LEO CANJELS 1971 - augustus 1973 Titel: 1973

Op de grens tussen de jaren zestig en zeventig wemelde het van het talent bij Club Brugge, maar het toonde zich uit en thuis in twee totaal verschillende gedaanten: onweerstaanbaar en onherkenbaar. Pas toen de Nederlander Leo Canjels (1 april 1933-26 mei 2010) zijn denkbeelden op de ploeg projecteerde, veranderde dat enigszins. Canjels was een voormalige goalgetter, maar als trainer bouwde hij veel zekerheid in, er werd economischer en bedachtzamer gevoetbald. Hij leerde de ploeg ook functioneren zonder bal.
...

Op de grens tussen de jaren zestig en zeventig wemelde het van het talent bij Club Brugge, maar het toonde zich uit en thuis in twee totaal verschillende gedaanten: onweerstaanbaar en onherkenbaar. Pas toen de Nederlander Leo Canjels (1 april 1933-26 mei 2010) zijn denkbeelden op de ploeg projecteerde, veranderde dat enigszins. Canjels was een voormalige goalgetter, maar als trainer bouwde hij veel zekerheid in, er werd economischer en bedachtzamer gevoetbald. Hij leerde de ploeg ook functioneren zonder bal. Leo Canjels arriveerde in 1971 bij Club, hij kwam over van NAC Breda en was op dat moment niet zo bekend. Tot ieders verbazing gaf hij meteen een tuinfeest bij hem thuis. Zo wilde hij de spelers beter leren kennen. Hij herhaalde dat een paar keer en telkens weer liepen die feestjes behoorlijk uit de hand. Leo Canjels voerde bij Club Brugge het professionalisme in, de meeste spelers werkten op dat moment nog halve dagen. In 1973 pakte de Nederlander met Club Brugge de eerste titel in 53 jaar nadat de ploeg het seizoen daarvoor de titel op het nippertje verloor. Heel de stad explodeerde van vreugde. Een paar maanden later werd de Nederlander ontslagen omdat hij zich in een interview te kritisch had uitgelaten over het bestuur dat volgens hem uit een stelletje hobbyisten bestond. Hij vond dat de organisatie te wensen overliet en kon naar eigen zeggen alle wantoestanden en spanningen niet verwerken. Geen trainer die Club Brugge zo op zijn kompas liet waren als de mythische Oostenrijker. Zijn aanpak is oneindig vaak bezongen en bejubeld. Ernst Happel (29 mei 1925-14 november 1992) was de eerste trainer die begreep dat het gevaar in het moderne voetbal van achteruit moest komen. Hij gebruikte de buitenspelval als offensief wapen, om de tegenstander zijn wil op te leggen. Met zijn intuïtie en tactisch inzicht vormde Happel het toen zwalpende Club om tot een aanvalsmachine. Hij slaagde er steeds weer in de spelers scherp te krijgen en waakte erover dat de individuele belangen ondergeschikt werden gemaakt aan collectieve waarden. Ernst Happel schiep een mentaliteit van winnaars en niet van egoïsten. In zijn ideaalbeeld over voetbal gaf fysiek de toon aan. En de wil om te gokken, zoals Happel dat ook vaak in casino's deed. Onder Happel schreef Club de meest vergulde periode uit zijn geschiedenis, met niet alleen drie titels maar ook twee (verloren) Europese finales. Happel onderging alle successen onbewogen, al leverde de weggeslikte stress hem verschillende maagzweren op. De Oostenrijker kon alleen functioneren als hij over alles de baas was. Ooit liet hij eens vier spelers met hun auto's achter de bus aanrijden omdat ze voor een verplaatsing naar Anderlecht twee minuten te laat waren gekomen. Soms behandelde hij spelers alsof het kleine kinderen waren. Johan Grijzenhout (22 december 1932) was een meester van de improvisatie. Weinig trainers die zo creatief waren in het bedenken van oefenvormen als deze bij Ajax gevormde Amsterdammer. Grijzenhout verbaasde toen hij in zijn allereerste match als Clubcoach Jan Ceulemans op de bank zette omdat hij vond dat die te gemakkelijk wegzakte als de ploeg niet draaide. Het bleek wel een prikkel voor Ceulemans die dat seizoen 29 doelpunten maakte. Club werd in het eerste seizoen van Grijzenhout kampioen. Het spel was niet altijd even fraai. Grijzenhout streefde naar een voetbal met sterk in elkaar lopende linies, met verdedigende aanvallers en aanvallende verdedigers. De vleugels