanders die hier graag (buitenlands) talent stallen, omdat de minimumsalarissen in geen enkele vergelijkbare competitie zo laag zijn en de overheid buitengewoon interessante fiscale voordelen biedt. Ronduit bedenkelijk is dat na twintig jaar er nog steeds geen akkoord is om de jeugdelftallen van de profclubs te laten aantreden in de amateurliga's, zoals dat in Spanje, Frankrijk, Duitsland en Nederland het geval is. Bondscoach Roberto Martínez betreurde dit vorige week in Italië nog. Dat de jeugdwerking ver van perfect is, blijkt vooral uit het feit dat kleinere clubs er nauwelijks in slagen jonge spelers te laten doorbreken. Grote talenten worden (te) snel weggesnoept door de toppers en te veel jonge spelers denken dat ze best zo vroeg mogelijk de stap naar het buitenland wagen. Dat clubs uit play-off 2 geen Rode Duivels kunnen klaarstomen is begrijpelijk, maar ze zouden in staat moeten zijn om hun eerste elftal voor de helft te vullen met eigen opgeleid spelersmateriaal. Of er Rode Duivels uit de selectie van Johan Walem op het EK U21 komen, is zeer de vraag. Dodi Lukebakio heel misschien - Yari Verschaeren is nog te jong om in te schatten - en mogelijk de geblesseerden Landry Dimata en Zinho Vanheusden. Vooral deze laatste maakt een kans, omdat de laatste lijn van onze A-ploeg binnenkort aan vervanging toe is. Of dit EK in Italië een succes is geweest, hangt af van hun grote doorbraak. In 2007 bereikten de jonge Duivels de halve finales van het EK U17, maar veel belangrijker was dat we er Christian Benteke en vooral Eden Hazard aan overhielden. Een klein voetballand als België heeft geen overvloed aan potentiële toppers en kan het zich niet veroorloven talent verloren te laten gaan. Van de U17 die in 2015 brons behaalde op het WK in Chili bleven alleen Orel Mangala, Wout Faes en Jens Teunckens over op dit EK. Van de drie goudhaantjes van de lichting van 1996 wordt overigens nauwelijks nog iets vernomen. Walem liet Charly Musonda junior en Zakaria Bakkali zelfs thuis. Alleen Andreas Pereira kan nog op een grote carrière hopen en dat is doodjammer.