werden optimaal gebruikt, met Jacky Debougnoux en Gino Maes als oprukkende flankverdedigers. Maar de Nederlander was zeer rechtlijnig en soms hondsbrutaal. Dat maakte hem niet altijd populair. Een paar maanden na de titel werd Grijzenhout de laan uitgestuurd. De resultaten vielen tegen, ook al omdat de internationals na het EK 1980, waarin de Rode Duivels de finale hadden gespeeld, te snel moesten herbeginnen. De spelers keerden zich tegen Grijzenhout, zijn positie viel niet te handhaven. Toch zijn er nogal wat voetballers die Grijzenhout de beste trainer noemen onder wie ze ooit werkten. Onder hen ook Jan Ceulemans. Vijf jaar lang bleef Henk Houwaart (31 augustus 1945) bij Club Brugge. Hij probeerde op dezelfde manier te werken als zijn leermeester Ernst Happel. Ook Houwaart kon met één zet een wedstrijd doen kantelen. Hij koketteerde daar graag mee en zei dat hij aan een opwarming genoeg had om een speler te beoordelen. De lijnen van Happel lieten hem nooit los, ook al probeerde hij die wel te variëren en te moderniseren. Het geluk van Houwaart bij Club Brugge was dat er zoveel intelligentie in de ploeg schuilde, dat die snel alles oppikte. Met champagnevoetbal zorgde Henk Houwaart voor memorabele Europese wedstrijden. Hij genoot van de successen. En van het leven. Houwaart hield van spelers met een individuele actie. Die waren voor hem belangrijker dan welk concept dan ook. De Hagenaar was niet de harde trainer die de spelers terechtwees. Het lag niet in zijn karakter om kwaad te zijn op iemand. Soms gaf hij de indruk van problemen weg te lopen. Maar bij het Club Brugge uit die periode, dat gedragen werd door een groep die zichzelf corrigeerde, paste Houwaart als gegoten. Toen Houwaart na vijf jaar bij blauw-zwart moest vertrekken, had hij maanden nodig om dat te verwerken. Twee jaar lang kon hij het niet meer opbrengen om naar een wedstrijd van Club Brugge te gaan kijken. Na vijf jaar onder Henk Houwaart zorgde Georges Leekens (18 mei 1949) voor een resolute stijlbreuk. Geen voetbal meer zonder dwangbuis, maar een strakke organisatie, een stugge defensie, aanvankelijk met vijf man achteraan. Dat zorgde voor gemor bij supporters die zich niet in het spel herkenden, maar uiteindelijk was Leekens met een titel en een beker wel succesvol. Georges Leekens, ooit een beenharde verdediger, is altijd verplicht geweest om over het spel na te denken. Hij zag snel in dat je in een collectieve sport naar een individuele benadering moest. Daarom was hij altijd een voorstander van specifieke trainingen, op een wetenschappelijke manier, met de juiste medische begeleiding. Spelers als Lorenzo Staelens en Franky Van der Elst waren onder de indruk van de trainingsaanpak van Leekens. Hij heette een trainer te zijn die bij voorkeur uitgaat van een verdediging van vijf man en graag met de lange bal werkte. Terwijl Leekens het nooit zo belangrijk vond met welk systeem er werd gevoetbald. Essentieel voor hem was wat er bij balbezit gebeurde. Georges Leekens hamerde wel op discipline, provoceerde graag en hield geen rekening met gevoeligheden. Hij verplichtte de spelers ook om na de training nog een tijdje te blijven. Twee titels en twee bekers: Hugo Broos (10 april 1952) werkte bij Club Brugge op de rustige en geduldige manier die hem kenmerkt. Geen shownummertjes, geen opgeblazen uitspraken, maar het harde, eerlijke werk. Broos zette zich af tegen ego's, dat zou hij heel zijn loopbaan doen, net zoals hij ook altijd moeite had met makelaars die spelers het hoofd op hol brachten. Hij vond dat dit de autoriteit van een trainer ondermijnt. Broos genoot als coach van Club Brugge. Hij was onder de indruk van de gretigheid en de verbetenheid die in de groep zat, het altijd weer over de pijngrens gaan, zelf de zweep bovenhalen, niet kunnen verliezen in een trainingspartijtje, een zware tackle op training en toch nooit discussiëren, hij vond het ongelooflijk. Er werd Broos wel eens verweten dat hij te weinig communiceerde, maar de Brabander vond altijd dat trainers die te veel praten zichzelf vaak tegenspreken. In zijn zesde en laatste seizoen kwam het tot wat gekibbel met een deel van de spelersgroep. René Eijkelkamp haalde hem op een genadeloze manier neer en het kwam ook tot een harde botsing met Robert Spehar, die riep dat Broos hem haatte. Het zorgde voor een bitter afscheid. Met zijn directe aanpak zette Erik Gerets (18 mei 1954) Club Brugge meteen naar zijn hand. Met zijn oefenstof slaagde hij erin spelers naar een hoger niveau te tillen. Vooral in zijn eerste seizoen drukte de Limburger tactisch zijn stempel: Gerets speelde achteraan man op man, met veel beweging achter één diepe spits. Zo pakte hij in 1998 met oogstrelend voetbal de titel, met achttien punten voorsprong. Er zat toen een hele cocktail van kwaliteiten in de ploeg: snelheid, combinatievermogen, goed bijsluiten, pressievoetbal waardoor er heel snel balbezit was en heel veel acties in de zestien meter van de tegenstander. Gerets zette zijn winnaarsmentaliteit en onblusbare prestatiedrang op de spelers over. In het tweede seizoen kon hij die lijn niet doortrekken. Door tal van problemen die plots opdoken. Het uitbreken van de oorlog in Servië bijvoorbeeld waardoor de Servische spelers er mentaal onderdoor gingen. Er ontstond een breuk in de selectie die niet meer te lijmen viel. Voetballers met een schitterende mentaliteit, zoals Aleksandar Ilic en Milan Lesnjak, werden weggezogen in een poel van miserie. Nog voor het einde van de competitie had Erik Gerets getekend voor PSV. De Noorse ex-onderwijzer heette een vernieuwer te zijn toen hij in België, bij AA Gent, arriveerde. Trond Sollied (29 april 1959) sprak over looplijnen en stemde heel zijn oefenstof af op positiespel. Dat deed hij ook bij Club Brugge. De achterliggende gedachte was het collectief beter te maken, de ploeg samen te leren voetballen en snel situaties te herkennen. Vaste patronen waren voor hem een vangnet, ook en vooral in matchen waarin het niet liep. Bij Trond Sollied ging het nooit om een systeem, maar wel om de manier waarop een systeem evolueert. Hij verkondigde sereen en beheerst zijn voetbalevangelie. Hij straalde rust uit en aanzag dat als een basis van succes. Omdat rust een gevoel van veiligheid en geborgenheid geeft. Positivisme was dan ook het sleutelwoord in zijn benadering naar de groep. Hij had vaker gemerkt dat spelers weten hoe ze moeten voetballen, maar niet hoe ze samen moeten spelen. Ook daarop baseerde hij zijn oefenstof. Met onder meer de zogenaamde shadowgames waarbij je tegen een denkbeeldige verdediging speelt en de oefening wordt stilgelegd om het positiespel te verbeteren. Trond Sollied leidde Club Brugge naar twee kampioenschappen. Na vijf seizoenen werd zijn repeterende oefenstof als te monotoon ervaren. Terwijl het volgens hem in het voetbal alleen maar gaat om herhalen. Toen Michel Preud'homme (22 januari 1959) bij Club Brugge als opvolger van de Spanjaard Juan Carlos Garrido neerstreek, leek het alsof de Verlosser uit de hemel was neergedaald. De Luikenaar predikte het voetbal dat verankerd zat in de ziel van blauw-zwart: de bal moet zo snel mogelijk naar voren. Zijn vurige beleving paste al evenzeer bij Club Brugge als zijn passionele manier van coachen. Bovendien lag hij zeer goed bij de media die hem als het ware adoreerde. Michel Preud'homme stampte bij Club Brugge vooral een professionele structuur uit de grond. Maar hij had het niet altijd even gemakkelijk om de spelersgroep mee te krijgen en ergerde zich aan de verslapping die te vaak in het spel optrad. Te vaak liepen de spelers zich te pletter op een muur van laksheid en onverschilligheid. Soms leek de puzzel in elkaar te passen, om dan weer te verbrokkelen. De titel in 2016, na elf jaar wachten, bezorgde Preud'homme uiteindelijk een aureool van onsterfelijkheid. Nadat Club Brugge in play-off 1 volgens de oude waarden had gespeeld: als een hecht blok en mentaal ijzersterk bolwerk. Uiteindelijk bleef Preud'homme een jaar te lang in het Jan Breydelstadion: van hetgeen hij in de ploeg had geplant, bleef er het seizoen daarop weinig over.